Gereformeerd op z'n evangelisch? (2)
1999-11-26
Om zicht te krijgen op het eigentijds karakter van de evangelische geloofsbeweging wil ik op haar historische achtergrond wijzen.- Jaargang 43
- nummer 24
Kan de aantrekkingskracht van het evangelische in het heden uit het verleden verklaard worden? In geloof kan men wijzen op de kracht van de Heilige Geest, die in deze beweging zich manifesteert. Een menselijke analyse van oorsprong en verloop van de geschiedenis van de evangelische beweging is daarmee nog niet uitgesloten. De Heilige Geest werkt in en door mensen ondanks hun fouten en gebreken. Maar dat maakt nog niet blind voor het menselijke, al te menselijke, in de geschiedenis - ook van de evangelische beweging.
De stelling die ik in deze bijdrage wil onderbouwen, is dat het eigentijds karakter van het evangelische voor een groot deel te danken is aan te weinig kritische distantie tot de eigen tijd. De keuzen in het verleden gedaan werken tot in het heden door.
Crisis als oorsprong
Van gereformeerde zijde is het niet ongebruikelijk de oorsprongen van de evangelische beweging te zoeken in de radicale reformatie van de 16e eeuw, toen Anabaptisten zich keerden tegen de kerkelijke reformatie van Luther en Calvijn. Een aantal kenmerken van de radicale reformatie vinden we inderdaad tot op vandaag terug: het verzet tegen het kerkelijk instituut, het accent op de individuele geloofsbeslissing als grond voor de doop, de heiliging van het leven. Toch zou ik eens op een ander keerpunt in de prehistorie van het evangelische willen wijzen.
Er ligt een directe verbindingslijn tussen de hedendaagse evangelische beweging en die van de grote Opwekkingen van de 18e en 19e eeuw in Amerika en Engeland. De opkomst ervan kan terug gevoerd worden op een fundamentele crisiservaring.
Men leed aan de kerk! Men ervoer de bestaande kerken als bolwerken van dode, leerstellige orthodoxie; men onderging de kerkelijke structuren als een harnas dat het levende geloof dood drukte. De aversie tegen, al dan niet dorre, leerstelligheid en de kerk als instituut heeft sindsdien tot de psyche van de evangelische christen behoord. Men koos voor overgave aan de levende Heer en voor het veel lossere verband van een vereniging van toegewijde gelovigen. Tot op vandaag heeft men in de evangelische beweging moeite met de kerk als instituut, met het ambt, de geschreven belijdenis, de kerkorde, de wetenschappelijke theologie.
Komend uit een kerk die in de 1960er jaren stuk ging, kan ik daar wel in komen. Dat sluit evenwel kritiek niet uit.
Laten we vooral bedenken dat er in de 18e en 19e eeuw reden was om te lijden aan de kerk. Het levende geloof was tot dorre verstandsgodsdienst geworden. De preken waren vaak niet meer dan academische vertogen, al dan niet orthodox. Er was sprake van een geestelijkclericaal juk, waaronder de gemeente leed. De kerk was in de greep geraakt van de machtige geestesbeweging in de westerse cultuur: de Verlichting!
De kerken, al verzwakt door de aanslagen van een rationalistische scholastiek, hadden geen verweer tegen de aanspraken die de Verlichting maakte ook op het leven van de kerk. In de Verlichting werd de denkende mens als autonoom individu ten troon geheven.
Vrij van iedere gezagsinstantie werd de mens opgeroepen zijn verstand ten volle te gebruiken.
Dat zou ware verlichting brengen. Heel het leven werd onder beslag gebracht van de denkende mens. De Opwekkingsbewegingen vormden hiertegen een scherpe reactie, waarvoor ze zich bedienden van de tegenbeweging van de Romantiek, een andere belangrijke geestesbeweging in de westerse cultuur.
De Romantiek brak niet met de voornaamste stellingen van de Verlichting; wel verving zij het verstand met het gevoel als de meest centrale van de menselijke vermogens.
Het ging niet om het begrijpen maar om het ervaren van de dingen. Het gevoel was de zetel van de religie, niet langer het verstand. Geloofservaring was veel belangrijker dan geloofsverstaan. Maar het blijft wel draaien om de mens als autonoom individu.
In de vroeg-evangelische beweging knoopte men aan bij dit gedachtegoed van de Romantiek. Het ging centraal om het persoonlijk-individueel betrokken zijn op de levende Heer en heiland Jezus Christus. Inderdaad, een gevoelig christendom maakte zich breed in de Opwekkingskringen. Er is daar wat afgehuild! Voor ons land kan men denken aan de opkomst van het Reveil. De relatie tussen deze vroom-gevoelige beweging en die van de Afscheiding is de moeite van onderzoek waard juist met het oog op de ontmoeting tussen gereformeerd en evangelisch in onze kerken . In de huidige tijd rijdt de evangelische beweging op de golf van het anti-modernisme, waarin juist weer aandacht wordt gevraagd voor gevoel, emotie, beleving; het vrouwelijke wordt gewaardeerd boven het manlijke; mannen mogen huilen en huisman zijn. Maar er is geen principiële breuk met het rationalistische modernisme van de Verlichting. Is de eigentijdsheid van de evangelische beweging kritisch genoeg? Houdt ze voldoende afstand tot de geest van deze tijd?
Individualisme
Dat de axioma's van de eigen tijd in de evangelische beweging onvoldoende aan de orde worden gesteld, kan blijken uit de invloed die het individualisme er uitoefent.
De moderne mentaliteit gaat uit van de mondigheid van de mens, zijn recht op zelfbeschikking, zijn recht op een vrije keus. En het maakt niet zo heel veel uit, of dan het verstand of het gevoel de dienst uitmaakt. Deze mentaliteit vinden we ook terug in het geloofstype van de Opwekkingsbewegingen.
Dat vertaalde zich niet in het los van God en zijn gebod willen zijn, in tegendeel. Wel werd vrijheid gevraagd van kerkelijke en confessionele autoriteiten om de eigen keus te maken voor God en zijn gemeente.
Verder werd de aandacht sterk geconcentreerd op het heil van de individuele mens: zielen redden voor het Lam, zei Zinzendorff heel typerend. Benadrukken gereformeerden veel meer de keuze en roeping door God in de gemeenschap der heiligen (het verbond), waarbij alle eer aan Hem gegeven wordt, hier gaat het gelovige individu toch eerder voorop.
De kerk wordt dan niet zozeer de vergadering van hen die God uit het ganse menselijke geslacht geroepen heeft, als wel de verzameling van hen die zich aan de Heer hebben toegewijd.
Niet toevallig dat in dit klimaat de conferentiecultuur kan bloeien; gelijkgezinden komen samen, die ook vrijwillig zich inzetten in allerlei verbanden voor Gods koninkrijk. De oecumene van het hart krijgt hier zijn kans, teleurgesteld als dat hart ook is door het falen van de oecumene van de kerken. Ik stel dus dat het individualisme van de Verlichting, zoals dat door de Romantiek is heengegaan en in de Opwekkingsbewegingen is opgenomen, nog altijd in het evangelische de opperhand heeft. Daarin is ze eigentijds, maar te weinig kritisch.
Vooruitgangsgeloof
Ik wijs op een ander voorbeeld van eigentijdsheid van het evangelische wat mij toch te modern voorkomt door het gebrek aan kritische distantie tot het modernisme. Het is bekend dat het westerse vooruitgangsgeloof uit het Verlichtingsdenken is voortgekomen. In de 19e eeuw heeft dat geloof de overhand gekregen in onze beschaving als gevolg van de ongekende bloei van wetenschap en techniek. Er leefde de vaste overtuiging dat de wereld in een proces van vooruitgang op een steeds hoger niveau van ontwikkeling zou komen door de inspanningen van de mens. Het zelfvertrouwen van de 19e mens kende geen grenzen; en eigenlijk is dat vertrouwen in wetenschap en techniek nog onbegrensd.
De wereld is objectief verbeterbaar en dat zou via de westerse cultuur ook alle volken ten goede komen. Het westen had haar bestemming gevonden; een ongebreideld kolonialisme en expansionisme was het gevolg, hoofdzakelijk het westen ten goede komend - tot op vandaag.
Dit heeft ook evangelische christenen niet onberoerd gelaten, en zeker die in Amerika niet. Dit vooruitgangsdenken kwam terug in het postmillenialisme, dat in de eerste Grote Opwekking door vele voorgangers aangehangen werd. Men achtte de wereld objectief bekeerbaar en werkte aan de evangelisering en christianisering van de volken in de verwachting van het duizendjarig vredesrijk van Openbaring 20 in het verlengde van de huidige geschiedenis. Ook toen later het veel pessimistischer premillenialisme het voortouw overnam, bleef men toch optimistisch ten aanzien van het bekeringspotentiaal van de wereld en van de mogelijkheden van met name evangelische christenen deze wereld te bekeren voordat Christus zou terugkeren zo mogelijk nog in de 20ste eeuw. Men mocht grote dingen van God verwachten.
Dat men ook veel verwachtte van de bekeerde christen, is duidelijk.
Het is dan ook begrijpelijk dat evangelische christenen in Amerika met veel vertrouwen moderne wetenschap en techniek inzetten voor de bekeringsarbeid van de wereld. De professionaliteit van de evangelische zendingsbeweging is typisch modern - maar daarom op zich nog niet verkeerd.
Theologisch vallen hier natuurlijk wel vragen te stellen. Gaat men hier toch niet te eenzijdig uit van Christus als opgestane Heer, die alle macht gegeven is in hemel en op aarde? Dit kan aanleiding geven tot een te militant optimisme, waarbij te weinig rekening gehouden wordt met de blijvende gebrokenheid en zondigheid van de wereld niet alleen, maar ook van de wedergeboren christenen.
De Leeuw van het Koninkrijk van God is in de gestalte van het Lam dat staat als geslacht in deze wereld aanwezig (A.
van de Beek). Er zou meer aandacht moeten zijn voor Christus en die gekruisigd, en zo op onze blijvende afhankelijkheid van het kruis. Meer nederigheid en minder militant optimisme! Luther had gelijk met zijn beroemde uitspraak dat we tezelfdertijd zondaar en gerechtvaardigd zijn. De wereld, ook de christelijke wereld, wordt er niet beter op in deze geschiedenis.
Dat wordt ons ook nergens beloofd. De betere wereld komt maar van de andere kant van de geschiedenis. Wat mensen kunnen doen is veel bescheidener van aard: tekenen oprichten van het Rijk dat komt.
Ook op dit punt moeten we ons niet te gemakkelijk gewonnen geven aan het evangelische denken.
Het is eigentijds, maar ook nu is er te weinig kritische distantie. Er blijft nog heel wat werk aan de gereformeerd-evangelische winkel in onze kerken.
zie onlangs J.C. Schaeffer, de aard van de binding aan de belijdenis, in: studiemap TSB K-12, 1998.