Navolging (3)
1997-08-08
Praat van de straat is het bepaald niet, waar Thomas a Kempis in zijn geschrift “De navolging van Christus” mee aankomt. Ik heb u in de vorige twee artikelen voldoende voorgeschoteld om daarvan overtuigd te raken: vreemdelingschap, vergankelijkheid, tegenslagen, goddelijke en menselijke vertroosting. Het zijn op het eerste gezicht inderdaad geen alledaagse items. Hoewel?- Jaargang 41
- nummer 16
Al lezend in “De navolging” kun je soms zomaar het gevoel krijgen, dat de 20e eeuwse luxe en verstrooiing misschien toch niet meer is dan een vernis, waaronder je precies dát aantreft, wat Thomas in zijn eeuw ook waarnam.
Ziekte, dood èn zonde
Daarbij ben je er niet, als je ziekte en dood onder ogen hebt gezien - zoals in de vorige twee afleveringen. In het evangelie komt nog een laag van de menselijke nood aan het licht, te weten die van zonde en ongerechtigheid. Het is zelfs zo dat je kunt zeggen, dat de menselijke nood dààr op zijn diepst is. Dat bleek eens en voorgoed in Jezus, die onze schemerige werkelijkheid van zonde en falen, met zijn mechanismen van verberging, verontschuldiging en zelfrechtvaardiging deelde.
Thomas à Kempis heeft een gevoelige antenne voor deze diepste nood van zonde en tekort en gaat er in zijn boek dan ook niet aan voorbij. Het is de moeite waard om eens te letten op zijn benadering, als het gaat om ziekte, dood en zonde. Je kunt hem b.v. terloops horen zeggen: "Helaas, een lang leven betekent niet altijd verbetering, maar vergroot soms eerder onze schuld" (1.23.11).
Prikkelend toch, zoals deze Zwolse kloosterling in één zin een leven van zeven of acht decennia goede gezondheid (voor ons veel 'gewoner' dan toen) weet te relativeren. Diep in mijn hart ben ik er van overtuigd, dat het onze tweede natuur zou moeten zijn om zo - net als Thomas à Kempis - tegen het (lange) leven aan te kijken. Alleen, onze eerste natuur is zo sterk! Antistoffen tegen ziekte en dood zitten ons van nature in het bloed, maar met onze weerbaarheid tegen de zonde ligt het gecompliceerder. Een aansporing als "Het zou beter zijn, u voor de zonde te wachten dan de dood te ontlopen"
(1.23.7) is me dan ook vreemd en waar tegelijk. En het zal u en jou waarschijnlijk niet anders vergaan.
De naaste en ons tekort
Ik had nu mijn verhaal over zonde en menselijk tekort kunnen vervolgen met de meest radicale woorden, die uit de pen van Thomas à Kempis zijn gevloeid - geschreven in het licht van de heiligheid en majesteit van God.
Maar die bewaar ik voor straks en ik begin bij onze omgang met de naaste. Want ook daar ligt die diepste nood, vaak onopvallend verscholen in ons alledaagse leven met de ander. Wat te denken van het virus, dat Thomas al vroeg in zijn boek beschrijft: "Helaas, vaak wordt over een ander eerder het kwade geloofd en verteld dan het goede: zo zwak en zo wankel zijn wij" (1.4.2). Wees eerlijk, hoe zelden realiseer je je dat, als je zelf iets minder aardigs over een ander aanhoort of vertelt en hoe vaak kom je tot dezelfde vergaande gevolgtrekking als Thomas à Kempis: 'zo zwak en zo wankel zijn wij'? Maar gelijk heeft hij, want zwak en wankel is het om al luisterend of vertellend de vertrouwensrelatie, die we met die ander hebben, te beschadigen.
