Noodgedwongen een eigen weg (2)

1999-10-29
  • Jaargang 43
  • nummer 22
(Antwoord aan ds L. G. Compagnie)

Gefilterd
In het vorige artikel ben ik nader ingegaan op de bijbelpassage in Jozua 5.
Dit artikel wil ik gebruiken om wat ik over Jozua 5 gezegd heb in iets breders in te kaderen. Er zit in de bijbel een ontwikkeling van minder naar meer, van minder licht naar meer licht, ook in ethisch opzicht. Over David (terwijl hij toch de man naar Gods hart is!), wordt ons de verschrikkelijke mededeling gedaan: 'Van lammen en blinden heeft David een hartgrondige afkeer' (II Sam. 5 : 8), maar van de Zoon van David weten wij dat Hij zich juist om lammen en blinden heeft bekommerd en nog bekommert. (Dat David zelf trouwens ook nog een andere kant had, weten we uit II Samuel 9, waar van de begenadiging van de verlamde Mefiboset verteld wordt.) Nu zeg ik niet dat we die hartgrondige afkeer van David zomaar met de Here God in verbinding mogen brengen, laat staan op Hem terugvoeren, maar wel blijkt op menige plaats in de bijbel, en wel in het bijzonder in het Oude Testament (dat natuurlijk het verst van ons afstaat), dat het licht van Gods openbaring gefilterd binnenvalt, dat wil zeggen: dwars door cultuurbepaalde beseffen heen die onmogelijk meer de onze kunnen zijn. Een zekere hardvochtigheid tegenover lichamelijke onvolkomenheden (zoals verlamming of blindheid) was zo'n opvatting. Die beseffen hebben vaak de openbaring niet weinig gekleurd.
Dat kun je in dit geval zien aan de bepaling in Gods wet dat zo'n lichamelijk onvolkomene geen priester mocht zijn, Lev. 21 : 16ev. Aanpassing, of: het spreken van God, gekleurd door cultuurbepaalde beseffen, zo moeten we dat verstaan.

’Men dacht het’
Dat bedoelde ik toen ik schreef dat men destijds dacht dat het God zelf was die die uitroeiing van de Kanaänieten bevolen had, want bij aanpassing vallen Gods gedachten met mensenlijke gedachten min of meer samen. 'Men dacht het' en 'God paste zich aan en beval het' zijn dus zegswijzen die elkaar in betekenis niet ver ontlopen.
Zeker wil ik met 'men dacht het' niet zeggen dat men het uit de duim zoog, want er zat een terecht besef in dat God de zonde haat en aan decadentie een gruwelijke hekel heeft (hier past inderdaad de verwijzing, door ds Compagnie en anderen, naar wat de Here God volgens Genesis 15 van de Kanaänieten vond), maar de conclusie dat men daar door genocide een einde aan moest maken kun je toch niet zomaar uit Gods hart laten komen. Daar precies ligt ook de moeite van onze catechisanten. Zij stoten zich er niet aan dat God de goddelozen straft, maar die ban-gedachte ('Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel', I Sam. 15 : 3), daar hebben ze moeite mee. Was die ban trouwens de enige mogelijkheid?, kun je vragen.
De bloedloze verovering van Jeruzalem in later tijd bewees toch dat het ook anders kon (II Sam. 5 : 6 - 8)? Van het gebod tot uitroeiing hoor je daar niets en zo te zien is er ook niets van die aard gebeurd. Of bleek nu juist d a t achteraf fout gezien? De profeet Ezechiel kan dat gedacht hebben. Hij zegt eeuwen later van Jeruzalem: 'Gij zijt naar afkomst en geboorte uit het land der Kanaänieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een Hetietische' (16 : 3) - met alle nare gevolgen van dien waar het in de rest van dat hoofdstuk over gaat.
Heeft de slechte ervaring met het gedoogbeleid, zoals dat in Jeruzalem was toegepast, de profeet en anderen tot de opvatting gebracht dat destijds tegen de Kanaänieten veel harder had moeten zijn opgetreden? En gaat daar de strengheid van Deuteronomium 7 op terug? Maar over zo'n tijdsafstand krijgt dat dan de kleur dat niet zozeer de Kanaänieten als wel het Kanaänitische een harde en radicale aanpak verdiende. De bijbel lijkt het zelf ten aanzien van de gedragslijn tegenover de oorspronkelijke bewoners van het land niet helemaal met zichzelf eens te zijn.
Ds Compagnie wijst ook op een verschil dat je in de bijbel zelf tegenkomt tussen uitroeien en verdrijven.

Achterhaald
Hoe dat nu verder ook zij, het staat wel vast dat er in meerdere gevallen met de ban gewerkt is. Daar gaat het nu over en daarvan zeg ik dat de bijbel, behalve dat hij het boek is waarin wij de stem van onze God beluisteren, ook een oud boek is van menselijke makelij en menselijke trekken en dat we daar in het verleden te weinig rekening mee gehouden hebben. De ban over de Kanaänieten is zo'n menselijke trek. Hij is in het boek Jozua al door verschillende uitzonderingen omgeven, zoals ook ds Compagnie met de voorbeelden van Rachab en de Gibeonieten aangeeft, en later hoor je er helemaal niet meer over. Terecht niet.
Toen de enkele persoon uit de collectiviteit naar voren was getreden (zie Ezechiel 18), was het met de bangedachte gedaa wij moeten er niets meer mee te maken willen hebben.
(En het roomse interdict, dat eigenlijk een onbloedige herhaling van de ban is, dienen we nog des te meer te verafschuwen).
Ja maar, straft God dan niet meer collectief?
Denk eens aan het boek Openbaring? In alle eerbied: Wat de Here God doet is zijn zaak. Hij is de kenner der harten. Zijn weg is in heiligheid en ondoorgrondelijk. Daarin zit ik helemaal op een lijn met mijn collega. Maar dat God dit collectieve straffen in mensenhanden zou leggen, daarover gaat het bij Jozua en dat noem ik vrijmoedig - voor ons dan, want ik wil er Jozua en zijn tijdgenoten niet om blameren - een verwerpelijke gedachte en een achterhaalde primitiviteit.

Boven en beneden
Zoals er natuurlijk veel meer van dien aard in de bijbel staat. Veel in de Schrift over Boven is gekleurd door beneden.
Met deze bekend aandoende zin zou ik Kuitert willen verbeteren, die zegt: Alles over Boven is van beneden. Daar kan ik niet in meekomen, want dat zou alle openbaring uitsluiten. Nee, maar dat er in de Schrift zelf veel menselijks in het verwerken van en het reageren op de goddelijke openbaring te vinden is, ik kom daar steeds moeilijker onderuit. En eerlijk gezegd, dat vergemakkelijkt voor mij het gebruik van de bijbel en maakt een einde aan onterechte schuldgevoelens als van 'dit of dat kan ik niet meemaken'. Dat hoeft ook niet, ga ik gaandeweg begrijpen. Ik zeg deze dingen niet vanuit het geloof in een lievige God. Verschillende briefschrijvers schijnen te denken dat ik alles wat niet strookt met onze zoetsappige tijdgeest uit de bijbel wil schrappen en elke herinnering aan Gods oordeelsdag wil uitbannen.
Ik kan U geruststellen, geschrapt wordt er niets en wat Gods strengheid betreft, die is ook voor mij realiteit. Daar is behalve het Oude ook het Nieuwe Testament niet onduidelijk over. Onze God heet geen Joris Goedbloed. Die strengheid van de Here is zelfs de niet weg te denken keerzijde van het evangelie.
Zonder die strengheid wordt de genadeboodschap op grond van het betalend offer van Christus een slag in de lucht.

Nuance
Het is nu in het licht van bovengegeven toelichting dat ik een bericht als dat van Jozua 5 : 13 - 15 lees, de passage waarin de Here zelf een kritische kanttekening plaatst bij zijn eigen staan achter en meegaan met Jozua. Ik hoor daarin het voorspel op een melodie die verderop in de bijbel luider en duidelijker ten gehore wordt gebracht. En het is op grond hiervan (en ook wel van andere voorbeelden) dat ik zeg dat niet alles in de bijbel op gelijke wijze Gods Woord is.
Er zijn uitspraken bij die wij terecht verwerpelijk vinden, zoals (om zo nog eens een paar voorbeeldjes uit de ethische sfeer te noemen) de opmerking van Mozes dat de slaaf het geld is van zijn heer (Ex. 21: 21) of van Paulus dat de vrouw het vat is van haar man (I Thess. 4 : 4). In zulke woorden hebben wij te doen met aanpassing.
Aanpassing van Gods Geest aan de cultuur van Mozes' of Paulus' tijd die vast en zeker de onze niet meer is. Of - nog een voorbeeld - wie zou in het gesprek met de synagoge (of je dat nu een getuigend gesprek noemt, zoals de mode voorschrijft, of een missionair gesprek, het doet er niet toe) aan durven komen met de smakeloze opmerking van Paulus uit Galaten 5 : 12: 'Zij moesten zich maar laten snijden, die u verontrusten!', waarin hij besnijdenis en castratie snerend elkaar verhaspelt? Wij vergeven de apostel dit botte woord dat hij zich in het vuur van zijn twist met de Judaisten laat ontvallen gaarne, omdat de zaak die hij daar verdedigt ons hart heeft en er op zichzelf ook niets mis is met emotie, maar je moet er toch niet aan denken dat wij het voor geïnspireerd zouden moeten houden, in die zin dat 'er niets tegen valt te zeggen'?

Uitkomst
Toch heb ik dat zelf eerder wel gedaan, maar dat kan ik nu niet meer begrijpen. In dat opzicht ben ik wel veranderd en zie nu in dat ik vroeger teveel verdedigd heb.
Hier, bij dit voorbeeld van te ver gaan bij Paulus, is een wat genuanceerde inspiratieleer voor mij een uitkomst. Ze ontslaat me ervan om met een hoogrode kleur van verlegenheid zo'n apostolische misser te verdedigen en goed te praten. Er gaat wat energie in zulke goedpraterij zitten, is mijn ervaring, om maar te zwijgen over het verlies aan vrijmoedigheid tegenover de ongelovigen dat ermee gepaard gaat! De 'ergernis' van het evangelie mogen wij niet wegwerken, zegt diezelfde Paulus in diezelfde brief terecht (Gal. 1 : 10), maar tot die aanstoot wordt onder ons onnodig veel gerekend.
Ook zaken dus als die van de uitroeiing der Kanaänieten. In de tijd dat die plaats vond viel niemand erover. Maar wij mensen van deze tijd protesteren ertegen, niet vanuit een verwekelijkte tijdgeest (al zal dat ook wel voorkomen!), maar in het beste geval vanuit een menslievendheid die door de Schrift zelf is gevoed.
En trouwens, dat protest heeft niet hoeven te wachten tot onze tijd; zelfs in de dagen van het Nieuwe Testament is die uitroeiing al niet meer voorstelbaar. 'Gij weet niet van hoedanige geest gij zijt', zegt Jezus (volgens sommige handschriften) tegen zijn jongeren als zij een herhaling willen opvoeren van het strenge vonnis dat Elisa ooit voltrok, Luc. 9 : 55.
Dit verschil nu tussen toen en later verraadt al dat het hier om de eigenlijke aanstoot niet kan gaan.

Cantus firmus
En daarom ben ik blij met een bericht als dat van Jozua 5, juist aan de vooravond van de uitroeiing van de Kanaänieten. Want precies een woord als dit NEE stelt mij in staat tussen het minder en het meer waardevolle in de bijbel onderscheid te maken. Het stemt, nog aarzelend trouwens, een cantus firmus aan die ik bij het lezen van de hele bijbel wil vasthouden. Ik denk overigens dat velen die Gods Woord liefhebben, dat onderscheid wel net zo zullen maken.
Alleen, men doet dat vaak onbewust en onberedeneerd of ook wel ook wel gemakkelijk met een slecht geweten. Met mijn uitleg en beschouwing eromheen heb ik geprobeerd er een goede argumentatie onder te leggen, zodat ieder weet wat hij doet als hij of zij dat onderscheid hanteert.
Want in een willekeurig Schriftgebruik wil ook ik niet terechtkomen. Het gaat mij erom, met behulp van materiaal aan de bijbel zelf ontleend, in de Schrift een lijn van ontwikkeling en van groeiend inzicht na te tekenen, een lijn die laat zien dat de Schrift af en toe zichzelf inhaalt, verbetert en overtreft. Ik getroost mij die moeite natuurlijk met de bedoeling ook zelf in die lijn verder te gaan.
In alle voorzichtigheid dan, want alleen bij een biddende kerk is dit werk in vertrouwde handen.
'HERE, maak mij uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend', het blijft voor elke tijd een nodig gebed.

Het fundamentalisme van de Islam, Zionisme en kerk
Ik denk bij die zaak van de uitroeiing zijdelings ook wel aan de Islam, waar we juist ook godsdienstig steeds meer mee te maken zullen krijgen.
In de Koran gaat het regelmatig over de strijd tegen de ongelovigen in naam van Allah. Maar een bericht à la Jozua 5 vind je daarin niet. Dat heeft gevolgen, in die zin dat bij hen tussen openbaring en tijdscultuur geen verschil wordt gemaakt. Dat geeft aan hun godsdienst een oudtestamentische of beter: een star-ouderwetse trek (heilige oorlog).
Zo zullen de fundamentalisten onder hen van onze westerse cultuur vinden wat Israël van Kanaän dacht: totaal decadent.
Nu ja, helemaal ongelijk hebben ze niet. Maar de gevolgen? Misschien denken ze wel dat de opmars van de Islam destijds bij Weenen gestopt is, omdat 'de maat van de ongerechtigheid van de Europeanen nog niet vol was' (zie Gen. 15 : 16) en dat dit nu wel het geval is. Wie weet wat ons van hun kant nog te wachten staat. Omgekeerd zijn de Palestijnen weer doodsbenauwd voor het boek Jozua in Zionistische handen.
Zonder Jozua 5 zouden wij op zulke fundamentalisten kunnen gaan lijken en als je naar de Serviërs (christenen!) kijkt was het daar bij hun optreden in Kosovo niet ver vandaan. We kunnen trouwens nog dichter bij huis blijven en de Noord-
Ierse protestanten noemen.
En wij-zelf? Zou onze gereformeerde hardheid hier werkelijk niets mee te maken hebben?
Zou die geen gevolg kunnen zijn van een vasthouden aan of een te grote eerbied hebben voor voorbije gedragscodes?
Biblicisme, heet dat sinds lang. Ik denk dat veel kerken en groepen die er prat op gaan dat ze 'bijbelgetrouw' zijn, er mank aan gaan. Wanneer wij het filter van de vroegere culturen in de bijbel niet in rekening brengen, kunnen we met de Schrift de vreemdste dingen uithalen.
Het meest onschuldige is nog dat wij het christelijk leven in folklore kunnen laten ontaarden.
Het is echter de Schrift zelf (mits met de Geest mee gelezen) die een andere kant uitwijst en ons een weg toont die 'veel verder omhoog voert' (I Cor. 12 : 31).

Ik hoop dat ds Compagnie, mijn overige kritische briefschrijvers (die ik allemaal voor hun meedenken bedank) en de lezers van ons blad iets aan mijn antwoord hebben.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief