Over de historiciteit van bijbelverhalen (1)
1997-08-22
De vier artikelen De grondslag van onze zekerheid, waarmee br P.J. van Kampen de brief van br A. van der Ploeg (zie Opbouw van 16 mei 1997, blz. 191) beantwoord heeft, hebben mij niet geheel bevredigd. Terwijl ik ze las dacht ik: “Zou het niet goed zijn om daar nog wat meer en ook nog wat anders over te zeggen?” Vandaar dat ik de lezers van Opbouw op mijn beurt drie artikelen aanbied over dit onderwerp.- Jaargang 41
- nummer 17
Enthousiasme over ‘Het verhaal gaat...’
Wat mij opvalt, is dat heel wat mensen in mijn naaste omgeving zeggen dat ze er wat aan hebben, aan het boek van ds Nico ter Linden. Iemand vertelde mij, dat hij er aan tafel uit voorlas aan zijn dochter. Een ander, die toch heel kritisch staat tegenover de theologische uitgangspunten van Ter Linden, verklaarde aangenaam getroffen te zijn door nieuw licht dat op bekende teksten geworpen wordt. Waar zit dat nou in, dat Het verhaal gaat ... als waardevol en verrijkend ervaren wordt, en dat het zo buitengewoon goed verkocht wordt? Je zou kunnen opperen, dat dat komt doordat Ter Linden zo ver tegemoet komt aan de smaak van moderne mensen. Naar mijn idee is dat tot op zekere hoogte ook wel waar. Een deel van het lezerspubliek zal worden gevormd door mensen die al lang niet meer geloven dat God zich in de bijbel openbaart, maar die nog wel geïnteresseerd zijn in menselijke voorstellingen van God. Bij die behoefte sluit Ter Linden aan, doordat hij van zijn kant de bijbel inderdaad niet aanbiedt met een "Zo spreekt de Here ..." Hij stelt de bijbelschrijvers voor als mensen, die vanuit hun religieuze ervaringen aan het woord komen over God. Daarbij laat hij vervolgens zien, hoe boeiend en waardevol die antieke 'verbeeldingen' zijn, zonder te pretenderen dat ze openbaringswaarde hebben. Zo'n benadering is ongetwijfeld uiterst 'laagdrempelig' en verklaart als zodanig vast ook wel de populariteit van zijn boek. Maar dat andere deel van het lezerspubliek, onder andere al die Nederlands Gereformeerden bij wie Het verhaal gaat ... op tafel ligt, hoe zit het daarmee? Laten zij zich zand in de ogen strooien? Zijn zij gevaarlijk naïef? Ik denk dat er iets anders aan de hand is. Om dat duidelijk te maken wil ik iets uit de geschiedenis van de theologie naar voren halen.
Martin Kähler
De vraag of alles wat in de bijbel staat wel 'echt gebeurd' is, dateert niet van gisteren of eergisteren. Sinds het eind van de achttiende eeuw werden daarover hoe langer hoe meer kritische vragen gesteld, niet alleen buiten de kerk, maar ook daarbinnen. Dat werkte door in de theologie. Zowel het Oude als het Nieuwe Testament werd onder de loep genomen; men legde streng rationele maatstaven aan om te bepalen of alles wel werkelijk zo had plaatsgevonden als in de diverse bijbelboeken verteld wordt. In de loop van de negentiende eeuw werd de kritiek steeds radicaler. Onder de druk van nieuwe natuurwetenschappelijke inzichten en van de eisen die de geschiedeniswetenschap stelde, zette men bij steeds meer verhalen en verslagen een vraagteken. Geleerden die het Nieuwe Testament bestudeerden gingen soms zover, dat ze bijna alles wat in de evangeliën over Jezus verteld wordt beschouwden als onbetrouwbare berichtgeving. Ze kwamen tot de ontmoedigende slotsom, dat we nooit zullen weten hoe Jezus' leven er nu echt heeft uitgezien. Toen maakte het theologisch debat een ommezwaai, in welk verband ik de naam van de Duitse theoloog Martin Kähler (1835-1912) wil noemen. Hij zei ongeveer dit: "Het kon niet uitblijven dat jullie driftige zoektocht naar harde feiten, die de toets van historisch onderzoek kunnen doorstaan, op niets is uitgelopen. Jullie vraagstelling: 'Wat is er nou precies gebeurd?' deugt niet. Op de vraag, hoe het leven van Jezus nu werkelijk verlopen is, willen de vier evangelisten helemaal geen antwoord geven. Zij hebben absoluut niet de pretentie gehad een biografie van Jezus te schrijven. Zij zijn niet geïnteresseerd in kale, naakte feiten en jaartallen.
Zij stellen de Here Jezus voor in zijn betékenis voor ons mensen. Zij hebben heel bewust gepreekt, verkondigd, een boodschap over Jezus gebracht. Het is zinloos om daarachter terug te vragen naar keiharde biografische gegevens, want daar gaat het niet om. Dan mis je de essentie. Stop dus met vragen naar wat er echt gebeurd is, en richt je op de boodschap die de bijbel vertelt." Laat KähIer dan in het midden of de boodschap van het evangelie teruggaat op werkelijke gebeurtenissen? In geen geval!
Het stond voor hem vast dat de evangelisten een beeld van Jezus schetsen waarin zij 'harde feiten' verwerken.
Maar dat is dan ook echt een 'verwerken': zij sommen de gebeurtenissen niet op in hun chronologische volgorde, maar werpen er een bepaald licht op, vertellen er wat om heen, wijzen de heilsbetekenis ervan aan, kortom: houden er een preek over. En om die preek gaat het.
Herman Bavinck
Van lieverlee vond de visie van Kähler erkenning. Het boeiende is, dat andere theologen langs eigen wegen tot vergelijkbare ideeën kwamen. Daarbij hadden zij niet alleen de evangeliën, maar ook de andere 'historische' boeken van de bijbel op het oog.
Van allerlei kanten werd hetzelfde signaal uitgezonden: ga met de goede vraagstelling naar de bijbel toe! Zolang je eenzijdig probeert uit de bijbel een historische gang van zaken te reconstrueren, zul je magere resultaten boeken.
De bijbelschrijvers hebben namelijk geen belangstelling voor naakte feiten en jaartallen. Zij verkondigen, hoe God in bepaalde feiten en op bepaalde tijden tot ons spreekt. Je doet aan die verkondiging geen recht wanneer je hun geschriften uitzift op feiten die de toets van historisch en archeologisch onderzoek kunnen doorstaan. Wat de bijbel eigenlijk te zeggen heeft, vang je pas op wanneer je hem aftast op zijn heilsboodschap. In feite is de bijbel, ook in zijn historische partijen, niet meer dan één grote preek. Dat deze benadering de 'klassiekchristelijke' opvatting is geworden, is misschien net iets te veel gezegd, maar het is een feit dat zij zeer brede erkenning gevonden heeft. Ook binnen de gereformeerde theologie heeft zij sinds het eind van de vorige eeuw ingang gevonden. Zo heeft de nog altijd gezaghebbende Herman Bavinck een positie ingenomen, die dichtbij die van Kähler ligt. Net als deze houdt hij eraan vast, dat de bijbelse boodschap gefundeerd is op historische feiten. Hij verzet zich tegen de gedachte, dat wat in de historische boeken van de bijbel verteld wordt wellicht niet 'echt gebeurd' zou zijn. Maar tegelijk verklaart hij in niet mis te verstane bewoordingen dat "de geschiedschrijving der Heilige Schrift een eigen karakter draagt. Het is er haar niet om te doen, dat wij precies alles zouden weten, wat er in de verledene tijden met het menschelijk geslacht en met Israël gebeurd is, maar zij verhaalt ons de geschiedenis van Gods openbaring, ... en bedoelt met haar historie, ons God te doen kennen in zijn zoeken van en in zijn komen tot de menschheid .... Zij geeft ons in het bepalen van plaats en tijd, in de orde der gebeurtenissen, in de groepeering der omstandigheden volstrekt niet die nauwkeurigheid, welke wij dikwerf wenschen zouden. De berichten over de voornaamste gebeurtenissen bijv.
over den tijd van Jezus' geboorte, over den duur van zijne openbare werkzaamheid, over de woorden, door
Hem bij de instelling van het avondmaal gesproken, over zijne opstanding enz. zijn ver van eensluidend en laten voor verschillende opvattingen ruimte." (Het citaat is te vinden in het in 1895 verschenen eerste deel van zijn Gereformeerde Dogmatiek, op blz. 418 en 419 van de vijfde druk.) Ook houdt Bavinck rekening met de mogelijkheid, dat "wij bij Job, Prediker, Hooglied ... aan historische inkleeding te denken hebben." (idem, 419). Tenslotte merkt hij op: "In historische berichten is er soms onderscheid tusschen het feit, dat heeft plaats gehad, en de vorm, waarin het voorgesteld wordt." (420) Kortom: ook voor Bavinck staat het vast, dat de bijbel niet in feiten en jaartallen op zich geïnteresseerd is, en dat hij dus ook niet echt voor je open gaat als je daarop uit bent. Nee, pas wanneer je de bijbelse geschiedenissen aftast op hun boodschap, zul je merken dat zij echt wat te vertellen hebben.
Nico ter Linden
En dat is nu precies wat ds Nico ter Linden doet. Hij leest de bijbel consequent vanuit die veranderde vraagstelling.
Niet: welke feiten worden ons hier bericht? Maar: wat heeft de bijbelschrijver ons hier te vertellen, over God en over onszelf? Mij dunkt: dat is mede een verklaring van de weerklank die zijn preken en geschriften vinden.
In zeker opzicht laat Ter Linden, meester-verteller als hij is, zien hoe groot het gelijk van Kähler en Bavinck is. Want inderdaad: op deze manier gaan die oude verhalen veel meer spreken, en gaan mensen weer ontdekken hoe lezenswaardig de bijbel is.
Dat ontdekken ze niet, zolang hij gepresenteerd wordt als een boek dat geen andere doelstelling heeft dan hun een lange reeks gebeurtenissen en jaartallen mee te delen. Van historische informatie als zodanig worden mensen immers over het algemeen niet warm of koud. Nee, al die bijbelverhalen worden pas als waardevol ervaren wanneer de lezer merkt dat hij er hoop uit kan putten, of erdoor bemoedigd wordt om zijn vertrouwen in God niet op te geven. Ter Linden slaagt erin, dat duidelijk te maken. Zo gezien is het geen wonder dat zijn boek ook in onze kring waardering vindt.
Maar zal over die waardering niet onvermijdelijk de schaduw vallen van zijn beruchte motto 'wel waar, maar niet echt gebeurd'? Slaat Ter Linden niet een zo totaal andere weg in dan theologen als Kähler en Bavinck, dat de sympathie die men voor hun zienswijze kan hebben op de zijne niet meer van toepassing is? Inderdaad is het nogal wat, dat hij hun subtiele benadering van een ingewikkeld vraagstuk vervangt door een simpele keuze vóór 'het verhaal' en tégen 'de geschiedenis'. In een volgend artikel wil ik laten zien, dat hij zijn lezers daarmee een wel erg hoge prijs laat betalen voor de aantrekkelijke resultaten die hij boekt. Maar wat zou het jammer zijn, als men in een soort schrikreactie vervolgens voor een positie zou kiezen, waarbij men zich de winst van de afgelopen honderd jaar laat ontglippen. Dat zie ik gebeuren, wanneer men tegenover Nico ter Linden niets meer zou weten te zeggen, dan dat de bijbelverhalen toch beslist wel echt gebeurd zijn. Want wanneer men door hem alleen maar geprikkeld zou worden om aan te tonen, dat archeologische vondsten de historische betrouwbaarheid van de bijbel bevestigen, zou men in wezen terug vallen in de door Kähler en Bavinck terecht gewraakte passie voor 'droge' feiten en jaartallen. Dominees die hun preek hoofdzakelijk zouden gebruiken om te benadrukken dat de bijbelschrijvers keien zijn geweest in de verslaggeving van de eigenlijke toedracht, zouden daarmee alleen maar bereiken dat nog meer mensen Nico ter Linden gaan lezen. Want van een preek verwachten mensen geen historische of natuurwetenschappelijke informatie, maar troost, en bemoediging, en perspectief, en juist op die punten scoort Als het verhaal gaat ...zo hoog. Een evenwichtige reactie op het fenomeen Nico ter Linden zal dan ook nooit eenzijdig aandacht vragen voor 'de geschiedenis' ten koste van 'het verhaal'. Wat is het eigenlijk bijzonder, dat de gereformeerde Herman Bavinck meer dan een eeuw geleden reeds een weg gewezen heeft waarop die evenwichtigheid gewaarborgd is.Samen met zijn leerlingen heeft hij gereformeerde dominees een vruchtbare aanpak voor de prediking voorgehouden: de historische dimensie niet veronachtzamen, maar tegelijk het bijbelverhaal koortsachtig aftasten op een boodschap waarmee de kerkganger verder kan. Mij dunkt: daar kunnen we nog altijd mee vooruit! Daarmee is niet gezegd dat Bavinck over de historiciteit van de bijbel het laatste woord gesproken heeft. Integendeel: het lijkt mij dat wij zijn waardevolle inzichten alleen maar recht doen, wanneer wij in zijn spoor moedig verder gaan.
Daarop wil in een derde en laatste artikel ingaan.