Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek

1999-11-26
  • Jaargang 43
  • nummer 24
Het is ruim veertig jaar geleden dat ik Anton van Duinkerken heb horen spreken over enkele hekeldichten van Vondel. Dat was in Zuidwolde, een kilometer of zes boven Groningen.
Daar was een "Vereniging tot nut van het algemeen"
die onder andere diverse schrijvers uitnodigde tot het houden van een lezing.
Den Doolaard heeft daar voorgelezen over het pluisje dat kwam binnenzweven in het kantoor waar hij werkte en dat in hem de onrust veroorzaakte die hem de wereld indreef. De Friese schrijver Abe Brouwer heeft verteld hoe hij als stratenmaker inspiratie opdeed voor zijn streekromans. Maar het absolute hoogtepunt is gevormd door Anton van Duinkerken.

Toch, het onderwerp was niet bepaald iets waar de meeste bewoners van het dorp op zaten te wachten.
Maar de weinigen die gekomen waren, hebben een onvergetelijke avond gehad. Moeiteloos wist Van Duinkerken de aanwezigen te boeien. Na afloop heb ik gedacht: Eigenlijk was het niet eens zo belangrijk waar hij over sprak, het ging om de manier waarop hij dat deed. Die man pakt je altijd. Door zijn welsprekendheid, door zijn persoonlijkheid.
Zulke mensen ontmoet je niet vaak in je leven. Hij was in die tijd toch al echt, wat nu heet: "een bekende Nederlander". Maar hij voelde zich niet te hoog om naar dat dorpje in het noorden te reizen en ons te laten genieten van zijn kennis en zijn talent.

Biografie
Binnenkort verschijnt een biografie over Van Duinkerken door Michel van der Plas. Ik hoop daar dan iets over te schrijven. De titel zal zijn: Daarom, mijnheer, noem ik mij katholiek. Dat is de refreinregel uit een gedicht van 1936. Heftig straft hij daarin de leider van de NSB, Anton Mussert, af. U vindt het vandaag alvast in Opbouw.
Fel en scherp heeft hij het nationaal socialisme bestreden; het is hem in de oorlog nog duur genoeg komen te staan. Maar hij wist ook te vergeven. Op mijn tafel ligt nu het boek van Jan H. Eekhout: Vlucht naar de vijand. Eekhout was in de oorlog fout en kreeg na de bevrijding een publicatieverbod. Hij heeft zijn fouten erkend, hij heeft berouw getoond en daarvan vinden we de weerslag in dat boek. Het verscheen in 1954 met een voorwoord van ... Anton van Duinkerken. Ik neem iets over uit de laatste alinea's:

Niemand kan barmhartigheid eisen. Men kan haar enkel vragen. Geen groter kwaad is aan de zaak der maatschappelijke reclassering van politieke delinquenten gedaan dan dat men eisenderwijze barmhartigheid voor rechtvaardigheid gesteld heeft willen zien. Ook met het evangelie in de hand kan men geen gemest kalf laten slachten, wanneer de weergekeerde zoon een handelszaak in zwijnendraf zou willen openen!
Er moet berouw zijn voor vergiffenis. Tot het betonen van mildheid blijft elk mens vrij. Deze vrijheid vraagt eerbiediging, wil niet alle genade haar werkkracht verliezen.
In deze sfeer van echte vrijheid moeten de politieke delinquenten uit de bezettingstijd zichzelf terugvinden. Zij hebben het woord vrijheid eenmaal misbruikt. Zij moeten weten dat zij het misbruikt hebben. Zij moeten ook weten wat zij misbruikt hebben. Wordt het woord vrijheid een bedrieglijke leuze, dan heeft het geen zin meer te vertrouwen op de medemens. Die is dan immers gedwongen tot een tevoren vastgestelde houding. In een vrije samenleving echter bezit de mens het recht schulden te vergeven. Zo'n twintig jaar daarvoor schreef hij: Ballade van de Katholiek

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief