Evangelisch en gereformeerd

1997-09-05
  • Jaargang 41
  • nummer 18
Toen wij destijds na de breuk met de Geref. Kerken (vrijgemaakt) genoodzaakt waren om een nieuwe naam voor onze kerken te bedenken, was één van de opties: Evangelisch Gereformeerde Kerken. Op de voortgezette Landelijke Vergadering van Wezep op 19 mei 1979, waar alle kerken rechtsreeks vertegenwoordigd waren, viel deze naam echter bij de eerste stemming af, omdat ze door niet meer dan 6 kerken werd gesteund. Als wij vandaag voor die keuze zouden staan, dan zou die naam wel eens meer kans kunnen maken dan destijds. Naar ik meen was het ds. J.M. Mudde, die ooit van onze kerken zei, dat we de meest evangelische onder de gereformeerden en de meeste gereformeerden onder de evangelischen waren. En hij was daar bepaald niet ongelukkig mee.

Evangelisch Gereformeerd
Het mag duidelijk zijn, dat er in (een groot deel van) onze kerken grote openheid is voor het 'evangelische' gedachtegoed en de daarop geënte praktijk. Met name de nadruk op een warme, persoonlijke geloofsverbondenheid met Jezus Christus en op het heiligende en levens-vernieuwende werk van de Heilige Geest, die voor dit denken kenmerkend is, spreekt velen aan. Men voelt zich getroffen door de oproep tot een levend geloof, dat vele malen meer inhoudt dan het formele lidmaatschap van een kerk. Geloof is toch de vrucht van een persoonlijk aangeraakt zijn door de Heilige Geest, waardoor je een ander, nieuw mens wordt. En die verandering manifesteert zich in groei in de strijd met zonden en gebreken. Ook komt er onder ons meer aandacht voor, dat de persoonlijke geloofsband met God en Jezus Christus gestalte behoort te krijgen in bewust gezochte momenten van stil zijn voor God om te luisteren naar zijn Woord en Hem aan te roepen in gebed. Nog niet zo heel erg lang geleden besteedde ds. A. v.d. Dussen daar in Opbouw nog in enkele artikelen uitgebreid aandacht aan. Met name ook de aanbidding en lofprijzing van God krijgt grotere aandacht. Bovendien is er sterke belangstelling voorhet gemeenschappelijk gebed, b.v. in gebedskringen. En dan vindt de aanbidding bij voorkeur plaats door het enthousiaste zingen van zgn. 'opwekkingsliederen'. In diverse van onze gemeenten hebben die ook al een vaste plaats in de eredienst verworven.
Of er worden met zekere regelmaat 'sing-ins' of 'praise-avonden' gehouden, waar deze liederen vaak de hoofdmoot van het repertoire uitmaken. Daarnaast is er onder invloed van de 'evangelische beweging' onder ons duidelijk meer aandacht voor het werk van de Heilige Geest op het terrein van de charismata - de genadegaven, waarmee de Geest de individuele gelovigen toerust tot opbouw van de gemeente en tot uitbouw van het Koninkrijk van God. In meerdere gemeenten wordt dankbaar gebruik gemaakt van materiaal, dat hierover wordt aangeboden door de Evangelische Alliantie. En ook de groeiende belangstelling voor b.v. 'Willow-Creek' en de Alpha-cursus hangt hier ongetwijfeld mee samen.

Wederzijdse beïnvloeding
Als gevolg hiervan voelen broeders en zusters met een hang naar de evangelische beweging zich meer dan eens in onze gemeenten thuis, al zal dat zeker niet over de hele linie het geval zijn. Het komt zelfs meermalen voor, dat men vanuit een evangelische groep of kerk overstapt naar één van onze kerken. Ik aarzel niet dit samengaan van evangelische en gereformeerde tradities binnen onze kerken positief te noemen. Ik ben ervan overtuigd, dat we elkaar nodig hebben. De warme, persoonlijke geloofsovertuiging enerzijds en het Schriftuurlijk en confessioneel belijnde denken anderzijds kunnen elkaar wederzijds positief bevruchten. Als de één geneigd is te accentueren, dat we vandáág kerk van Christus behoren te zijn met een missionaire opdracht in de samenleving van nu, dan heeft dat soms de correctie nodig van anderen, die beseffen dat we ook kerk zijn met een geschiedenis, waaruit we het één en ander hebben te leren en te bewaren. En een wat kil en afstandelijk traditionalisme of intellectualisme kan een flinke scheut warme emotionaliteit en bewogenheid goed gebruiken. Ik ben me er overigens van bewust, dat in werkelijkheid de lijnen beslist niet altijd zo getrokken kunnen worden als ik dat hier min of meer schematisch heb gedaan.

Diversiteit
Een dergelijke openheid en de bereidheid om samen vorm te geven aan het kerk-van-Christus-zijn vandaag roept tegelijk onmiskenbaar ook zekere spanningen op. Soms zijn de geloofsinzichten en -overtuigingen binnen een gemeente daardoor zo divers, dat het veel wijsheid vraagt om er goed mee om te gaan.
Eén van de problemen, die zich regelmatig voordoen, is het feit dat ouders tot de overtuiging gekomen zijn, dat de gereformeerde traditie om kinderen te laten dopen niet bijbels gefundeerd is. M.i. wordt op dit punt duidelijk, dat één van de sterke punten van het 'evangelische' denken tegelijk ook een punt is waaruit zijn zwakheid blijkt. De op zichzelf terechte nadruk op de noodzaak van wedergeboorte en bekering van ieder kind van God kan gemakkelijk leiden tot subjectivisme, waarbij de eigen ervaring en beleving centraal komt te staan en beslissend wordt. Alleen hij/zij die persoonlijke geloofservaring heeft mag dan gedoopt worden. Mijn ervaring·met ouders, die deze overtuiging zijn toegedaan, is sterk ambivalent. Ik herinner mij nog levendig het gesprek, dat ik jaren geleden met een ouderpaar had, dat ook hun pasgeboren kindje niet wilde laten dopen. Hij was van huis-uit Nederlands Gereformeerd, zij kwam uit de Nederlands Hervormde Kerk. En hun overtuiging was duidelijk gestempeld door hun ervaring. De jonge vader verklaarde, dat hij van zijn ouders nog nooit iets had gehoord over de rijke betekenis van de doop. Er was van geloofsopvoeding zelfs helemaal nauwelijks sprake geweest. Toen hij zijn broer, die kort daarvoor ook een kind had gekregen, vroeg waarom hij dat wel liet dopen, was het enige antwoord dat hij kreeg, dat iedereen dat toch deed. De moeder vertelde me, dat ze grote moeite had met de gewoonte, die ze in de Hervormde Kerk had leren kennen, om zonder meer ieder kind te dopen, ook al was het van ouders die op geen enkele manier met de kerk meeleefden. Beide ouders konden door hun opvoeding en afkomst in de doop niet anders zien dan een leeg ritueel, dat geen enkele betekenis had. Eerlijk gezegd kon ik dat, gezien hun achtergrond, heel goed begrijpen. En hoezeer ik persoonlijk ook overtuigd ben van de waarde en de rijkdom van de kinderdoop, ik kon die overtuiging helaas niet op hen overdragen.

Kerkenraadsbeleid
Hoe ga je nu om met gemeenteleden, die om soortgelijke redenen moeite hebben met de kinderdoop? Het zijn toch vaak niet de minst meelevende broeders en zusters om wie het gaat. Integendeel, ze denken over het algemeen bewuster na over wat God van hen vraagt, dan menigeen die het traditioneel gereformeerde paadje loopt.
En dat maakt hen sympathiek, zodat het alleen daarom al verdrietig is om hen erop te wijzen dat ze met hun denken niet in de lijn van de Schrift qaan". 2 Tot nu toe wordt in onze kerken, naar ik meen, vrij algemeen de lijn gevolgd, dat in principe ieder lid, dat moeite heeft met de kinderdoop, van harte in volle rechten als broeder of zuster in Christus wordt aanvaard. Hierop is echter één uitzondering, nl. dat zo iemand niet als ambtsdrager zal kunnen worden verkozen en aangesteld.
Van een ambtsdrager in een gereformeerde kerk zal immers mogen worden verwacht, dat hij de officieel aanvaarde belijdenis van onze kerken zal helpen uitdragen en verdedigen. En van die belijdenis is de leer van de kinderdoop niet één van de minst belangrijke onderdelen. Maar één van de gevolgen van dit beleid is, dat een kerkenraad kan worden geconfronteerd met de vraag van ouders, die moeite hebben met de kinderdoop, of hun kind in het midden van de gemeente mag worden 'opgedragen' en gezegend. Men wil zo hun pasgeboren kind op plechtige wijze aan de HEERE toewijden en samen met de gemeente bidden of Hij ooit door zijn Heilige Geest in het hart van dit kindje het geloof in Hem wil wakker roepen. Dit 'opdragen' en zegenen is zogezegd het evangelische alternatief voor de kinderdoop. Hoe moet een kerkenraad hiermee omgaan?
U hebt in het Nederlands Dagblad van 17 mei j.1. kunnen lezen, dat de kerkenraad van de Ned. Geref. Kerk van Nijmegen onlangs besloten heeft een dergelijk verzoek positief te honoreren. Ik heb begrepen, dat men daar de andere kerken van de regio van in kennis heeft gesteld, zonder daarover eerst op een regionale vergadering advies te hebben gevraagd. En om met dat laatste te beginnen, m.i. heeft de kerkenraad van Nijmegen zo een onverantwoorde stap gedaan. Een besluit als dit is toch te ingrijpend om los van het kerkverband te nemen.
Hier zit immers heel wat aan vast, dat in gemeenschappelijk overleg overwogen had moeten worden.

Voetballen of handballen
Ik ga ervan uit, dat de kerkenraad van Nijmegen met dit besluit recht heeft willen doen aan de hierboven geschetste werkelijkheid, dat in onze kerken 'evangelischen' en gereformeerden meer en meer een gemeenschappelijk huis bewonen. En ik veronderstel, dat men er op uit is geweest zodoende een zeker evenwicht te bewaren.
Maar ik ben geneigd te concluderen, dat men zo juist het evenwicht heeft verstoord ten koste van de gereformeerde lijn. Ons officiële gereformeerde belijden is immers met antw. 74 van de Heidelbergse Catechismus op de vraag of men ook kleine kinderen moet dopen: "Ja. Zij behoren even goed als de volwassenen tot het Verbond van God en zijn gemeente ...
Daarom moeten ook zij door de Doop, als het teken van het Verbond, in de christelijke Kerk ingelijfd ... worden."
En met art. 34 N.G.8.: "En Christus heeft zijn bloed waarlijk niet minder vergoten om de kleine kinderen der gelovigen te wassen dan Hij dat gedaan heeft voor de volwassenen. Daarom behoren zij het teken en Sacrament van wat Christus voor hen gedaan heeft te ontvangen." Ook kan gedacht worden aan de eerste vraag van het klassieke doopformulier aan de ouders van de dopeling: "Belijdt u dat onze kinderen in zonde ontvangen en geboren en daarom aan velerlei ellende, ja zelfs aan het eeuwige oordeel onderworpen zijn, maar dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom als leden van zijn gemeente behoren gedoopt te wezen?" 3 De doop van onze kinderen is dus in onze gereformeerde traditie altijd gezien als een gebod van Christus.
Het is voor ons bijgevolg geen vrijblijvende zaak. Nee, het is iets wat hoort en wat van Christus moet. Tegelijk zijn wij wel zo overtuigd van de geestelijke waarde van de kinderdoop, dat wenooit ouders geestelijk zouden willen dwingen om hun kind te laten dopen. Ouders moeten toch zelf ook innerlijk van de juistheid van dat gebod overtuigd zijn.
Maar het is een duidelijke stap verder als wij zulke ouders tegemoet komen in hun verlangen om hun kinderen officieel in de eredienst te laten 'opdragen'. Daarmee worden immers de kinderdoop en het ritueel van 'opdragen' als gelijkwaardig naast elkaar geplaatst. En dat doet duidelijk afbreuk aan ons gereformeerde belijden.
Het gevolg daarvan is logischerwijze, dat het kind zelf in de toekomst, wanneer het tot belijdenis van zijn geloof komt, de kerkenraad zal vragen om dan als volwassene gedoopt te mogen worden. Of het kan gebeuren, dat iemand die wel als kind gedoopt is, maar van oordeel is dat toen zijn geloofsantwoord niet verdisconteerd was, bij zijn geloofsbelijdenis vraagt nog eens weer gedoopt te mogen worden. Enkele jaren geleden werd deze praktijk van de zgn. 'bevestigingsdoop' bepleit door drs. E.w. van der Poli 4'. Welke reden zou b.v. de kerkenraad van Nijmegen dan kunnen hebben om een dergelijk verzoek te weigeren? Is er na deze eerste stap voldoende reden om ook niet de volgende te zetten? 5 Het gevolg zou zijn, dat kinderdoop en volwassendoop binnen één gemeente als volwaardige alternatieven naast elkaar zouden bestaan. Dat is overigens precies wat iemand als Van der Poll voor ogen staat. Ik ben van mening, dat hiermee kerken van een gereformeerde signatuur absoluut worden overvraagd. Zoals je trouwens ook een evangelische gemeente of een Pinkstergemeente zou overvragen als je hen zou verzoeken ruimte te willen bieden voor het dopen van kinderen. Hier staan immers twee lijnen van denken onverzoenlijk tegenover elkaar. In het gereformeerde belijden gaat het bij de doop om het handelen van God aan het kind. Hij neemt het aan als zijn kind. In het evangelische denken gaat het bij het opdragen om een daad van de ouders. Zij stellen hun kind aan God voor en dragen het aan Hem op met de bede, dat Hij het wil aannemen.
Hoe verdrietig het ook is, juist omdat je elkaar op zoveel punten en terreinen herkent als broeders en zusters in dezelfde Heer, hier loopt m.i. toch een scheidslijn die niet te overbruggen is. Ds. P. Boomsma, destijds voorzitter van de synode van de (syn.) Gereformeerde Kerken, zei het ooit eens zo: "Iemand die vanuit zijn evangelische achtergrond vindt dat de volwassendoop de enige juiste is, verspeelt zijn plaats (in een gereformeerde kerk - jcs). Als je ingehuurd bent om te voetballen, moet je niet ineens gaan handballen" 6, Het is misschien een wat prozaïsche vergelijking, maar het geeft wel aan hoe twee verschillende stijlen van sport bedrijven, c.q. kerk-zijn nu eenmaal niet samengaan.

