Inline on-line

1999-11-12
  • Jaargang 43
  • nummer 23
Het is maandagochtend stralend weer. Niet te warm, niet te koud en wat vooral heel belangrijk is, weinig wind. 'Zullen we skaten?' vraag ik een vriendin. Ze kijkt naar de lucht. 'Tja, laten we dat maar eens doen.' Een klein uurtje later vertrekken we. Onderweg komt er altijd van alles aan de orde, deze keer hebben we het over spiritualiteit.
Zij heeft er veel over gelezen en legt mij het een en ander uit over reïncarnatie en zeven cirkels en het steeds-een-stapje-hogerkunnen komen. Bij het stoplicht minderen we vaart. 'Ik vind het toch wel prettig om te weten dat ik, als ik doodga, gewoon naar de hemel ga,' peins ik. Zij vertelt dat God in haar verhaal ook voorkomt, net als Jezus.
'Hoe zie jij Jezus dan?' vraag ik. Ze daalt soepel het brugtalud af en draait zich een beetje om. 'Hoe bedoel je?' 'Nou,' zeg ik terwijl ik met een brede ploeg (net geleerd op de skatecursus) een beetje afrem, 'Ik zie Jezus als de zoon van God. En ik geloof dat Hij voor mijn zonden gestorven is.' 'Hè?' We nemen de bocht allebei pootje over (van ons zelf geleerd) en ontwijken de waterleidingputjes in het trottoir. 'Dat is het bijzondere van het christelijk geloof,' vertel ik. 'In alle andere godsdiensten is het zo dat je als mens prestaties moet leveren en/of offers moet brengen om de god of het goddelijke te bereiken.
Maar God heeft dat offer zelf gebracht, door zijn Zoon te sturen. En Hem te laten sterven.' 'O,' verbaasd zij zich, terwijl ze oversteekt. 'Daar had ik nog nooit van gehoord.' We kletsen nog wat verder. En ik bedenk dat dit het leukste gesprek is dat ik in tijden heb gehad.

Guurtje Leguijt, Alphen aan den Rijn

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief