Kinderen en de kerkdienst (1)
1997-08-08
Enige tijd geleden besloot de kerkenraad van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt) in Haarlem tot de instelling van een kinderbijbelclub tijdens de ochtenddienst. De kerk van Haarlem is (voor zover mij bekend) de eerste plaatselijke gemeente in dit kerkverband die koos voor een vorm van kindernevendienst.- Jaargang 41
- nummer 16
Uiteraard ging dit besluit niet ongemerkt voorbij. De classis sprak zich uit en bleek niet 'tegen'. In het Nederlands Dagblad leidde het besluit van de kerkenraad van Haarlem tot een reeks ingezonden brieven. In de Nederlands Gereformeerde kerken is de kindernevendienst geen onbekend verschijnsel meer. De meningen zijn echter verdeeld; in een aantal gemeenten wijst men de kindernevendienst af.
De kinderen horen erbij ....
Een principieel geluid tégen de kindernevendienst viel te beluisteren van de hand van de heer A.C. Breen, leraar godsdienst aan de Gereformeerde Scholengemeenschap Randstad te Rotterdam (Nederlands Dagblad, 10juli 1997). Breen wijst erop dat de kerkdienst voor jong en oud is. "In de publieke vermaning en vertroosting delen ook onze kleinen." "Heel de gemeente moet erbij zijn als de HERE ons de weg wijst." Dat was in het Oude Testament zo (vgl. Jozua 8:35), het geldt ook nu. De heer Breen is optimistisch met betrekking tot de vraag wat kinderen 'opsteken' van de kerkdienst; ,,ze luisteren scherpzinnig en ze nemen met hun frisse zintuigen van alles waar." Het moet me van het hart dat ik het in principieel opzicht met de heer Breen eens ben. Wie het Verbond serieus neemt, wéét dat de kinderen erbij horen (trouwens: ook demente bejaarden en verstandelijk gehandicapten). En: het is ook waar dat kinderen meer van de kerkdienst opsteken dan we soms denken. De (wel eens geopperde suggestie) dat kinderen gefrustreerd worden, omdat ze iets te lang stil moeten zitten lijkt me schromelijk overdreven. Die frustraties hebben meestal andere oorzaken.
En toch zijn er vragen
En toch : er zijn vragen te stellen bij het betoog van Breen. In de eerste plaats is er zijn bewering dat (in Haarlem bijvoorbeeld) aan de kinderen de toegang tot de levende verkondiging wordt ontzegd. Dat is een boude redenering! In de kerkdienst hoor je het levende Woord, daarbuiten hoor je het niet! Dus niet op catechisatie, op Bijbelkring, tijdens een huisbezoek, in de kindernevendienst. Alles wat buiten de kerkdienst gebeurt is van minder belang .... Een andere vraag is: heeft de heer Breen met zijn massieve betoog wel alle vragen die er op dit punt leven besproken? Daarbij kan men bijvoorbeeld ingaan op de Schriftgegegevens die hij aanwijst. Reina Wiskerke (Nederlands Dagblad, 12juli 1997) noemt de bewijsvoering van Breen op dit punt zwak. "We denken dat wie in de Bijbel een absoluut ja of nee tegen kindernevendiensten zoekt, Schriftgedeelten overvraagt." Ook bij de argumentatie plaatst ze vraagtekens. "De kinderen worden apart gezet, juist om de levendige verkondiging dichterbij te brengen. De verkondiging is bestemd voor zowel mannen als vrouwen en ieder die het kan begrijpen (Nehemia 8:3). Men besluit dus in Haarlem om kinderen die dan nog net buiten het boot vallen (lees: het nog niet kunnen begrijpen, HA ) een handje te helpen met een kinderbijbelclub." Daarnaast heb ik de indruk dat de heer Breen de Gereformeerde kerkelijke wereld met een nogal rose bril heeft bekeken. Eerst is er zijn massieve betoog, en daar leidt hij het vervolg uit af. Het valt allemaal wel mee; doe nu maar gewoon. Alsof er óm die Gereformeerde wereld heen niet van alles is veranderd ..... Dit lijkt mij een voorbeeld van wat dr. Ruard Ganzevoort noemde: Going Titanic First Class. De Titanic verging, maar de scheepskapel speelde rustig verder. De wereld staat in brand, maar in de kerk doet men of er niets aan de hand is. Ook de vrijgemaakt-Gereformeerde wereld is niet meer die veilige haven die men vroeger dacht te kunnen zijn. De heer Breen wekt de suggestie dat de kerkdiensten prima geschikt zijn voor kinderen.,;Ze hebben direct door dat Schriftlezing en preek bij elkaar horen," ze horen een voorbeeld-ige inleiding op de preek, en ze genieten van de verwijzing door de dominee naar de tekeningen die op school werden gemaakt. En, als de preek dan toch te moeilijk is, dan vraagt dat een aantal kleinere aanpassingen, zodat iedereen de preek weer kan volgen.
Geen goede preek? We zeggen wel eens: ouders luisteren met de oren van hun kinderen. Maar het omgekeerde is ook waar: kinderen luisteren soms met de oren van hun ouders. Een vader 'kon zich niet zo vinden' in de preek van die zondagmorgen. Na afloop van de dienst vroeg zijn oudste zoon (12 jaar): "U vond het zeker niet zo’n goede preek, hè pa?" De vader vroeg: "Waarom denk je dat?" "Oh, dat dacht ik zomaar!" De vader had niets over de preek gezegd. Maar: communicatie gebeurt voor 80% door onze houding, mimiek, gebaren. Zou de zoon dát hebben opgepikt? Kinderen hebben vaak goede antennes voor de gevoelens van hun ouders... |
Geschikt?
Juist dit rooskleurige beeld roept een tegen-reactie op. Zijn de kerkdiensten wel zo geschikt voor kinderen?
A) Laten we eerst eens naar het taalgebruik en de inhoud van de preek kijken. Stelt u zich eens voor dat de predikant de preek die hij op zondag hield precies zo op maandag op de basisschool zou houden, in groep 2, groep 5 en in groep 8. Er zijn uitzonderingen, maar in de meeste gevallen zou de predikant tot de orde worden geroepen. ,,zo vertel je geen bijbelse geschiedenis aan kinderen!" Het voorbeeld is overdreven, maar het geeft mijns inziens wel aan dat vorm en woordgebruik tijdens de preek niet per definitie aansluiten bij kinderen. Ze steken er wel iets van op, maar dat maakt de dienst nog niet geschikt. Vorm en inhoud van de traditionele kerkdienst zijn meestal meer gericht op het selecte gezelschap van gemeenteleden boven de 18. (Ter vergelijking: nog maar één generatie geleden werd het gebruik van de kinderbijbel door een aantal predikanten afgeraden en zelfs veroordeeld. God heeft ons Zijn Woord gegeven, en dat is voor jong en oud, zo was de redenering.Inmiddels wordt het gebruik van de kinderbijbel in Gereformeerde gezinnen vrijwel unaniem aanvaard. Men is kennelijk tot de overtuiging gekomen dat deze vorm van bijbelvertelling beter aansluit op de belevingswereld van kinderen).
B) Naast de inhoud kunnen we kijken naar de vorm. Woorden vormen een zeer beperkt deel van onze communicatie.
Men zegt wel dat we slechts 20% van onze informatie 'oppikken' uit het gesproken woord en dat we 80% halen uit andere communicatiemiddelen (mimiek, gebaren, tekeningen). Toch wordt de predikant opgeleid om met dat gesproken woord te 'werken'. In de opleidingen die specifiek gericht zijn op het werken met kinderen werkt men breder: met 'handen en voeten', met visuele hulpmiddelen (plaatjes, tekeningen, dia's, video) en met het spelen met de ruimte. We zeggen in de kerk wel dat 'het Woord het moet doen', maar moeten we dat dan beperken tot het gesproken woord? Of krijgt de predikant de mogelijkheid om allerlei hulpmiddelen te gebruiken, om aan gemeenteleden iets te vragen, om iets te laten zien, om van de kansel af te komen en door de kerk te lopen?
C) Dit laatste gegeven sluit aan bij een vuistregel uit de pedagogiek. "De maximale afstand waarop de opvoeder een kind kan effectief kan bereiken is gelijk aan de leeftijd van het kind." (gebaseerd op gegevens over hechting en op communicatietheorieën). Concreet betekent dit dat een opvoeder die een peuter van 3 jaar op een afstand van 10 meter probeert te corrigeren niet effectief werkt. Ouders voelen dat meestal van nature goed aan; bij kleine kinderen houd je de afstand tussen jou en je kind klein. Wie gaat 'meten' welke afstand (in meters) er is tussen de predikant op de preekstoel en de kinderen in de kerk, ontdekt dat de dominee vaak erg ver van de jonge gemeenteleden af staat. Een voorlopig 'bewijs' voor de stelling dat de afstand een rol speelt is de ervaring dat kinderen veel vaker een antwoord geven op de vragen die gesteld worden als de predikant van de preekstoel af komt en als de kinderen op de eerste rij zitten. Leeftijd en afstand zijn dan meer met elkaar in overeenstemming.
Foei dominee?
Doet de predikant het dus verkeerd?
Nee, dat heb ik met deze opmerkingen zeker niet bedoeld. Wat ik wil aangeven is dat de positie van de predikant tijdens de kerkdienst het in didactisch opzicht moeilijk(er) maakt om tijdens de kerkdiensten gericht aandacht te geven aan de kinderen. Predikanten hebben geen gerichte opleiding genoten om speciaal voor kinderen een verhaal te vertellen. De theologische opleidingen zijn (mijns inziens te eenzijdig) gericht op bieden van een gedegen theologische opleiding.
Je kunt dus niet zomaar van een predikant verwachten dat hij steeds weer 'iets doet' voor de kinderen. De predikant moet toch al veel te vaak 'een schaap met 5 poten' zijn. Daarmee zijn we op een ander punt aangekomen. Is aandacht voor de kinderen een zaak voor de dominee, of.... Ligt in de kerkdiensten niet veel te veel een accent bij de predikant? Gemeente-zijn houdt in: sámen doen; de talenten inzetten die God aan de gemeente gegeven heeft. Dat kan ook tijdens de kerkdienst. Als de dominee moeite heeft met het besteden van aandacht aan de kinderen: zijn er andere gemeenteleden die dan een rol in kunnen vervullen? Denk aan: de muziek, de vertelling enz. Ook per kerkelijke gemeente bestaan er verschillen. Dat ligt bijvoorbeeld aan de grootte van de gemeente, de geschiedenis en de tradities binnen die gemeente en aan de bouw van het kerkgebouw. Gelukkig zijn er (zeker binnen de Nederlands Gereformeerde kerken, maar ook daarbuiten) steeds meer predikanten die er in slagen om op een goede manier gericht aandacht besteden aan kinderen en jongeren tijdens de kerkdienst. Maar helaas: de moed zou je soms in de schoenen zinken, want forse weerstand is niet ongebruikelijk.
Soms is die weerstand principieel, soms ook emotioneel. "Waarom al die veranderingen?
Dat is toch nergens voor nodig? Daar is de ellende bij de Synodalen ook mee begonnen! Het Woord moet het toch doen? Vroeger deden we dat niet, en ik ga nog steeds naar de kerk. Dus nu is het ook niet nodig! Allemaal onzin. Allemaal verwennende aandacht!" Uit dergelijke reacties valt soms ook veel angst voor veranderingen af te lezen.
Friezen in Brabant
Sommige mensen zeggen: vroeger kregen de kinderen geen speciale aandacht, dus nu hoeft het ook niet. Klopt die redenering wel? Men spreekt sinds het eind van de jaren '60 van een omslag in de cultuur. De kerk is steeds meer geïsoleerd geraakt van de wereld. Maar de kinderen en jongeren van nu staan wel midden in die wereld. Het gevolg is dat er steeds vaker sprake is van een vertaalprobleem. De taal in de kerk is niet de taal die ze buiten de kerk horen. Eén van de gevolgen is de fragmentarisering: de wereld wordt in fragmenten opgesplitst: op zondag tussen 10 en 11 uur leef je in een compleet andere wereld dan op maandag. Vaak hebben we dat niet eens door, want kinderen gaan soms welwillend mee. Het is echter de vraag of ze de betekenis van de boodschap voor het dagelijks leven wel meenemen. Veel begrippen uit de Gereformeerde wereld zijn hen totaal vreemd als het gaat om de consequenties voor het leven van alledag.
Prof.Dr. W. ter Horst spreekt hierbij van Friezen in Brabant. In Friesland (het kerkse dorp van vroeger) leerde het kind vanzelf Fries te spreken. Een kind van Friese ouders leert in Brabant (de wereld van nu) geen Fries tenzij er doelgericht met de Friese taal geoefend wordt. Een kind leert in onze tijd niet meer 'vanzelf' om het geloof toe te passen, tenzij er bewust en doelgericht geoefend wordt. Op dat punt heeft de kerk een veel grotere opdracht dan een aantal jaren geleden. Daarin past dan ook een bezinning op de vorm van onze kerkdiensten.
Wordt vervolgd.