Of - om iets anders te noemen - als je jezelf hoort oordelen, dan is het toch een opvallend verschijnsel, dat we voor een ander altijd strenger zijn dan voor onszelf. ,,wie zijn eigen daden goed en juist wist te wegen, die zou geen reden hebben om hard over een ander te oordelen" (11.5.8; vgl. Mattheüs 7:1-5), zegt Thomas dan ook. Of denk aan al dat andere dat onsvaak onderhuids - in de relatie met de naaste parten speelt, zoals jaloersheid, eerzucht, onverschilligheid, geringe verdraagzaamheid, zelfzucht, etc. Zo confronteert Thomas à Kempis je met eigen zwakte en zonde vanuit de dagelijkse omgang met de mensen rondom ons.
Nederigheid
Veelvuldig spoort Thomas je van hieruit aan tot een houding van 'nederigheid'. Zoals in de volgende herkenbare, maar tegelijk ook onverwachte gedachtegang: "Sommige mensen worden gespaard voor grote bekoringen en delven herhaaldelijk het onderspit in kleine, alledaagse dingen; de bedoeling is, dat zij nederig worden en nooit op zichzelf gaan bouwen in grote dingen, nu zij zich in zulke kleine zaken al zwak betonen" (1.13.32). De onverwachte kant zit hierin, dat Thomas à Kempis met die kleine struikelingen niet vergoelijkend de kant van de pekelzonden opgaat, maar uit dat kleine gewoon de consequenties trekt voor het grootschalige (vgl. Lucas 16:10). Nederigheid is een gepaste reactie in het licht van al die kleine, alledaagse struikelingen, waaraan geen mens ontkomt.
lets meer toegespitst vond ik de aansporing terug in het derde traktaat: wat doe je als iemand je een verwijt maakt?
Je hebt het zomaar, in je gezin, in de buurt waar je woont of op het werk. Het kan terecht zijn of niet, maar hoe reageer je? In 'de navolging' hoor je hoe 'de dienaar' op zijn eigen reacties terugkomt en tegen de Heer zegt: "Ik had me bij ieder verwijt moeten vernederen en het zachtmoedig moeten verdragen. Geef mij ook genadig vergiffenis voor al die keren dat ik niet zo gehandeld heb en geef mij opnieuw de genade om mij met meer geduld te schikken" (111.46.24,25). Als u dat voor de buurt of het werk toch iets tè vindt, dan zou je er in de christelijke gemeente toch je winst mee moeten kunnen doen. Daar had de praktisering van deze uitspraak veel onheil kunnen voorkomen - tot op vandaag toe!
Leert van Mij
Apart om in onze assertieve tijd door iemand als Thomas à Kempis richting 'nederigheid' gewezen te worden!
Trouwens, niet alleen omdat deze kloosterling het zegt, maar vooral ook omdat je in zijn woorden de stem van de Meester zèlf herkent! Ik denk daarbij aan een woord van Jezus, dat ik even in zijn volle lengte overneem: "Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven; neemt mijn juk op u en leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht" (Mattheüs 11 :28-30). Jezus zèlf spoort ons aan tot een houding van nederigheid. Vanuit die talloze kleinere en soms grotere struikel partijen van ons? Ja ook, maar toch niet alleen. Want wie de weg van de nederigheid kiest, de minste van allen wil zijn (11.2.13) en zo zichzelf vernedert, volgt de Heer zèlf na! In één van de dialogen uit het derde traktaat hoor je de Heer dan ook tegen zijn dienaar zeggen: "Ik ben de nederigste en geringste van allen geworden om u te leren uw hoogmoed door mijn nederigheid te overwinnen" (111.13.10).
Dat is ongetwijfeld ook de diepste drijfveer van Thomas à Kempis, om u en mij aan te sporen tot de keuze voor de weg van de nederigheid.
Vrucht
Het is ook de weg waarlangs de Heer je tegemoet komt met zijn heerlijkheid. Denk maar aan wat Jezus zegt: "Wie zichzelf vernedert, zal verhoogd worden" (Lucas 14:11). En ook hier, net als in het tweede artikel, voeg ik er aan toe, dat de vrucht van een houding van nederigheid niet pas in de toekomende wereld genoten zal worden.
Thomas wijst er op, dat ook hier en nu blokkades in de relatie met een ander, vanuit een houding van nederigheid (met geduld en zachtmoedigheid) overwonnen kunnen worden (11.2.8).
