Ingaan met strijd

1999-12-24
  • Jaargang 43
  • nummer 26
In mijn reactie op Je weg vinden van ds. J. Mudde, heb ik in het eerste artikel een pleidooi gevoerd voor de 'vermenging'. Om God te kunnen ervaren moeten we het scheidingswandje tussen het goddelijke en het menselijke laten vallen.
In het daaropvolgende artikel stelde ik het uitgangspunt van Mudde's denken ter discussie: niet de 'goede schepping' maar het 'onmogelijke' in Christus is het begin van onze weg. In dit laatste artikel wil ik de praktische consequenties van deze benadering uitenzetten.

Paulus is dé apostel van de strijd en daarmee dé grote praktizeerder van het Johannesevangelie. Is Johannes de ethicusChristus en zijn gezindheid in mij; Paulus ervoer deze boodschap overrompelend.
Verbijsterd over zijn aanname door Christus voer hij ten strijde om vanuit de geborgenheid en het geheim van het geloof het strijdtoneel van de geestelijke mens te betreden en te ondervinden. Nu ervaren wij strijd meestal als negatief.
We strijden tegen zonde, tegen de oude natuur en de wereldse begeerte. Maar onze strijd is niet alleen negatief, maar ook positief: we moeten ook strijden om in te gaan (2 Petr.1 & Kol.).

De aard van het geloof
Voor veel gelovigen wordt het geloof ideaal voorgesteld in het beeld van een mooie wandeling. Henoch is daar een mooi voorbeld van. Want ging deze tijdens het wandelen niet zó op in het gesprek met God, dat God op een gegeven moment zei: 'nu ben je al zo ver opgegaan, blijf nu dan ook maar bij mij?' (vrij naar Nico ter Linden). Wandelen is genieten van het leven dat God ons geeft. Maar het Nieuwe Testament schetst een ander beeld van geloven. Geloven is strijd en moeite, zoals Jezus in zijn strijd en moeite één van de onzen was. Geloven is geen wandelen maar de wedren lopen, een streven naar het hoogste. In strijd, lijden, pijn en verbijstering ervaren we het fundament van ons bestaan; ervaren we de werkelijkheid van Christus. Alle goede dingen die van boven zijn, worden ons door het inzicht van de loutering geschonken. Zó zijn alle goede dingen beeld van Christus: dingen als huwelijk, vriendschap, vrede en gemeenschap.

Strijd is geen activisme
Veel mensen zijn het strijden moe. Kerkstrijd, huwelijksstrijd, therapieën en cursussen volgen om bij te blijven, vergaderingen en kerkactiviteiten leggen een enorm beslag op je tijd en energie. Veel mensen zijn alleen al moe van de goede dingen als huwelijk en kerk. En veel mensen hebben dan ook geen tijd voor echte vriendschap. Of om een gastvrij gezin te zijn. Het gezin is een burcht geworden; als hotel èn als uitvalsbasis voor te ondernemen activiteiten vormt ze samen met het kerkelijke leven de oase waarin wij vertoeven. Alle zegeningen zijn zolangzamerhand ontelbaar geworden; bedolven onder de rijkdom leven wij het leven van afgestompte òf afgeleefde mensen. Maar strijd, scheppen, cultuur zijn met alle goede dingen één: om te ontdekken moeten we snoeien en breken. We citeerden al eerder Noordmans, met zijn 'scheppen is scheiden'.
Maar we kunnen ook stellen: je moet vechten om het huwelijk te zien. Vechten om de kerk te zien en te ervaren. Om vrienden te ontdekken. Zo wordt het goede geboren uit loslating.

Cultuur is strijd om in te gaan
In nood leert men cultuur kennen: kerk-zijn, vriendschap, liefde; met haar neerslag in onder meer literatuur en kunst. De gereformeerde neerlandicus Sybe Bakker zei eens dat christenen zo weinig goede literatuur schrijven, omdat zij het lijden niet kennen. Dit in tegenstelling tot de veel kleinere Joodse gemeenschap. De verschrikkelijke herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog voedde bij hen een grote stroom aan goede literatuur. Lijden christenen niet meer? Of zijn we zo bezig met het tellen van onze zegeningen dat slechts het idyllische en het pastorale ons voedt? Cultuur moet weer het nastreven van deugden worden. Dit betekent: niet meer bouwen, maar snoeien en breken, om zo ruimte te creëren voor geestelijke karakters.
Want wij hebben niet alleen ons Hollandse landschap volgebouwd - ook ons innerlijke landschap staat vol. Vol van activisme, bindingen en bezittingen.
Maar: 'Laten daarom zij die een vrouw hebben, doen alsof zij er geen hadden' (1 Kor. 7). In het afstand nemen groeit de waardering en de dankbaarheid.
Beleefdheid en vormelijkheid zijn dan ook noodzakelijk (Rom.
12: 19). Goede etiquette creëert gezonde ruimte en afstand om de ander er te laten zijn. Een liefdesrelatie ontvang je niet door meteen het geslachtsverkeer in te duiken, maar door in de genomen tijd naar elkaar toe te groeien. Juist in het ontdekkende en het onstereotypische wordt de liefde gewekt. Christelijke beleefdheid is niet burgerlijk.
Christus kent geen visites, wel gastvrijheid; 'Legt u toe op gastvrijheid' (Rom.12: 13). De visite is ontstaan met het verdwijnen van de gastvrijheid.
In plaats van een open huis, werd ons huis als een burcht.
Gastvrijheid en vriendschap zijn schaars geworden onder gelovigen.
Mannendagen, vrouwendagen en koffiedrinken na de dienst, allemaal voorzien ze in een enorme behoefte. Maar in het uitwendige wordt ook het rusteloze karakter gevoed.

De vriendschap
In nood leert men zijn vrienden kennen. Al in Jezus Sirach 6 lezen we dat 'als we een vriend willen verkrijgen, zo krijg hem in de verzoeking'.
Maar ook: 'Een getrouwe vriend is een vaste burcht.' Echte vrienden maak je niet, ze worden je gegeven in moeite en loslating. De echo van Jezus Sirach horen we bij Jezus, in zijn gelijkenis van een onrechtvaardige rentmeester (Luk. 16): 'Maakt u vrienden met loslating van de Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, men u opneme in de eeuwige tenten.' Antoine Bodar stelt daarom ook dat ware vriendschap ons bij het eeuwige brengt. 'Het één zijn van hart wordt hier nagestreefd, daar voltooid.
Tenslotte leidt alle vriendschap naar Christus'.
Vriendschap is als een spiegel, de trouw geeft de duurzaamheid weer.
Vriendschap die wegvalt is dan ook nooit echt geweest.

De kerk
Guido de Brès heeft wat aangehaald met zijn artikelen over de kenmerken van de ware kerk (art. 27- 29 NGB). Het eeuwenlange streven en bewaren om dé perfecte geloofsgemeenschap - de 'strijdende kerk' - te bereiken begon meteen; om nu beslecht te zijn in tal van gemeenschappen naar elks smaak. En nu het tijdperk van kerkstrijd geluwd is, zijn vele harten dof geworden. Veel geloofsijver bleek kerkijver geweest te zijn. Nu bracht ook de Heidelberger de kerk ter sprake, maar dan wel samen met Christus, zoals ook Rom. 12 dat doet. Kerk, Christus en prediking worden zo samenvallende geestelijke grootheden. Het is de Geest die de zichtbare kenmerken van de kerk onzichtbaar in ons hart werkt. En deze prediking van de Christus is een waagstuk. Want het is onmogelijk het onuitsprekelijke uit te spreken; het geheimenis te breken en uit de delen. De kerk spreekt dan ook over de 'bediening van het Woord'. Preken is het werk van Christus en zijn Geest. Het is vreemd soms te horen: 'zullen we samen nadenken over een bijbelgedeelte?' Alsof het nadenken van iemand mij nader tot God brengt?
Inzet, oprechtheid en ootmoed van een prediker kunnen op geen enkele wijze de kloof van de verkondiging overbruggen.
Zonde is geen hobbel die met 'een houding' genomen kan worden, maar een realiteit: de kloof van ons bestaan. Er is geen goede, onveranderlijke basis van genade die met ootmoed en ontzag te bereiken zou zijn.
Prediking moet toch een opwellen uit de bron zijn, geboren uit rust, stilte, meditatie en bezinning?
Niet de schriftgeleerde en niet de pastor of organisator is de geroepen prediker, maar de aangeraakte door het geheimenis van Christus. De prediking - en met haar de kerk - wordt geboren in stilte, afzondering en vrijstelling. 'Goed is de HEER voor degene die hoopt, voor iedereen die Hem zoekt. Het is goed om in stilte op redding van de HEER te wachten' (Klaagl. 3). Een predikant die opgaat in pastoraat en organiseren, gaat op in de menigte. En Christus zien in de menigte is moeilijk, want 'Christus wordt zichtbaar in afzondering van aandacht' (Augustinus).

’Waar onze schat is...’
'Waar waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn' zegt de evangelist Lukas ons, en wij vragen ons af waar ònze uiteindelijke genieting ligt. In God of in de wereld? Ons genieten zal anders moeten zijn dan dat van de wereld.
Steeds weer zoeken we een manier om ons te verzoenen met de wereld en werkelijkheid om ons heen. Zo probeerde de 'terug naar de Schriftbeweging' van de jaren '30 dit ook door de eindigheid van het geloof sterk te benadrukken. Ze deed dit toen ook in de niet-christelijke filosofie en in de niet-orthodoxe theologie de eindigheid van ons menselijk kennen en - met name - van ons menselijk ervaren werd benadrukt. Een gevolg van deze ontwikkeling is dat de diepte uit ons geloofsbestaan week. En volgens de cultuurfilosoof George Steiner valt zonder God de betekenis van cultuur weg; want wie eindig denkt, verruilt het kwalitatieve voor het kwantitatieve en die zal vooral functioneel gaan waarderen. Maar wij moeten geen verzoening met de wereld nastreven, maar met God. Rom.12:2: 'Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe gezindheid.' Pas in de strijd voor een nieuwe innerlijkheid worden we leesbare brieven van Christus. Een mens is niet altijd gebaat bij zachte heelmeesters. Soms is er een tijd van bezinning aangebroken. Een tijd om oude concepten opnieuw te wegen. Wat ik in dit artikel geprobeerd heb aan te tonen, is de noodzaak van zo'n weg van heroverweging en verinnerlijking.
Een weg die eerder is gegaan door kerkvaders als Augustinus, maar ook door mensen als Petrarca, Dante en de opstellers van de Dordtse Leerregels, en - meer recentelijk: O. Noordmans, Antoine Bodar en A. van de Beek. Laten we samen deze uitdaging aangaan.
Wie weet wat daar uit voortkomt?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief