Was God er maar...
1997-08-08
Eeuwenlang was God de inspiratiebron voor kunst. Michelangelo, Mozart, Bach en Rembrandt. De moderne kunst brak hier over het algemeen mee. Soms werd de kunst of de kunstenaar zelf als religieus gezien, vaker nog was moderne kunst atheïstisch. De laatste jaren is er echter een voorzichtige kentering. Rob Scholten, de kunstenaar die enige jaren terug een moordaanslag overleefde, maar daarbij wel zijn benen verloor, greep bij de expositie van zijn opgeblazen auto terug op het gebed van Franciscus van Assisi. En Gregoriaans monnikengezang wordt gesampled in housemuziek. Twee voorbeelden van de nieuwe religiositeit. Onlangs verscheen de bundel Kunst na de dood van God (Jan Hoet e.a., Gooi & Sticht, Baarn 1997). Centraal hierin staat de vraag of kunst zonder religie kan.- Jaargang 41
- nummer 16
Hoe is kunst mogelijk 'na de dood van God'? Betekent dit immers niet dat het leven uiteindelijk betekenisloos is?
Wie of wat garandeert nog een band tussen teken en betekenis? Hoe weten wij dat wat wij zeggen en doen enige zin heeft? Wat mij in deze discussie opvalt is allereerst dat het probleem van een 'God-loze' cultuur gevoeld wordt. Er is zelfs een verlangen naar God te bespeuren, maar anderzijds: de mogelijkheid van een terugkeer van of naar God wordt simpelweg afgewezen als een nostalgische illusie!
Nihilisme
Heel treffend gebeurt dat in het essay van kunstfilosoof Jos de Mul. Zijn vertrekpunt is Nietzsche voor wie de 'dood van God' te groot is en die betwijfelt of "de velen al zouden weten , wat er daardoor eigenlijk gebeurd isen wat er allemaal, nadat dit geloof ondergraven is, moet gaan instorten omdat het erop gebouwd was, ertegenaan leunde, ermee vergroeid was".
Met de dood van God is de wereld betekenisloos geworden. De Mul schetst drie wegen uit dit nihilisme.
De eerste is de 'terugkeer van de goden', maar hij acht dit pure nostalgie en wijdt er verder geen woorden aan. De tweede weg is het moedig met de ontstane leegte leren leven, ja haast een koestering van de leegte.
De Mul vraagt zich af of dit leefbaar is. De derde strategie is een bevestiging van ons eindige, zich in het hier en nu afspelende bestaan. Dat lijkt De Mul de aangewezen weg, maar de kunst zal dan wel nieuwe vormen van transcendentie moeten proberen te bereiken om het contract tussen woord en ding te herstellen.
Vrijmoedig
Het essay is een erkenning dat de kunst niet autonoom is, maar in relatie tot de werkelijkheid staat. Belangrijker nog is het besef dat 'het contract tussen woorden en dingen' hersteld moet worden. Dat is een rake diagnose van onze cultuur, waarin er getwijfeld wordt aan het bestaan van absolute waarheid. Dan zwemt wat goed en kwaad, waar en onwaar is in een vacuüm. Dan is de wens van de meerderheid of de onverschilligheid wet. Maar ik zie niet hoe De Mul met een oplossing komt. Zijn 'bevestiging van het eindige' is belangrijk. Gods opdracht voor ons is immers dat wij leven in het hier en nu. Maar kunnen wij dat zonder dat wij zicht hebben op waar we vandaan komen en wat onze bestemming is? Zonder zicht op onze identiteit leidt dat toch evenqoed tot nihilisme? Bovendien: door de 6evestiging van het eindige wordt het contract niet hersteld, of mis ik hier lets? Wat mij toch vooral opviel is dat de eerste weg zo pats-boem afgewezen wordt. De mogelijkheid van het bestaan van de levende God, die door onze beelden van Hem heen breekt, wordt geen ruimte gelaten. Wat zit hier achter? Aan de ene kant hoor je haast de verzuchting 'Was God er maar ...', aan de andere kant proef je de vanzelfsprekendheid dat dat natuurlijk niet kan. Zoiets hoor ik ook in Douglas Coupland's roman Life after God (1994): nis there something left to believe in after there is nothing left to believe in?".
Wat doen christenen met deze verlegenheid om God en met het feit dat ieder het vanzelfsprekend lijkt te vinden dat Hij er toch niet is, dat Hij iets nostalgisch is? Het is belangrijk om te proberen ons in dit levensgevoel wat in te leven voordat we een antwoord geven. Het lezen van boeken zoals die van Coupland is een hulp daarbij.