Integriteit
Nogmaals, dit is iets wat niet zonder pijn in het hart vastgesteld kan worden. Het bepaalt je bij een verdrietige gebrokenheid tussen gelovigen, die je zo graag genezen en geheeld zou zien. Maar ik ben stellig van mening, dat de wijze waarop de kerkenraad van Nijmegen naar een oplossing heeft gezocht onze integriteit als kerken uit de gereformeerde traditie aantast.
Daar komt bij, dat men m.i. te overhaast gehandeld heeft. Ongetwijfeld heeft in de besluitvorming een rol gespeeld, dat men concreet te maken had met, naar ik voetstoots aanneem, een fijn stel ouders, die serieus met het geloof en zijn consequenties bezig zijn. En dan is het natuurlijk extra moeilijk om een teleurstellend besluit te nemen. Maar juist dan is het zo belangrijk om te rade te gaan met anderen, die er wat meer afstand van kunnen nemen en er objectiever over kunnen oordelen. Daarom had Nijmegen dit nooit mogen doen zonder de zusterkerken bij de besluitvorming te betrekken. Bovendien, zoals gezegd, betreft het hier zo'n karakteristiek en onopgeefbaar onderdeel van ons gereformeerde belijden, dat men ook daarom hierin zomaar niet op eigen houtje een beslissing had moeten nemen. Stel dat men naderhand tot het inzicht zou komen, dat men er inderdaad niet goed aan heeft gedaan op het verzoek van deze ouders in te gaan, dan is het tegenover het bewuste ouderpaar toch pijnlijk om er weer afstand van te moeten nemen. Dat is een reden temeer om je eerst breed te beraden over de juistheid van zo'n beslissing. Ik meen dan ook, dat de kerkenraad van Nijmegen het bewuste ouderpaar, zichzelf en ons kerkverband geen goede dienst heeft bewezen.

1. Dit artikel is geschreven n.a.v. het besluit van de kerkeraad van de Ned. Geref. Kerk van Nijmegen om op verzoek van een ouderpaar hun kind te laten 'opdragen' i.p.v. te laten dopen.

2. Ik ga in dit kader niet verder in op de argumenten voor de kinderdoop. Die zijn immers in diverse publikaties uit de doeken gedaan. Duidelijk mag zijn, dat ik deze argumenten overtuigend vind en dat ik meen, dat de kinderdoop in kerken met een gereformeerde traditie op bijbelse gronden een rechtmatige plaats heeft.

3. De cursivering is steeds van mij - jcs.

4. E.W. van der Poll, Dopen en laten dopen: een bijbelse opdracht in de praktijk, Hoornaar, 1995. Ik heb van dit boek kennis genomen via een samenvatting ervan, die verschenen is in het blad Soteria, 12ejaargang, nr. 3, 1995.
De 'bevestigingsdoop', waarvoor hij graag ruimte wil in de kerken, waar de kinderdoop de gebruikelijke praktijk is, is z.ï, beslist niet bedoeld als overdopen, maar als opnieuw dopen. Eén van zijn belangriJkste bijbelse argumenten is de geschiedenis van Hand. 19,2-6, waar een aantal door Johannes gedoopte discipelen zich door Paulus opnieuw laat dopen.

5. Als ik het goed begrepen heb wil de kerkenraad van Nijmegen ook overwegen of leden met een afwijkende mening over de kinderdoop tot het ambt van ouderling geroepen kunnen. worden.

6. Trouw, 3 januari 1995.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief