Hoop, de essentie van het geloof

1999-10-29
  • Jaargang 43
  • nummer 22
Op de achterkant van Beweging 63, 2 schreef collega Geertsema een artikel over de betekenis van de bekende tekst waarmee Hebr. 11 begint, en die in de NBG-vertaling aldus luidt: "Het geloof nu is de zekerheid der dingen die men hoopt, en het bewijs der dingen die men niet ziet". Uitgaande van de filosofische betekenis van 'hypostasis', t.w. 'echte werkelijkheid' (tegenover schijn) of 'de manifestatie van die werkelijkheid in de zichtbare wereld' wil hij de eerste helft van onze tekst aldus weergeven: 'Het geloof is de verschijning van wat wij hopen'. Hij licht dat als volgt toe: in het geloof gaat het om "de werkelijkheid van God, zijn belofte, zijn opdracht. Deze werkelijkheid is (nog) niet zichtbaar.
Wat Hebreeën 11: 1 wil zeggen is, denk ik, dat het geloof zelf, het volhardend leven bij dit woord van God, de werkelijkheid van dat woord laat zien".

’Hypostasis’
De zojuist genoemde bijdrage bepaalde mij opnieuw 1) bij de problemen waarvoor taal en stijl van de HebreeÎrbrief ons stellen. Aan de hand van interne parallellen heb ik gepoogd vast te stellen, wat de ons onbekende auteur in deze tekst nu precies bedoelde te zeggen. Een van de grote problemen die hier liggen is de betekenis van hypostasis, het woord dat in de NBG door 'zekerheid' wordt weergegeven, in de Statenvertaling door 'vaste grond'. Nu kent dit woord een heel scala aan betekenissen 2). Ik zou allereerst de aandacht willen vestigen op een plaats in deze brief waar het ook voorkomt, t.w. 3, 14 "want wij zijn deelgenoten van Christus, wanneer we tenminste het begin van de 'hypostasis' tot het einde toe stevig vasthouden"
3). Ik laat het bewuste woord hier in eerster instantie maar onvertaald, omdat ook hier de betekenis niet aanstonds duidelijk is. De gewenste duidelijkheid verkrijgt deze tekst pas uit de in deze brief voorhanden zakelijke parallellen.

Het volharden in de hoop
Daar zijn nl. in deze brief een aantal teksten die èn inhoudelijk èn in de formulering op deze tekst corresponderen. Ik noem eerst de twee die het woord vasthouden met onze tekst gemeen hebben.
De eerste is 3, 6 "Zijn (d.i. Christus') huis zijn wij, wanneer wij (tenminste) de vrijmoedigheid en de roem van de hoop vasthouden".
De parallellie tussen v. 6 en v. 14, zowel in de hoofdzin ("Wij zijn Christus' huis"/"Wij zijn Christus' deelgenoten") als in de bijzin ("Wanneer wij tenminste ..."/" Wanneer wij tenminste...") is dunkt mij, voor iedereen duidelijk.
Vermelding verdient nog, dat een aantal handschriften de woorden "tot het eind toe stevig", die we zopas in v. 14 lazen, ook hier invoegen. De tweede tekst die niet alleen inhoudelijk, maar ook door het gebruik van 'vasthouden' aan 3, 14 verwant blijkt, is 10, 23 "Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden". Het 'stevig', dat 3, 14 aan 'vasthouden' toevoegde, is hier uitgedrukt in de gelijkwaardige term 'onwrikbaar'.
Alvorens nog twee zakelijk verwante plaatsen te noemen meen ik nu reeds op grond van de strikte parallellie tussen de verzen 6 en 14 van hoofdstuk 3 de conclusie te kunnen trekken, dat hypostasis in v. 14 hetzelfde zal betekenen als elpis in v. 6, t.w.
hoop.

De Septuaginta
Nu is 'hoop' metterdaad een van de betekenissen waarin het woord hypostasis in de Septuaginta, d.i. de Griekse vertaling van het Oude Testament, voorkomt. Ik noteerde de volgende plaatsen: Ruth 1, 12, waar Naomi haar schoondochters ontraadt met haar mee te gaan met als argument: "Al zou ik denken: ik heb hoop, dat ik nog wel eens met een man zal trouwen, en nog zonen zal baren, dan zullen jullie er toch niet op wachten, tot die volwassen zijn?" Ps. 39, 8 "En nu, wat is mijn verwachting?
Is het niet de Heer?
Ja, mijn hoop komt van U!" Ez. 19, 5 (uit het klaaglied over de leeuwin en haar welpen) "Ze zag, dat hij (d.i. de welp die ze het eerst gekozen had) haar was ontrukt, dat haar hoop was vervlogen".

Terug naar 11, 1
Als ik na deze oriëntatie nu weer kijk naar 11, 1, waar sprake is van "hypostasis van zaken waarop men hoopt", dan lijkt het alleszins waarschijnlijk, dat ook hier hypostasis de betekenis hoop zal hebben 4).
Misschien is iemand geneigd daartegen in te brengen: 'hoop op het gehoopte' is dat niet een beetje dubbel? Maar dan wordt het tijd de aard van deze hypostasis nader te bepalen. Wij zullen dit zelfstandig naamwoord in deze betekenis ('hoop') in verbinding moeten brengen met het corresponderende werkwoord hyphistèmi in de betekenis 'als bestaand behandelen' 5). Wij hebben hier dan niet te maken met een hoop die doet zeggen: ja, ik hoop het wel, maar of het ook echt gebeurt, dat moet ik nog zien. Nee, hypostasis is een hoop waarbij men ervan uitgaat, dat het gehoopte komt, het is een stellig verwachten, een vast ergens op rekenen, een staat op iets maken.
Ook Paulus bezigt het woord in die zin: "..., opdat niet ... wij ... in deze stellige verwachting zouden beschaamd worden", 2 Cor. 9, 4 NBG 6).
Dezelfde betekenis lijkt mij ook het best te passen 7) in 2 Cor. 11, 17 "Wat ik zeg, zeg ik niet naar den Heer, maar als in onverstand, er nu maar van uitgaande dat ik pochen mag" (letterlijk: in deze 'hypostasis' van roem).
Paulus verwacht stellig, dat de Corinthiërs hem zullen toestaan uit hetzelfde vaatje te tappen als zij, door te pochen op eigen 'kwaliteiten'.
(Zakelijk dezelfde opvatting heeft NBG: "aangenomen dat wij mogen roemen"; en eveneens de Friese Vertaling: "no't ik der wis fan bin, dat ik grutdwaan mei".) De hoge zekerheidsgraad van 'hypostasis' blijkt - dunkt mij - ook, als we 3, 6 nog eens nader vergelijken met 10, 23. In laatstgenoemde tekst is sprake van "de belijdenis van de hoop", d.w.z. het ervoor uitkomen: dat verwacht ik. Maar 3, 6 gebruikt sterkere bewoordingen: vrijmoedigheid en roem.
Het eerste woord drukt uit, dat men geen blad voor de mond behoeft te nemen. Men is zo zeker van zijn zaak, dat men er zonder reserve over durft te spreken. Roem hangt samen met een woord dat 'pochen' 8) betekent. Je hart is dus van hoop zo vol, dat de mond ervan overloopt. Ik zou dus in 11, 1 willen vertalen: "geloof is een stellig verwachten van dingen waarop je hoopt".

De groei in de verwachting
Alvorens op de tweede helft van Hebr. 11, 1 in te gaan, wil ik toch nog even aandacht schenken aan twee andere teksten die met 3, 14 verband houden.
Allereerst aan 6, 11 "maar wij wensen, dat ieder van u aan het eind toe dezelfde ijver aan de dag legt om de hoop tot voldragenheid te brengen".
Wat hier aanstonds aan 3, 14 herinnert is de bepaling "tot het eind toe". Er is niet alleen een begin (3, 14), maar ook een eind (3, 14 en 6, 11) aan het hopen. Maar dat is niet zomaar een ophouden.
Nee, er is dan sprake van voldragenheid. Onze hoop neemt, als het goed is, allengs toe en raakt op den duur volgroeid. Dan is alle twijfel en aarzeling voorgoed uitgebannen.
Een verwante gedachte valt ook te lezen in 6, 18.
God heeft door twee dingen, nl. belofte en eed, zich aan Abraham verplicht, "opdat wij, die onze toevlucht (bij Hem) hebben gezocht, door die twee zaken, waar niet aan te tornen valt, die het God onmogelijk maken te liegen, een sterke aansporing zouden ontvangen, de hoop - en dat is hier: het goed waarop wij hopen - die in het verschiet ligt, te bemachtigen".
(Voor de gedachte vgl. Fil. 3, 12.) De bijstelling bij "wij", nl. de woorden "die onze toevlucht (bij God) hebben gezocht", heeft bevreemding gewekt 9). Toch denk ik, dat 'toevlucht zoeken' eigenlijk gelijkwaardig is met 'zijn hoop vestigen'.
In Ps. 9, 10 (LXX) heet God "de toevlucht voor den arme", maar in Ps. 14, 6 "diens hoop". Interessant is de afwisseling van 'toevlucht' en 'hoop' in de Septuaginta-vertaling van Ps. 91 10). Ik lees daar in v. 2b "en mijn toevlucht is God, op Hem zal ik hopen"; en in v. 9 "want gij, Heer, zijt mijn hoop; den Hoogste hebt gij tot uw toevlucht gesteld". En v. 4b luidt daar zelfs aldus: "en onder zijn vleugels zult gij hopen". Ik vermoed, dat zowel zijn gebruik van 'hypostasis' in de betekenis 'hoop' als zijn vrijwel synoniem gebruiken van 'toevlucht nemen' en 'hopen' invloed van de LXX op de taal van den schrijver van Hebreeën verraadt.
Als we Hebr. 6, 18 zo verstaan, wordt daar gezegd, dat wij destijds (nl. toen we tot geloof kwamen) onze toevlucht bij God hebben gezocht, anders gezegd: onze hoop op Hem hebben gevestigd; maar dat we nu worden aangespoord dat wat wij van Hem hopen uiteindelijk te bemachtigen. Het eens ingezette hopen moet tot zijn einddoel komen. (Vgl. 10, 36.)

Van actief naar passief
Rest ons nog de tweede zinsnede uit Hebr. 11, 1 "(het geloof is) ... de elenchos van dingen die men niet ziet". Terecht stelt Geertsema in zijn kritiek op Luther-Melanchthon en Groot Nieuws, dat elenchos niet is 'overtuigd zijn' (passief). Het woord heeft actieve betekenis: het overtuigen (van een ander); ev. dat waarmee men een ander overtuigt, dus 'bewijs'. Alleen maar: wij moeten hier m.i. de neiging tot verkorting van den schrijver in rekening brengen. (De taal van dezen auteur bevat inderdaad heel wat voerangels.) Als voorbeeld daarvan het volgende. In een recensie (in ons kerkblad "de Brug") van de verklaring van Hebreeën van ds.
M.R. van den Berg heb ik er al op gewezen, dat katabolè spermatos in 11, 11, gezien de parallellen bij Liddell-Scott-Jones, s.v. 1a, moeilijk anders kan worden opgevat dan als zaadstorting, wat evident een handeling van den man (in dit geval dus van Abraham) is. Als hier dan desondanks staat, dat Sara kracht ontving tot zo'n zaadstorting, dan zal de schrijver bedoelen, dat zij door den Heere voor de zaadstorting van haar man ontvankelijk werd gemaakt, zodat zij 'ontving' (zoals dat in de Statenvertaling heet). 11) Een dergelijke verschuiving als daar van 'bevruchten' naar 'bevrucht worden', dus van actief naar passief, is m.i. hier ook in het spel: wie gelooft wordt ontvankelijk voor Gods bewijsvoering ('elenchos'), dat wat niet te zien is toch bestaat. Inhoudelijk hebben Luther-Melanchthon en Gr.Nws. deze zinsnede toch wel juist verstaan m.i. Men zou kunnen vertalen: "geloven is: dat God je overtuigt van het bestaan van dingen die je niet ziet". Het manco aan strikte correctheid in dergelijke uitspraken is te gemakkelijker aanvaardbaar, als we bedenken (zoals Geertsema terecht stelt), dat het hier niet om een wetenschappelijke definitie gaat. We zien een vergelijkbare nonchalance ook in de formulering van de gelijkenissen van het koninkrijk der hemelen. In Mt. 13, 24 heet dat gelijk te zijn aan iemand die zaait (actief), maar in de volgende gelijkenis (v. 31) aan wat gezaaid wordt (passief); in 13, 44 aan een schat die gevonden wordt (passief), maar in v. 45 aan iemand die naar kostbaarheden op zoek is (actief).

De parallellie in de vershelften
Het zal duidelijk zijn, dat de beide helften van 11, 1 parallel lopen: a) hypostasis van wat men hoopt, b) elenchos van wat men (nog) 12) niet ziet.
'Hopen' en '(nog) niet zien' vinden we ook op éé=n lijn gesteld in Rom. 8, 24 "Hoop die men ziet, is geen hoop meer: wie hoopt er nu op wat hij al ziet?". Nu, uit het parallel gebruik van hypostasis met elenchos blijkt eens te meer, dat de hoop die hier met het eerste woord wordt uitgedrukt een stellige verwachting is: God zelf heeft door belofte en eed (6, 18) ons ervan overtuigd, dat wat we hopen, maar nog niet zien, echt komen zal. Wij zouden dus Hebr. 11, 1 aldus kunnen weergeven: "Geloven is: een stellig verwachten van wat we hopen, een zich (door God) laten overtuigen van (de komst van) wat we nog niet zien".
1) Zie ook mijn bijdragen over Hebreeën in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1999, blz. 276-290.
2) Geertsema noemde reeds 'bezinksel, neerslag'.
In Hebr. 1,3 treffen we het woord aan in de betekenis 'wezen': de Zoon is "het karakter van Gods hypostasis", d.w.z. Hij vertoont de wezenstrekken van zijn Vader; in Hem krijgen we te zien, hoe God is.
3) Zoals gewoonlijk, ver oorloof ik me ook in dit artikel af en toe een eigen weergave te bie den van teksten die ik citeer.
4) Het kwalificeren van geloof als 'hoop' vinden we ook in 1 Petr. 1, 21.
5) Zie Liddell-Schott-Jones, s.v. A4.
6) Voor de verbinding van 'hoop' met 'beschamen' (teleurstellen) zie Rom. 5, 5.
7) Men lette erop, dat hier dezelfde verbinding ("in deze hypostasis") voorkomt als in 9, 4.
8) Vgl. Rom. 5, 2.
9) Zie dr. J. Reiling, Hebreeën. Een praktische Bijbelverklaring (in de serie 'Tekst en Toelichting'), Kampen 1994, blz. 67.
10)Op Ps. 91 hopen wij in een volgend artikel, dat over Hebr. 1, 6 zal gaan, nog terug te komen.
11)Wel niet ten onrechte neemt Grosheide (in zijn bij van Bottenburg, Amsterdam, in 1927 verschenen commentaar op Hebreeën) ook in 11, 3 "een elliptische wijze van uitdrukken"
aan. Van ons verstaan "dat de wereld door Gods woord tot stand is gebracht"(3a) is het "niet uit het waar neembare ontstaan zijn van wat wij zien" (3b) noch het doel, noch het gevolg. Hij wil daarom niet vertalen "zodat het zichbare niet uit het waarneembare is ontstaan", maar "zodat wij verstaan dat het zichtbare niet uit het waarneembare is ontstaan".
12)Onze invoeging van dit woord in de vertaling vindt haar rechtvaardiging in 11, 7

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief