Levende stenen (1)
1999-12-24
"En komt tot Hem, de levende steen...- Jaargang 43
- nummer 26
en laat u ook zelf als levende stenen gebruiken
voor de bouw van een geestelijk huis
om een heilig priesterschap te vormen,
tot het brengen van geestelijke offers, die
Gode welgevallig zijn door Jezus Christus."
I Petrus 2 : 4 - 5
Met vreugde herinner ik me nog hoe dit woord in de Immanuelkerk, een wijkgemeente van de Broedergemeente in Suriname, gebruikt werd om de leden te mobiliseren. Voor alle gemeentewerk het hele jaar (1998) door. In dat verband lichtte dit woord op als een kostbare parel voor gemeenteopbouw, die des te sterker sprak omdat we met elkaar een bouwproject rond wilden krijgen. De kerk was te klein geworden.
De hele gemeente was creatief, van jong tot oud, met zingen, koken, bakken, inzamelacties, fondswerving enz. enz. Bij verlotingen werden gewonnen tarten spontaan opnieuw bij opbod verkocht. De tekst functioneerde al jaren en kon zo een extra stimulans geven. Boven bidden en denken heeft God deze gemeente willen zegenen. Het bouwproject werd voltooid.
En u weet hoe slecht Suriname er economisch voor staat.
Als de gangmakers het weer zien zitten, dan blijkt Gods woord nog steeds wonderen te doen.
Dan laten ook anderen, die wat ontmoedigd op de markt rondhangen, zich makkelijk in beweging brengen. De leegte van het moderne leven, of ook het gevoel nog niet helemaal je plek gevonden te hebben, haakt naar vervulling. En zouden we niet allemaal graag onze plaats vinden op de werkplek van God?
Spanningsveld
Levende stenen. We willen wel, maar zijn er toch ook verlegen mee. Het lijkt een vreemde combinatie: leven en stenen.
Hoe zijn die met elkaar te rijmen? Stenen zijn immers hard en ontoegankelijk?
Goed, ze zijn slijpbaar tot mooie sierraden.
Maar stenen als uiting van leven? Van gemeenteopbouw?
De moeite die wij met deze combinatie hebben heeft w.s. te maken met het spanningsveld dat wij ervaren tussen het leven in en met de Here Jezus, zoals dat ons vanuit de bijbel tegemoet straalt, en de structuren die wij zo als kerken kennen.
Weerbarstigheden waar we op 'botsen', ook in onszelf. Zeg maar het spanningsveld tussen de wijn en de wijnzakken.
Wie een beetje thuis is in Jeruzalem zal de figuur van Petrus al gauw associëeren met de structuren in het gemeenteleven. De oproep van Petrus kan ons wellicht op een ander spoor brengen.
De taal van stenen
Welke taal spreken stenen in de bijbel? Stenen lagen in Israël voor het grijpen en werden dan al gauw een middel om dood en verderf te zaaien. De televisiebeelden met stenen gooiende Palestijnen brengen die wereld nog steeds dichtbij. En overbekend is de steniging als doodstraf.
Anderzijds zien we dat een opgerichte steen, of een hoop stenen een getuigenis is voor komende generaties. Bijv. van Gods bijzondere hulp: Bethel. Eben Haëzer - tot hiertoe heeft de Here ons geholpen. Een rots kon bescherming bieden, 'rots der ontkoming' worden, of een vast fundament, zoals in de gelijkenis van de wijze man die zijn huis op de rots bouwde. Maar in de gelijkenis van de zaaier is de steenachtige bodem juist weer negatief.
Maar, vanuit Ps. 84 gezien, is ook daar nog hoop: dorre, steenachtige situaties kunnen tot oorden van bronnen worden.
Ezechiël kondigde aan dat God stenen harten zou veranderen. In het N.T. gaat dat verder: Johannes de Doper zei tot zijn keurders: Denk niet, wij hebben Abraham tot vader, met ons zit het wel goed want...God is bij machte uit deze stenen Abraham kinderen te verwekken (Matt.3:9). Zo'n mirakel gaat vooral modernen te ver. Net als de Joodse elite tegenover Johannes en Jezus hebben wij onze manieren om de openbaring in te polderen in het menselijk voorstelbare.
Stenen die in levende wezens zouden veranderen?
Johannes de Doper had hier geen blokkades.
Toen de Here Jezus Jeruzalem binnenreed, was er grote blijdschap: Gezegend Hij die komt, de Koning, in de naam des Heren. Een profetie van Zacharia werd zo vervuld: Zie uw Koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel...enz.
Waar stenen zijn en verstarring, daar is aanstoot.
De farizeeërs kunnen het gebeuren niet plaatsen.
Zij willen dat Jezus de lovende menigte het zwijgen oplegt. Een profeet moest toch weten dat zoiets niet kon in bezettingstijd!
Jezus' antwoord is verrassend: Ik zeg u, indien dezen zwegen, zouden de stenen roepen.
Johannes en Jezus zagen, als zieners, gauw een gelijkenis, een les in de hen omringende wereld.
Het lijkt mij dat zij hun tegenvoeters niet slechts wilden wijzen op een stukje natuur en wat God daarmee kon doen. De stenen waren, voor wie het vatten kon, spiegels voor verharde harten.
Ik denk dat Petrus de taal van stenen vaak overdacht heeft - zijn bijnaam Petrus / Kefas nodigde daartoe uit. En daarin was de Geest van zijn meester met hem bezig. Wat zou er van die sterke apostel terecht komen als niet de hemelse steenhouwer hem zou vormen?
Hoe de Steen met Petrus meeging
"En komt tot Hem, de levende steen" Petrus plaatst zijn uitnodiging in de context van Ps. 118.
Jezus zelf had deze psalm aangehaald in aansluiting op de gelijkenis van de pachters: Hebt gij ook dit schriftwoord niet gelezen: De steen die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden (Marcus 12:10).
Petrus en andere discipelen, die zichzelf al als minister onder Koning Jezus hadden gezien, hadden zich in dit woord leren herkennen. Ook zij hadden als bouwers gefaald. etrus had zijn meester als de Zoon van de levende God had beleden (Matt. 16:17) en juist bij die gelegenheid had Jezus hem Petrus, Rotsman, genoemd. Het is dan maar een kleine stap dat hij zijn Meester, na de opstanding een levende steen ging noemen.
Genesis 49:22-26 kan Petrus hierin de weg hebben gewezen.1 Daar lezen we nl. dat Jakob op zijn sterfbed over Jozef, de uitverkorene onder zijn broeders, zei dat hij de tegenstand overwon 'door de handen van de Machtige Jakobs, daar de Steenrots Israëls zijn herder is' (vs. 24). Beide, Jozef en Jezus, bleken na vernedering 'uitverkoren en kostbaar'.
We zagen dus een verband met Joodse leidslieden en met de tempel: keien van zelfhandhaving die de komst van de Messias niet opmerkten.
Dat gold ook voor de hogepriesters die Petrus van nabij meemaakte. Nu had de profeet Zacharia al op een raadselachtige manier gesproken over een steen die de Here voor de hogepriester Jozua (een tempelbouwer bij uitstek) zou neerleggen (3:9). Op die steen waren zeven ogen, beeld van de Geest in zijn volheid.
Had Petrus dat voor ogen toen hij zijn Heer als een "levende steen"
beschreef? Vanwege de verwantschap met Ps. 118 vermoed ik dat. Hoe dan ook, in Petrus' persoonlijke levensgang kwam de nodige beweging. De woorden van onze tekst leggen daarvan getuigenis af: "Komt tot Hem, de levende steen." Er klinkt een wereld van beproeving en ontgoocheling in mee, maar vooral een lerschool.
Heel subtiel klinkt dat door in de tekening van Johannes (6:68). Toen Jezus de twaalf discipelen vroeg: Jullie willen toch ook niet weggaan? zei een ootmoedige Simon Petrus: Here, tot wie zullen wij heengaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven. Petrus was door de diepten gegaan.
De rotsman verbrijzeld
Na zijn verloochening beleefde Petrus een ommekeer. De steen was weggerold, van het graf van Jezus, maar ook van Petrus' hart. De onverbiddelijke dood was definitief overwonnen. Dat historische feit bleef niet zonder gevolgen. Het zelfverwijt en defaitisme bij Petrus werd doorbroken.
De beslissende wending vond plaats toen Jezus zich in Galilea zich met hem onderhield, maar het was een proces dat nog dieper moest doorwerken. Sinds de Pinksterdag had Petrus stenen harten en gevangenisdeuren open zien gaan. Zo had hij, de rotsman, leren afzien van zichzelf, en had hij zijn Heer als een levende steen ontdekt. Dat was een ommekeer van de eerste orde: Leven uit de doden. Petrus was, in de woorden van Paulus, 'medeopgewekt' tot een levende hoop; niet langer geknakt en vleugellam; maar vreugdevol; niet langer steunend op menselijke wijsheid; maar gestelijk nuchter en heilig voorzichtig. Petrus' hart was gebogen tot het herderschap.
Juist vanaf zijn 'faillissement' had hij geproefd dat zijn Heer goedertieren is. Zo werkt de Here nog steeds: Als wij vastgelopen zijn begint Hij. Indertijd was Petrus, in spontane toewijding, op het woord van Zijn Heer al eens overbord gestapt, over zijn beperkingen, over zijn visserslogica heen, en hij had gehoor gegeven aan dat machtige woordje: Kom!
Die stem kreeg nu gestalte in zijn eigen leven. Als herder leidde hij nu velen tot een overvloedig en aanstekelijk leven, buiten zichzelf, in gemeenschap met de Opgestane.
Met een pastoraal compliment sprak Petrus zijn lezers aan: "Hem hebt gij lief, zonder hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde..."( I Petr.1:8). Die hoop op Hem moet al een grote rol gespeeld hebben bij de mensen tot wie hij zich richtte. Petrus erkende dat en deed er nog een schepje bovenop. Dat gaf openheid voor zijn herderlijke bijsturing: "Voegt u...", "Weest heilig..., "...heb dan elkander van harte en bestendig lief, als wedergeboren...", "Legt af...". Petrus sprak als iemand die op deze punten zelf het nodige gelerd had. Heel concreet: De kleintjes, die hij vroeger in zijn loopbaan achter Jezus niet had zien staan, stelde hij nu ten voorbeeld: "en verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk..."
Wat de Heer in het leven van Petrus bereikte, kunnen we opvatten als een krachtige aansporing om hoopvolle christenen te worden, midden in een cultuur waar de dood ons aangrijnst. Aan Petrus zien we dat er hoop is voor 'steenachtige' situaties, hoe vastgelopen deze ook lijken te zijn. Er is een weg! Om die te zien hebben we een andere bril nodig, die van de belofte.
Zoals die van Ps. 114:8 bijvoorbeeld: Van de God van Jakob wordt daar gezegd: "die de rotsen maakt tot een waterval, graniet tot een borrelende bron (Willibrord vert.)."
1 Ik dank ds. C.P. Plooy dat hij mij op dit verband attendeerde.