Kleine stapjes

1997-08-08
  • Jaargang 41
  • nummer 16
Eind mei kwamen een aantal Nederlandse zendelingen in Pretoria bij elkaar samen met een stel GKSA (Dopper)-zendelingen om nog eens na te denken over wat in de vorige eeuw op een synode van de verenigde Gereformeerde Kerken in 1896 over zendingswerk besloten was. Niet alle aanwezigen rekenden die synode tot hun kerkelijke vóórgeschiedenis: in ieder geval niet de christelijk gereformeerden natuurlijk; ook de Dopper-zendelingen en vertegenwoordigers van de gereformeerde gemeenten niet. Alleen de vrijgemaakt en nederlands gereformeerden hebben, officieel althans, nog te maken met de besluiten van die synode. Maar toch zaten we allemaal bij elkaar: het was binnen en buiten ijskoud: mijn tenen stonden krom van de kou. Maar de sfeer onderling was er niet minder om.

Het was natuurlijk ook wel een gebeurtenis dat al die verschillende zendelingen bij elkaar zaten om te praten over moeilijkheden en mogelijkheden van gereformeerde zending in Afrika. In Nederland ziet het er niet naar uit dat onze verschillende kerken op korte of lange termijn zich zullen verenigen. En daar waren we ons goed bewust van. Het kerkelijke vraagstuk wordt niet door zendingsmensen opgelost ver weg van het vaderland. Daarom zaten we ook bij elkaar op persoonlijke titel; we noemden onze conferentie een coetus: dat is een informele samenkomst van predikanten in een bepaalde regio met geen enkele kerkordelijke status. We zijn allemaal met gereformeerde zending bezig; thuis in Nederland is er weinig of geen samenwerking op het kerkelijk of zendingsfront. Toch zou het wel eens kunnen zijn dat wij hier op het zendingsveld elkaar nodig hebben en een vorm van samenwerking moeten vinden. We zijn begonnen met een gesprek over wat gereformeerde zending in Zuid-Afrika eigenlijk inhoudt. Ds. F. Pomstra van Vryheid schreef op verzoek een uitvoerig verslag van de samenkomst; er waren drie lezingen waarvan ik zelf er een verzorgde; ds. W.L. Kurpershoek en drs. C.J.Haak waren verantwoordelijk voor de andere twee. Ik ontleen hieraan het een ander om u over deze conferentie te informeren.

Zending: ongevraagde aandacht
Uitdrukkelijk kwam de vraag 'zending: waarom? aan de orde. Waaraan ontleent een kerk het recht elders in de wereld, waar al andere religies zijn, met het evangelie van Jezus Christus aan te komen? Hoe komt een kerk uit een Westers-confessionele traditie ertoe in andere culturen, die veelal vijandig tegenover het Westen staan, een boodschap van heil te brengen, waar in principe niemand op zit te wachten? Een Afrikaner literator typeerde heel de zendingsbeweging van de 1ge eeuw in Afrika eens als ongevraagde aandacht. Zo werd ze als culturele arrogantie van het Westen afgedaan; maar ik vind het nog altijd de mooiste typering van zendingswerk die denkbaar is. Zending is Gods genadige aandacht voor mensen die daar helemaal niet om gevraagd hebben maar die dat wel broodnodig hebben. Daarover waren we het samen allemaal van harte eens. Daarom was ik blij verrast met de opmerking van Haak dat we in de zending nog achter het Woord terug moeten naar de levende Christus toe.
Uiteraard werd dit niet door hem opgemerkt in het kader van vragen rondom het Schriftgezag, maar om te onderstrepen dat de boodschap die wij brengen tot aan de rand toe gevuld is met Christus en het heil in hem.
Elkaar ontmoeten rondom deze unieke boodschap is een hechte basis voor zendingssamensprekingen en -samenwerking. Van hieruit is de stap naar de vraag over zending en spiritualiteit niet groot meer. Er zit iets leerstelligs in de gereformeerde spiritualiteit, wat onopgeefbaar is ook in Afrika. Maar het gevaar van een zeker intellectualisme is er van oudsher niet vreemd aan. Maar waar de genade van God in Christus centraal staat, is de basis voor een gezonde spiritualiteit gelegd, die ook in de zending haar uitwerking zal hebben. Gewezen werd op wat er in de Heid. Cat. over het gebed beleden wordt (vla 116): God wil ons zijn genade en Heilige Geest schenken, indien we daarom van harte en zonder ophouden bidden en daarvoor danken.
We hebben samen nagedacht over de betekenis van deze uitspraak voor zending. Bidden maar ook kunnen danken!

Gereformeerde traditie
Dat we uitvoerig ons bezig gehouden hebben met de gereformeerde traditie, spreekt voor zich. Staande in die traditie willen wij ons werk doen. Uiteraard is deze traditie breder dan wat de belijdenis en de kerkenordening te bieden hebbben; die zijn vrucht van deze traditie die haar oorsprong had in de Reformatie; ze vormen in die traditie wat ik normatieve belijdenis kernen zou willen noemen, die aan de traditie koers en richting geven. Maar het gaat in gereformeerde zending om meer dan het door-vertalen van de gereformeerde belijdenisgeschriften en kerkenordening naar Afrika toe. Dat deze geschriften relevant zijn voor Afrika, liet Kurpershoek overtuigend zien; maar dat hun westerse taal- en cultuurkleed radicaal moet worden afgestroopt, benadrukte Haak terecht. Dat hier allerlei problemen liggen, is duidelijk: wat is westers en niet-bijbels, en wat is westers en bijbels? Er zijn onverhandelbare stukken der leer zoals verbond en verkiezing, de rechtvaardiging van de goddeloze en de heiliging van de zondaar. Daarom dat gereformeerde zending onvermijdelijk confronterend bezig zal zijn, ook in Zuid-Afrika. Om daar een voorbeeld van te geven. Hoe de individualiserende tendens van de gereformeerde traditie te verenigen met de Afrika-tendens om juist het individu op te offeren aan de gemeenschap?
Wedergeboorte geschiedt nu eenmaal persoonlijk en niet collectief; iemand moet kiezen soms tegen zijn eigen levensverbanden in. De openbare geloofsbelijdenis geeft juist hieraan uitdrukking. Hier stuitten we op een onopgeefbaar bijbels element in de gereformeerde traditie, dat we niet mogen inleveren ter wille van de inculturatie van de boodschap in Afrikacontext. Maar zoals al gezegd, gereformeerde zending bemiddelt meer dan wat we in belijdenis en kerkenordening terugvinden; uiteindelijk gaat het om een gereformeerde wereld- en levensbeschouwing die in ons zendingswerk meekomt en die zich confronteert met die van Afrika. Trouwens: welk Afrika? Klassiek, landelijk Afrika of het snel verstedelijkende en postmoderne Afrika? Waar we aan de ene kant min of meer zendingswerk doen in de klassieke zin van het woord, zijn we elders al bezig met zending in de vorm van kerkelijke assistentie. We moeten ons van deze verschuiving terdege bewust zijn.

Antieperen!
Dat was een kernwoord uit het stimulerende verhaal van Haak over beleidsvorming en visie-ontwikkeling in de zending. Je moet op ontwikkelingen anticiperen; op de ontwikkelingen moeten we vooruitlopen. En dat kunnen wij des te beter, omdat we van oudere zendingstradities kunnen leren. We hoeven het wiel niet steeds opnieuw uit te vinden.
Veel te vaak overvallen ons nog allerlei ontwikkelingen als bij voorbeeld in de verhouding tussen zendende kerken en zendingskerken, tussen blanke zendelingen en hun zwarte ambtsbroeders ter plaatse. Hoeveel ruimte hebben de jonge gemeenten om hun gereformeerd zijn op eigen wijze te beleven? Binnen het ene verband van zwarte en blanke kerken liggen hier moeilijke vragen. Is er culturele verscheidenheid mogelijk binnen confessionele eenheid? Kunnen zwarte kerken binnen het geïntegreerde kerkverband van zwarte en blanke kerken toch een eigen vorm geven aan de inhoud van de Dordtse Leerregels?
Hier moet al over worden nagedacht nog voordat de vraag ook maar bedacht is. Tenslotte benadrukte Haak, opnieuw terecht, dat de gereformeerde belijdenis en kerkenordening meer door een bewaar- dan een vermeerderstructuur wordt gekenmerkt. Hij gaf als voorbeeld dat in de KO er geen ruimte bestaat voor de functie van evangelist, en waarom eigenlijk niet? Verder had in de Heid. Cat. zondag 20 over het werk van de Heilige Geest best iets gezegd kunnen worden over de bekwaam making door de Geest tot getuige zijn. Dat is nu toch wel opvallend afwezig!

En nu verder ...
Zeker, deze conferentie was geen wereldschokkende gebeurtenis die de wereldpers gehaald heeft. Er zijn theologisch geen uitspraken gedaan die ooit nog eens in een dissertatie zullen worden onderzocht. Of deze bijeenkomst ooit nog eens kerkelijke vruchten zal afwerpen, wie zal het zeggen, al denk ik van niet. Het herstellen van kerkelijke breuken is nog moeilijker dan het terugdraaien van een echtscheiding. Maar we hebben in eenheid van het geloof in verbondenheid met onze confessionele traditie de gemeenschap der heiligen beoefend. Dat was buitengewoon bemoedigend. We zijn samen aan het werk geweest ten dienste van het ene en ongedeelde koninkrijk van God. Dat smaakte naar meer. Volgend jaar weer een samenkomst; er tussendoor zijn er nog andere plaatsen van ontmoeting, bij voorbeeld in Nqutu (Vryheid), waar we als zwarte en blanke zendingswerkers jaarlijks vergaderen. Zo zien we dat de Geest toch echt aan het werk is, waarvoor we hem van harte en onophoudelijk kunnen danken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief