Gods eerstgeboren Zoon
1999-11-12
Door een artikel van collega Geertsema weer op het spoor van Hebreeën gezet 1) ben ik nog even in deze boeiende en intrigerende brief blijven hangen.- Jaargang 43
- nummer 23
Vandaag zou ik iets willen zeggen over Hebr. 1,6 "En wanneer Hij wederom de eerstgeborene in de wereld brengt, spreekt Hij: 'En Hem moeten alle engelen Gods huldigen'."
Het citaat
Allereerst iets over het hier gegeven citaat. Van den Berg 2) laakt den auteur om wat hij hier uithaalt. Hij signaleert een "punt, dat volgens onze maatstaven helemaal ongeoorloofd is bij het aanhalen van een bewijsteks".
Er staat in de LXX letterlijk: 'buigt u voor Hem neer, al gij zonen Gods'. Maar een letterlijk citaat zou het betoog van de schrijver helemaal omver gooien. Hij wil immers bewijzen dat God engelen nog nooit als zonen heeft aangesproken. Met een letterlijke aanhaling zou dat bewijs niet te leveren zijn. Daarom vervangt hij het woord 'zonen' door 'engelen', en wel naar analogie van Ps. 97:7 (LXX: 96:7). De hebreeuwse grondtekst van dit vers zegt: 'buigt u voor Hem neer, al gij goden'. Dat wordt in het verband van de psalm gezegd tot de afgoden. De LXX vertaalt echter: 'buigt u voor Hem neer, al gij engelen van Hem'. Die vertaling is dus niet correct. En deze foutieve vertaling 'engelen' wordt nu gebruikt om het woord 'zonen' in Deut.
32:43 te vervangen.
M.a.w.: Deut. 32:43 wordt aangepast om het betoog van de schrijver te kunnen ondersteunen."3) Nauwkeuriger lezing van de Septuaginta-tekst voert tot een andere conclusie.
In de LXX begint Dt. 32, 43 namelijk met een vierregelige passage, waaruit de masoretische tekst alleen de derde regel geeft (die ook door Paulus in Rom. 15,10 wordt geciteerd).
Deze regels luiden:
a) "Verheugt u, hemelen, tezamen met hem
b) en voor hem moeten knielen Gods zonen.
c) Verheugt u, natiën, met zijn volk
d) en hem moeten kracht toebrengen 4) al Gods engelen."
Nu is aanstonds duidelijk, dat er parallellie is tussen a en c enerzijds en tussen b en d anderzijds. Wat heeft nu de auteur van Hebreeën gedaan?
Waarschijnlijk uit het hoofd - dat deed men in die tijd doorgaans 5)regel b citerend, heeft hij - waarschijnlijk dus onbewust - de slotwoorden ("Gods zonen") vervangen door de gelijkwaardige slotwoorden uit d ("al Gods engelen") 6). Dat hij nièt Ps. 97, 7 heeft gebruikt, valt daaruit op te maken, a) dat het lidwoord (hoi), dat Ps. 97,7 vóór "zijn engelen" zet, hier ontbreekt, evenals in Dt. 32, 43; b) dat onze auteur "Gods" schrijft, juist als de tekst uit Dt., terwijl de bewuste psalm "van hem" geeft. Ps. 97,7 had als paralleltekst best vermeld mogen zijn, omdat daar een nauw verwante uitspraak te vinden is, maar niet als plaats waaruit een citaat afkomstig is, zoals Nestle wel doet. Terecht geeft de editie van de United Bible Societies deze psalmplaats tussen haakjes op.
"Wederom"
Wanneer we zo de ons onbekenden auteur, wat zijn citeerwijze betreft, van blaam hebben gezuiverd, gaan we eens kijken, wat hij hier zegt.Dan moet ik allereerst ingaan op de betekenis van het woord palin, dat NBG hier met 'wederom' weergeeft.
Wie dat zonder gedachtestreepjes leesten die ontbreken in de NBG - betrekt dit woord op "in de wereld brengt".
Verder ziet men in den "eerstgeborene" graag den Messias 7). Volgens den auteur van de Hebreeënbrief zou God dus - als we deze uitleg aanvaarden - de woorden uit Dt. 32, 43 dan pas spreken, wanneer Hij aan het eind der tijden voor de tweede keer Jezus in de wereld zal hebben laten komen. Ik kan het niet helpen: deze opvatting vind ik te absurd om me erbij neer te leggen.
De schrijver van onze brief geeft toch elders blijk van historisch besef. Als hij Ps.
95 aanhaalt in 3,7-11, dan is hij zich er terdege van bewust (vv. 16-19), dat daar herinnerd wordt aan Israëls woestijnreis. Zou hij dan hier opeens niet hebben geweten, dat Mozes de woorden-inkwestie aan het einde van die woestijnreis had gesproken? Maar goed, daarover straks nader.
Eerst even terug naar palin. Ik suggereerde zopas al, dat dit woord hier tussen gedachtestreepjes zou moeten: "En wanneer Hij - wederomzijn eerstgeborene in de wereld gebracht heeft, ...". We hebben hier namelijk hetzelfde 'wederom', als aan het begin van 5b en in 2,13 (twee maal). Het dient om nog een citaat aan te knopen bij het voorafgaande.
Ik zou duidelijkheidshalve dan ook liever vertalen: "En wanneer Hij - om nog een plaats te noemenzijn eerstgeborene in de wereld heeft gebracht, ...". Ook Paulus bedient zich op dezelfde manier van dit woord. En ook bij hem, evenals hier, zou men ongelukken kunnen begaan door b.v. in Rom.
15,12 te vertalen: "En wederom zegt Jesaja: '...'". Paulus laat hier niet Jesaja opnieuw aan het woord komen. Het voorafgaande citaat is nl.
een aanhaling uit Ps. 117, en niet uit Jesaja.Dit gebruik van palin beperkt zich niet tot citaten. Ook elders wordt het gebruikt, wanneer men nog meer van hetzelfde wil aanvoeren.
Zo b.v. in gelijkenissen, waarvan men een reeks achter elkaar geeft.
Aardig is te zien, hoe iemand als Mattheüs dan afwisselt. In 13,24 heet het: "Nog een gelijkenis legde Hij hun voor".
(Letterlijk staat er: "een andere gelijkenis"; vgl.
het gebruik van 'another' in het Engels.) In v. 31 wordt dezelfde manier van aanrijgen gebruikt, en in v. 33 nog eens. Maar in de vanaf v. 44 volgende reeks gebruikt de evangelist palin (vv. 45 en 47).
Ook hier doet men er goed aan niet te vertalen: "Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan...", maar b.v.: "Om het nog eens anders in beeld te brengen: het Koninkrijk der hemelen is te vergelijken met ...".
Overigens varieert ook de schrijver van de Hebreeërbrief: in 5,6 schrijft hij ter afwisseling van palin nu eens een keer: "..., zoals Hij ook op een andere plaats zegt: ...".
Opmerkelijk is ook het palin in 1 Cor. 12,21. Om te illustreren, dat wij als gemeenteleden elkaar nodig hebben, heeft Paulus gewezen op de onderlinge afhankelijkheid van organen en ledematen van ons lichaam: "het oog kan niet tegen de hand zeggen: 'ik heb je niet nodig'". En dan vervolgt hij - en nu vertaal ik even letterlijk - "of wederom het hoofd tegen de voeten: 'ik heb jullie niet nodig'". Ook daar is het niet zo, dat het hoofd opnieuw aan het woord komt. Nee, Paulus bedoelt: "of - om nog eens zo'n betrokkenheid te noemen - het hoofd ...". Welnu, zo staat hier in Hebr. 1,6: "En wanneer Hij - om nog eens een plaats te noemen - zijn eerstgeborene in de wereld heeft gebracht ...".
Tijdsverhouding en zinsbouw
Nu doet zich hier een grammaticaal probleem voor. Dit vers begint namelijk niet met een voegwoord dat naar een tijdstip in het verleden wijst (b.v. "toen hij zijn eerstgeborene in de wereld had gebracht ..."), maar met een voorwaardelijk- tijdelijk voegwoord, dat naar de toekomst wijst ("wanneer Hij (straks) zijn eerstgeborene in de wereld gebracht zal hebben 8)..."). Zo vreemd is het dus ook weer niet, dat uitleggers hier aan de wederkomst van den Messias hebben gedacht, die immers nog in de toekomst ligt. Het probleem is echter: na zo'n voorwaardelijke bijzin pleegt in de hoofdzin een toekomende tijd te volgen.
Begrijpelijk! Als immers de voorwaarde pas in de toekomst vervuld zal worden, zal het van dat vervullen afhankelijke gebeuren in een nog verdere toekomst moeten liggen.
Ik noem enkele voorbeelden: Joh. 4,25 "Wanneer Hij (d.i. de Messias) gekomen zal zijn, zal Hij ons alles verkondigen"; 7,31 "zal de Christus soms, wanneer Hij gekomen zal zijn, meer tekenen doen dan deze heeft gedaan?"; 1 Cor. 15,28 "Wanneer alles Hem onderworpen zal zijn, dan zal ook de Zoon zelf zich onderwerpen aan Hem die Hem alles onderworpen heeft".
M.a.w. het "zegt Hij"
(tegenwoordige tijd) lijkt hier niet acceptabel 9). Ik vermoed dan ook, dat de schrijver van Hebreeën dat "zegt Hij" eveneens tussen gedachtestreepjes heeft bedoeld, en zich als hoofdzin het citaat uit Dt. 32,43 regel b heeft gedacht. Dan zouden we zo moeten lezen: "Enom nog eens een plaats te noemen - wanneer Hij zijn eerstgeborene in de wereld zal hebben gebracht - zo zegt Hij'moeten ook al Gods engelen hem te voet vallen'".
Een gebiedende wijs, zoals hier gebruikt ('proskynäsatoosan'), is nl. futuraal van aard: een gebod geldt nu eenmaal de toekomst 10). Volgens den auteur van Hebreeën - als ik hem tenminste goed begrijp - heeft God dus gezegd: "wanneer Ik (straks) mijn eerstgeborene in de wereld zal hebben gebracht, dan moeten ook al Gods engelen hem hulde betonen".
Wie is Gods eerstgeborene?
Als dan nu deze uitspraak door den auteur van Hebreeën gelezen wordt in Dt. 32,43, d.w.z. in het slot van Mozes' rede, gehouden vlak voor de intocht in Kanaän, m.a.w. vlak voordat Israël een eigen land betrok en daarmee een eigen plaats kreeg in de volkerenwereld, wie zou die eerstgeborene die door God in de wereld gebracht zal worden, dan anders kunnen zijn dan Israël?
Bevreemdt u die betiteling?
Maar had de Heere niet, uitgerekend op het moment waarop Hij aan Israëls uitleiding uit Egypte naar Kanaän begon, tegenover Farao dit volk als "mijn eerstgeborene"
geclaimd (Ex. 4,22)?
Of de schrijver het "hem" in regel b terecht op Israël laat slaan, mag men betwijfelen. (Al moet erkend worden, dat de parallellie van het "met hem" in a met het "met zijn volk" in c dit misverstaan van het "hem" in b in de hand kan hebben gewerkt.) Niettemin is de gedachte, dat ook Gods engelen aan Israël onderworpen zijn, bijbels; vgl. het 11de vers van Ps. 91, een psalm waarvan Postma 11) aannemelijk heeft gemaakt, dat deze op Israëls tocht door de woestijn betrekking heeft.
Merkwaardigerwijze vindt deze onderwerping van engelen aan den eerstgeborene in het Nieuwe Testament haar vervulling.
Wanneer Jezus de verzoeking in de woestijn heeft doorstaan, dan komen engelen op Hem af en dienen Hem voortaan (Mt.
4,11). Mattheüs lijkt het met enige verbazing te constateren: "En...kijk nou: engelen kwamen op Hem af en gingen Hem dienen!".
Het draait om Isra.l
Het is Israël dat de auteur van deze brief bij zijn schrijven van het begin af voor ogen stond.
Ook in het vervolg duikt dit oude volk van God telkens weer op: 2,10 de zonen die God tot aanzien had gebracht, d.w.z.
(2,16) het nageslacht van Abraham 12); 3,2-5 Mozes, die trouw was in heel Gods huis blijkens Gods getuigenis tijdens de woestijnreis (Num. 12,7); 3,7-4, 10 Israëls ongehoorzaamheid in de woestijn; 7,11 vlgg. wetgeving en priesterkeuze tijdens Israëls woestijntocht. Men heeft dit helaas te weinig in het oog gehouden. Zo b.v. bij 2,15 "(opdat Hij) ... allen zou bevrijden die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren". Van den Berg schrijft: "Angst voor de dood doortrekt heel het bestaan van de mensheid en maakt de mensen tot slaven". ) De overgang van de verleden tijd in de tekst ("waren") naar de tegenwoordige tijd ('doortrekt' en 'maakt') en het generaliserende 'de mensheid' ontkrachten wat de auteur van Hebreeën in deze context betoogt. De uit angst voor de dood tot slavernij gedoemden zijn hier: Abrahams kinderen (v.16), het volk Israël: zij hadden zich gedoemd gezien tot een slaafs volbrengen van de wet, om te ontkomen aan de straf van die "letter die doodt" (2 Cor. 3,6).
Door Christus echter heeft God nú hun nièt "een geest van slavernij gegeven om opnieuw (zoals vroeger, toen ze onder de wet leefden) te vrezen"
(Rom. 8, 15). Wat de schrijver van Hebreeën hier wil betogen is toch blijkens 9,15 dit: Christus moest "de dood ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het éérste verbond."
Nu dat laatste eenmaal is gebeurd, blijft Mozes, de dienstknecht (3,5), niet langer in het huis, de zoon (lees: Zoon) blijft er voor altijd (Joh. 8,35) ).
Dan drijft God de dienstmaagd uit (Gal. 4,30), d.w.z. Hij ontslaat Israël van de slavernij der wet.
(Vgl. ook Hebr. 8,13.)
1) Zie mijn artikel Hoop, de essentie van het geloof, onlangs in dit blad verschenen.
2) M.R. van den Berg, De brief aan de Hebreeën, Kampen 1995, blz. 27.
3) Van den Berg zegt even later wel: "Daarbij hoeft trouwens niet van opzet sprake te zijn". Maar dat is duidelijk in tegenspraak met het boven aangehaalde "Daarom vervangt hij...". Wie in een citaat woorden vervangt om niet tegen de lamp te lopen, die knoeit opzettelijk.
4) Vgl. toejuichingen als "eer en macht en sterkte zij onzen God", Op. 7,12.
5) Vgl. wat Kautzsch t.a.v. Paulus' citaten concludeerde, aangehaald in mijn De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1999, blz. 193 noot 57.
6) Zo ook Dr. J. Reiling, Hebreeën. Een praktische bijbelverklaring (in de reeks Tekst en toelichting), Kampen 1994, blz. 30: "het woord engelen staat in de Griekse tekst pas twee regels verder".
7) Zo b.v. Dr. F.W. Grosheide, De brief aan de Hebreeën en de brief van Jakobus, Amsterdam 1927, blz. 74 vlg., en Reiling, t.a.p.
Ook Van den Berg, a.w., blz. 28.
8) Over zo'n coniunctivus aoristi handelde ik uit voerig in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1999, blz. 168 vlgg.; zie met name ook blz. 175. Voor de voltooid toekomende tijd (het futurum exactum) als zuiverste weergave van zo'n coni.
aor. zie mijn noot 34 op blz. 190.
9) Dat zou alleen zo zijn, als de 'wanneer'-zin een iteratief karakter droeg; dus als 'wanneer' betekende 'telkens wanneer', 'zo vaak als', zoals b.v. in Lc. 12,54 "Wanneer jullie een wolk hebben zien opkomen in het westen, zeggen jullie meteen: 'er komt regen'". Zo'n opkomende wolk is een geregeld voorkomend verschijnsel, niet een eenmalig gebeuren in de toekomst, zoals de komst van Gods eerstgeborene wèl is.
10) Andere gevallen van imperativus i.p.v. de indicativus futuri vindt men b.v. in Mt. 24,15 "Wanneer jullie dus de gruwel der verwoesting ... op de heilige plaats zult hebben zien staan, dan moeten de mensen in Judea naar de bergen vluchten"
en Tit. 3,12 "Wanneer ik Artemas naar je toegestuurd zal hebben of Tychicus, doe dan je best bij mij te komen".
11) E.R. Postma, Psalm 91ook een psalm van Mozes? in Lucerna, 3de jrg. no. 1, blz. 573-595.
Frappant is, dat Postma zijn toewijzing van deze psalm aan Mozes mede baseert op overeenkomst in woordkeus met ... het lied van Mozes in Dt. 32!!
12) Zie mijn artikel 'Israëls luister: voorschot op Jezus' dood' in De Schrift opent een vergezicht, Kampen 1999, blz. 276 vlgg. Zie ook ib., blz. 508.
13) a.w., blz. 33. Zeer onlangs hoorde ik deze uitleg ook nog eens in een preek.
14) Zie mijn artikel 'Zoon en slaaf' in mijn in de voor vorige noot genoemde bundel, blz. 80 vlgg.