Denk dan maar heel praktisch aan ruzies in de buurt, gekonkel op het werk of verhitte discussies in kerkelijke vergaderingen. En afgezien van een doorbraak ten goede, ontvangt iemand, die zijn zaak vanuit een houding van nederigheid uit handen durft te geven aan God, een rust die langs de weg van de assertiviteit onbereikbaar blijft.
Kennen en kunnen
Ik schreef al, dat mechanismen van verberging en verontschuldiging ons het zicht op de diepste nood bemoeilijken.
Ons kennen van de ander en vooral ook van onszelf is op dit aangelegen punt maar zo 'ten dele' (Psalm 19:13).
Thomas à Kempis schrijft er over: "Wij kunnen in onszelf niet zoveel vertrouwen hebben, omdat de genade ons vaak ontbreekt en ook het inzicht. Er is in ons maar weinig licht (vgl. Johannes 12:35) en dat weinige verliezen wij nog gauw door onze onachtzaamheid. Dikwijls worden wij zelfs niet gewaar, dat wij innerlijk zo blind zijn. Dikwijls handelen wij verkeerd en, nog erger, verontschuldigen wij dat" (11.5.1-4). Ons ontgaat dus veel.
Als dat in de intermenselijke verhoudingen al zo is, dan zal dat in onze verhouding met God in veelvoud het geval zijn.
En als ons kènnen van onze tekorten tegenover God en mens al zo 'ten dele' is, hoe zal het dan gesteld zijn met ons kunnen, met onze mogelijkheden om de diepste menselijke nood de baas te worden.
Wie 'De navolging' leest, zal tot geen andere slotsom kunnen komen, dan dat je in Thomas à Kempis met een katholiek van doen hebt, die bepaald niet optimistisch is over die menselijke mogelijkheden in de strijd tegen zonde en tekorten.
Geen uitzondering in zijn boek is een verzuchting als: "Heer, ik ben niets, ik kan niets, ik heb uit mijzelf niets goeds, maar schiet in alles tekort en neig altijd naar het niets" (111.40.5). Dit donkere citaat is afkomstig uit een hoofdstuk, dat opent met de verwonderde vraag opkomend uit het vijfde vers van Psalm 8: "Waar heeft de mens het aan verdiend, dat Gij hem uw genade geeft" (1I1.40.2)? Verwondering, die niet opgeslokt wordt door het vervolg van de psalm, waar je hoort over de sleutelrol, die God de mens heeft gegeven. Integendeel, dat gegeven maakt de verwondering er alleen maar groter op!
In het licht van Gods heerlijkheid
Het is bij zulke verzuchtingen wèl zaak om voor ogen te houden, dat Thomas zo radicaal spreekt in het licht van de majesteit en heiligheid van de Here zèlf (vgl. Lucas 5:8). In wat hij schrijft in zulke passages, merk je hoe diep hij onder de indruk is gekomen van de heerlijkheid van God - toch ook het kader van Psalm 8, die immers begint en eindigt met: "Heer onze Heer, hoe heerlijk is uw naam op de hele aarde." En soms komt het op vanuit de overdenking van Gods oordeel: ,,0, die onmetelijke druk! o die onoverzwembare oceaan, waarin ik van mijzelf niets meer vind dan totaal niets! Waar blijft dan nog een schuilhoek voor de zelfverheffing? Waar blijft het vertrouwen dat ik putte uit mijn voortreffelijkheid?" (111.14.11-12). Je kunt natuurlijk reageren met: 'gelukkig, dat we dit soort gedachtegoed, met zijn somber beeld van God en mens, achter ons gelaten hebben'.
En toch! Als de Zwolse monnik op een andere plaats twee woorden uit Nieuwe en Oude Testament samenneemt (1 Corinthe 4:4 en Psalm 143:2), dan is het ineens weer zo dichtbij en stemt het je tot nadenken over onze mensvisie en de wijze waarop God ons voor ogen staat: "Ook al ben ik mij van niets bewust, dan kan ik mij daar niet mee rechtvaardigen, want zonder uw barmhartigheid zal niets van wat leeft voor uw aanschijn gerechtvaardigd worden." (111.46.31)
Onder Gods hand
Ook in zulke gedeelten, geschreven in het licht van Gods heerlijkheid, komt Thomas à Kempis met zijn aansporing tot een houding van nederigheid: "Laten wij dus onze zielen verootmoedigen onder Gods hand in alle bekoringen en kwellingen, want de nederigen van geest zal Hij redden en verheffen" (1.13.29) - met opnieuw een toespeling op een apostel (1 Petrus 5:6) en een psalm (34:19).
Als je deze 15e-eeuwse kloosterling zo onverdund over onze diepste menselijke nood hoort, dan herken je daarin de boodschap, die een eeuw later door Luther en Calvijn zo kernachtig is verwoord. Die verwantschap zal wel meegeholpen hebben, om 'De navolging van Christus' ook onder protestanten ruim ingang te doen vinden - vooral in de kringen van de 'nadere reformatie'.
Psychologisch sterk
Een andere reden zal zijn geweest, dat Thomas à Kempis zulke treffende en herkenbare opmerkingen weet te maken, m.b.t. dat wat zich in de schemerige binnenkant van een mens afspeelt aan verlangens en hartstochten, liefde en afkeer, lauwheid en toewijding en nog veel meer.
Zo komt hij met de aansporing om de zonde toch vooral in het begin aan te pakken. Want als het kwaad zo schoorvoetend je leven binnenkomt, dan ben je voor je het weet(!) gestruikeld. Thomas zegt ergens: ,Want eerst treedt ons een simpele gedachte voor de geest, daarna een sterke voorstelling en tenslotte komt de verlustiging, het opdringen van de slechte begeerte en het ja-woord. En zo dringt de boze vijand zich beetje voor beetje helemaal naar binnen, wanneer hem in het begin geen weerstand wordt geboden. En hoe langer iemand te traag is om weerstand te bieden, des te zwakker wordt hij iedere dag in zijn binnenste en des te meer macht krijgt de vijand tegen hem" (1.13.23-25; vgl. Jakobus 1:14,15). Zo'n waarneming is het waard om voor jezelf eens te overwegen. Alle kans dat u dat patroon in eigen en andermans leven - in soms heel uiteenlopende situaties - herkent. Reden tot waakzaamheid en gebed (vgl. Efeze 6:10-20).
Want alleen al dat geniepige patroon geeft aanleiding om te geloven, dat je niet alleen met hèt kwaad, maar ook met dè boze en zijn rijk van doen hebt.
Op een andere plaats komt Thomas met de waardevolle overweging: "Want niet 'alles wat verheven is, is heilig; niet alles wat aangenaam is, is goed; evenmin is elk verlangen zuiver en is alles wat ons dierbaar is, aangenaam aan God" (11.10.14).
Dat leek me een aardige afsluiting voor dit artikel; een doordenkertje voor mensen uit 1997 - met zoveel dat aangenaam, verheven en ons dierbaar is.
Over twee weken sluit ik de reeks ovër Thomas à Kempis af met een artikel over de vraag of 'navolging' niet te weinig is, als het gaat om onze verhouding met Christus.
Noten:
1 Zoals ik al bij het eerste artikel vermeldde, verwijst de nummering naar het traktaat, het hoofdstuk en het vers, waar de betreffende uitspraak te vinden is. Ik gebruikte daarbij de uitgave, die in 1995 bij Kok Kampen verscheen in een vertaling van Gerard Wijdeveld.
De nummering is niet standaard, want een oudere Ambo-uitgave met een goed leesbare vertaling van Bernard Naaijkens (Baarn, 1971) heeft een andere vers-indeling.
2 Ds. H. de Jong beklemtoont precies dit aspect, in 'Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad', het laatste hoofdstuk uit 'Versterkende middelen'; Kampen, 1989.
3 Daarover is meer te lezen in een artikel van C. Graafland, De invloed van de Moderne Devotie in de Nadere Reformatie; Dit artikel maakt deel uit van een bundel met voordrachten, die gehouden zijn tijdens het Windesheim Symposium van 1987, onder de titel 'De doorwerking van de Moderne Devotie'; Hilversum 1988.