Gereformeerd op z'n evangelisch? (3)

1999-12-10
  • Jaargang 43
  • nummer 25
Het evangelische is eigentijds, schreef ik vorige keer.
Eigentijdser dan het gereformeerde?
is de vraag die ik nu aan de orde wil stellen.
Een reformatorisch wijsgeer van evangelische huize verklaart onomwonden: "zolang de gereformeerde theologie zich gebonden acht aan een zestiende - en zeventiendeeeuwse confessie hoeft men niet te verwachten dat de gereformeerde theologie de praktische geloofsvragen van de hedendaagse christen zal weten aan te spreken" (W.J. Ouweneel in: Filosofie en Theologie, 1997:127). Dat is duidelijke taal. Toch kan het niet de bedoeling zijn om het gereformeerde in relatie met de eigen tijd te brengen door de band met het verleden op deze wijze door te snijden. Ik maak een paar opmerkingen over onze band met het gereformeerde verleden in het heden.
Ik sluit af met een enkele gedachte - meer is het niet - over hoe het gereformeerde aan eigentijdsheid kan winnen. Indirect valt er dan iets te leren van het evangelische.

Al valt mijn oordeel over het evangelische kritischer uit dan ik zelf aanvankelijk vermoedde, mijn waardering ervoor is niet gering. We zullen er dan ook goed aan doen ons er niet voor af te sluiten.
Maar er is meer dan het evangelische wat onze aandacht vraagt.

Premodern?
Het hoeft weinig betoog dat in de gereformeerde kerken en theologie de belijdenissen uit de 16e en 17e eeuw een belangrijke rol spelen. We kunnen er nog over twisten welke rol precies en in welke verhouding tot de Schrift.
Maar het blijft intussen een gegeven. De confessies werden opgesteld in de tijd aan de Verlichting voorafgaand. In zoverre kunnen ze premodern worden genoemd. Deze binding aan kerkelijke leeruitspraken, vrucht van intensief bijbel lezen en nadenken over de geloofsinhoud van de Schrift in rapport met de tijd van toen, moeten we vooral positief duiden. Ik vind het typerend voor het gereformeerde om rekening te houden met de kerk van alle eeuwen. We lezen de Schrift in rapport met de tijd staande op de schouders van ons voorgeslacht.
De Heilige Geest is niet met onze generatie zijn werk begonnen. Dat is typisch modernistisch en individualistisch gedacht.
We zijn afhankelijk, willen ons afhankelijk weten, van wat in de loop der eeuwen over de Schrift gezegd is. We weten ons opgenomen in de kring van heiligen van alle tijden en plaatsen ook in ons belijden en beleven van ons geloof. Dat maant tot bescheidenheid. We zeggen niet makkelijk iets nieuws na bijna twintig eeuwen christelijk geloof en theologie. Gereformeerden schamen zich hun voorgeslacht niet, al schamen ze zich dood over alle leertwisten, waarmee de gereformeerde kerkgeschiedenis is bezaaid. In het gesprek met evangelischen komt dat verleden dus op tafel.
Het is trouwens onmogelijk dat verleden, concreet de belijdenisgeschriften, buiten haakjes te plaatsen voor het gesprek met evangelischen rond de open bijbel. Niemand komt als een onbeschreven blad tot de Schrift.
Het is beter daar maar eerlijk voor uit te komen.
Het onbevangen Schriftverstaan is een utopie, waar we ons niet aan gewonnen moeten geven.
Het eigentijdse karakter van de gereformeerde theologie, een eigentijdse geloofsbeleving en levenspraktijk, komt niet dichterbij door de binding aan de belijdenis te relativeren.
Het typisch evangelische commentaar van Ouweneel moet onder ons maar geen gehoor krijgen! Kortom, deze binding met de kerk van alle eeuwen, ook in spiritualiteit, is karakteristiek voor wat gereformeerd heten mag. Ook de belevingskant van het geloof vindt volop ondersteuning in het gereformeerde verleden, zoals Smouter nog onlangs liet zien in ons blad.

In rapport met de tijd
Natuurlijk kunnen we in het heden niet volstaan met het herhalen van wat in vroeger tijden is beleden.
Ook is het niet voldoende hetzelfde anders te zeggen ter wille van de communicatie met de eigen tijd. Daarvoor zijn de vragen van de eigen tijd te ernstig. Gereformeerden zullen in moeten gaan op wat mensen vandaag beweegt in onze cultuur.
Ze kunnen ook niet anders christen zijn dan in deze, postmoderne, tijd.
Daarom dat ik een opmerking van een andere reformatorische wijsgeer, nu van gereformeerde huize, de moeite van overweging waard vind (H.G. Geertsema in: Theologie en Filosofie, 1997:90 e.v.). Hij meent dat de gereformeerde theologie genuanceerder zou moeten ingaan op het gedachtegoed van de Verlichting. De afwijzing ervan over de hele linie maakt dat we de positieve kanten ervan niet opmerken, tot schade van het eigentijdse karakter van kerk, geloof en theologie.
Creatieve verwerking van gedachten uit de Verlichtingstraditie zou het gereformeerde wel eens aan vitaliteit kunnen laten winnen. Haal ik nu het paard van Troje in huis, waar juist de evangelische beweging volgens mij slachtoffer van geworden is? Wil ik nu niet hetzelfde gaan doen, waar ik haar van beschuldigde?
De evangelische beweging is door de Verlichting dieper beïnvloed dan men daar zelf beseft. Het zal dan ook niet om een kritiekloze overname kunnen gaan van denkbeelden van de Verlichting.
Het gaat om een bewuste verwerking ervan, die plaats vindt binnen de gemeenschap der heiligen van alle tijden en plaatsen in creatieve spanning met de eigen, gereformeerde traditie. Dus ik laat alle accent vallen op het bewust en creatief omgaan met gedachtengoed uit de Verlichting. Het laat zich moeilijk indenken dat er in de traditie van het modernisme helemaal niets te vinden zou zijn, waar wij gebruik van zouden kunnen maken in ons zoeken van de mens van vandaag. Het is ondenkbaar dat wij niets zouden kunnen ontlenen aan die traditie voor de vormgeving van ons eigen belijden en beleven van het geloof. De oorsprong van het eigentijdse karakter van het evangelische moet ons aan het denken zetten. Het houdt een waarschuwing in tegen de onbewuste beïnvloeding door de Verlichting en de onkritische verwerking ervan. Tegelijk moet het voorbeeld van de evangelische beweging ons uitdagen tot een creatieve confrontatie met deze fundamentele geestesbeweging van onze westerse beschaving, die wereldwijd haar invloed nog altijd laat gelden. Maar we nemen deze uitdaging op binnen de eeuwen omspannende gemeenschap der heiligen, die ook confessioneel bepaald is.

Een paar voorbeelden
Laat ik een enkel voorbeeld geven om het bovenstaande verhaal wat concreter te maken. In de traditie van de Verlichting ontvangt de mondigheid van het zelfstandig denkende individu centrale aandacht. Dat de evangelische beweging hierdoor beïnvloed is geworden, heb ik laten zien. Wat hier ook tegen in te brengen is, en dat is niet gering, er zit toch waarheid genoeg in om ons aan het denken te zetten. Dat is precies waar de Verlichting ons toe oproept: zelf denken!
Is dat ook niet in overeenstemming met het woord van Jezus om God lief te hebben met het verstand?
Dat komt in geen enkel opzicht in mindering op het liefhebben van God met het hart. De Heilige Geest werkt niet bij voorkeur in ons hart en niet door ons verstand. Hij heeft ook geen bijzondere voorliefde voor emoties en gevoelens in tegenstelling tot denken en verstaan.
Deze oproep om na te denken, ook wetenschappelijk verantwoord, lijkt mij van veel betekenis juist in onze ontmoeting met de evangelischen. Os Guinness schreef eens een boekje met de prikkelende titel Fit bodies, fat minds. Why Evangelicals don't think and what to do about it. (Gezond van lichaam, lui van geest.
Waarom evangelische mensen niet nadenken en wat daaraan te doen).
Ook in onze geloofsbeleving is er ruimte voor nadenken, analyseren, vragen stellen, antwoorden zoeken. Dat we nadenken in gemeenschap met de kerk van alle eeuwen, staande op de schouders van ons voorgeslacht, hoeft nu verder geen betoog. God lief hebben met het verstand doen we samen. Voor het gevaar van individualisme moeten we op onze hoede zijn. We zijn mensen in gemeenschap - ook in ons nadenken over en doordenken van de dingen.
De Verlichting stimuleert gereformeerden terecht om zoveel als mogelijk hun verstand te gebruiken. Deze oproep verraadt geen blindheid voor het gevaar van gereformeerd intellectualisme, maar is bedoeld als een waarschuwing tegen de onderschatting van de betekenis van het verstand in de hedendaagse spiritualiteit. Een ander voorbeeld is de nadruk die Verlichting legde op de vrijheid van de denkende mens. De mens is mondig. Goed, daar zijn we in het westen de verkeerde kant mee uitgegaan!
Maar toch, niemand zal de waarheid in deze stelling willen ontkennen.
Naar de geloofspraktijk toe vertaalt zich dit als zelf geloven.
Niemand gelooft op gezag van autoriteiten, hoe legitiem ze ook mogen zijn in de geloofstraditie.
Deze vorm van onkritisch geloven vindt ook onder ons toch weinig voorstanders. We vragen toch om authentiek geloof, dat iemand zich persoonlijk heeft beïnvloed.
Geen ambtsdrager heeft automatisch gezag krachtens zijn ambt. Dat is een positieve ontwikkeling.
Ouders hoeven niet klakkeloos nagevolgd te worden. Ze hebben in zaken van het geloof geen dwingend maar een overtuigend gezag. Deze mondigheid geldt ook naar de traditie toe. De gereformeerde kerken ontstonden in de 16e eeuw juist in verzet tegen de massieve traditie van de RKe kerk, die haar gezag met het geweld van de inquisitie afdwong.
Daartegenover werd het sola scriptura geplaatst, de vrijheid om de Schrift te lezen zo nodig tegen de traditie in.
Dat geldt vandaag natuurlijk ook. Dat brengt ons nog niet op het evangelische standpunt van Ouweneel! In elke tijd moeten we opnieuw onze leertraditie actualiseren in het licht van de Schrift en in antwoord op de vragen van de tijd. Die vrijheid hebben we; zo mondig mogen we zijn. Als we dan tot andere gedachten komen dan ons voorgeslacht in de kerk, is daar ruimte voor, in kaart gebracht door kerkelijke afspraken neergelegd in een kerkenordening.
Want we zijn geen individualisten; we staan als individuen in gemeenschap met de geloofsgemeenschap van alle tijden en plaatsen. We denken in gemeenschap; we beleven ons persoonlijke vrijheid in gemeenschap. Dat lijkt me een voluit bijbelse gedachte. De mondigheid bereikt juist in de geloofsgemeenschap haar volle potentiaal.

Dus ...
We hebben dus alle vrijheid om eigentijdse vormen te zoeken voor het gereformeerde belijden en beleven van het ons overgeleverde geloof. We kunnen dan het gereformeerde verrijken door te leren van het evangelische.
Maar er is wel meer dan het evangelische waar we van kunnen leren. Er is ook het oecumenische, zoals die meer in het Liedboek tot uiting komt. Misschien valt er te leren van de Derde Wereldkerken, die ook in Nederland wortel geschoten hebben. En er zal nog wel meer te noemen zijn.
Het lijkt me een verarming alleen van de evangelischen te willen leren.
In gemeenschap met de eigen traditie toetsen we alles en behouden het goede. Die vrijheid hebben we. Dus: gereformeerd op z'n evangelisch?
Nee, toch maar niet!

Literatuurverwijzing G. van den Brink, H.G. Geertsema, J. Hoogland e.a. Filosofie en Theologie. Een gesprek tussen christen-filosofen en theologen. Buyten & Schipperheyn, 1997.
Os Guinness, Fit bodies, fat minds. Why Evangelicals don't think and what to do about it.
Hodder and Stoughton, 1995.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief