De kleinel oekumene (2)
1997-01-10
Hieronder vindt u het tweede deel van de toespraak die drs. De Jong op het negende lustrum van de CSFR op 9 nov. j.l. heeft gehouden.- Jaargang 41
- nummer 1
Aan het einde van het eerste deel pleitte De Jong voor het zoeken vanuit een innerlijke behoefte naar oecumenische vormen waarin de geestelijke eenheid tot uitdrukking komt.
Hij vervolgt nu met een afwegen tegen elkaar van het 'gaan' en het 'blijven'
'Gaan' en 'blijven'
9. Nu in de Gereformeerde Bond het gesprek loopt over de vraag 'blijven' of 'gaan', moge de volgende opmerking van iemand die in zijn voorgeslacht 'gegaan' is overwogen worden: 'Blijven' is niet alles, 'gaan' ook niet. Dat is de uitkomst van de kerkgeschiedenis die zowel de gevolgen van het 'blijven' als van het 'gaan' over langere periodes genomen laat zien. De 'blijvers' en de 'gaanders' hebben elkaar weinig te verwijten.
Om iets te noemen dat zowel het voordeel als het bezwaar tegen beide illustreert: In zoverre de traditie een bewarende kracht is, profiteren de gelovigen in de ongedeelde kerken daar meer van dan die in de kerken welke uit scheiding zijn ontstaan. Kijk maar naar de zuidelijke landen waar nooit de wind van de Reformatie doorheengeblazen heeft. Als je, zoals ik zelf, tweemaal een scheiding hebt meegemaakt, dan heb je twee traditiejasjes uitgetrokken. De kans bestaat daardoor dat ik en mijn kerkgenoten dichter bij het wezenlijke van het evangelie gekomen zijn. De traditie kan daarvoor namelijk een blok aan het been zijn. Maar er is ook een keerzijde: stijlverlies, een ongezond overwicht van de inhoud op de vorm, en, wat het ergste is, een snellere sekularisatie.
Ware en valse kerk
10. De belijdenis spreekt van ware en valse kerk (art. 29 NGB). De vrijgemaakten (tenminste die welke ik in 1967 verlaten heb) deden alsof alles wat niet waar was, vals was. In het muntwezen mag dat zo zijn, bij de kerk ligt het toch anders. De valse ~5 I ----~ ! 41 - 12 I kerk is niet de kerk die voor een kleinigheid afwijkt van de ware, maar ze is het volstrekte tegenbeeld van alles wat de kerk naar het evangelie bedoelt te zijn. Dat kun je aan de omschrijving die er in artikel 29 van de NGB van gegeven wordt, duidelijk zien. Vijandschap tegen de waarheid van het evangelie en de belijders ervan is het kenmerkende. Dit betekent dat er tussen waar en vals een middenveld zit en dat je in de praktijk van de valse kerk alleen maar trekken tegenkomt.
Ook van de RK in de zestiende eeuw geldt dat. De valse kerk bestaat niet in reinkultuur, net zo min trouwens als de ware. (Maar ze zal er op het laatst wel zijn; ze is een eschatologische grootheid.) Trekken van de valse kerk zie ik vandaag duidelijker dan elders in de grotere protestantse kerken die op z'n minst toelaten dat er slordig met het Christusgeheimenis wordt omgesprongen.
De RK kerk van tegenwoordig vind ik daarin veel beter. Die heeft zich, evenals destijds Afkerigheid Israël, gerechtvaardigd boven Trouweloze Juda (zie Jer. 3:11). Als ik eraan denk dat de enige konfessionele dui- delijkheid die de grotere protestantse kerken de laatste tijd aan de dag gelegd hebben die rondom het Conciliair Proces is, typisch een doel waarvoor de kerk zich niet van de ongelovigen behoeft te onderscheiden, een programma immers tot behoud van deze wereld, een inspanning voor het futurum, zou professor A. van de Beek zeggen (Zie zijn bijdrage Eén in Christus in Het Brood Dat Wij Breken, p. 50 ev) en ik vergelijk daarmee, bijvoorbeeld, de toespraak die Paus Johannes Paulus 11in Utrecht voor de Nederlandse jeugd gehouden heeft: een bewogen Christus-prediking!, dan zeg ik van die protestantse kerken met Paulus: "Zij zijn aardsgezind"
(Fil. 3:19). En daarom ga ik liever naar de Maliebaan dan naar de Carnegielaan.
Eer en goede naam
11. De kerken moeten ernaar streven dat zij elkaars eer en goede naam naar hun vermogen voorstaan en bevorderen. Geen gelegenheid mogen ze voorbij laten gaan het goede in de ander te prijzen en dat niet enkel ter inleiding van kritiek. Ook de nodige kritiek trouwens mag niet gedragen worden door de suggestie dat de betreffende kerk als zodanig niet deugt.
12. Van het veel gehoorde argument dat de wereld aanstoot neemt aan de kerkelijke gescheidenheid en wij dus door die te handhaven voor die wereld een verhindering tot geloven opwerpen, ben ik niet onder de indruk. Alles hangt ervan af hoe wij zelf met het gescheiden zijn omspringen. Als we de vele gelegenheden om onze eenheid te demonstreren ongebruikt laten en in plaats daarvan elkaar kritiseren op een wijze die doet vermoeden dat we elkaar als konkurrenten beschouwen, dan zondigen we tegen Christus die gebeden heeft: "Laat hen één zijn, Vader, opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt" (Joh. 17:21). Ten aanzien van Noord-Ierland bijvoorbeeld, heb ik nog nooit mensen horen vragen waarom de protestanten en de katholieken daar niet in één kerk zitten, maar wel waarom ze zo vechtend over de straat moeten rollen. Kunnen zij ondanks hun verschillen niet wat christelijker met elkaar omgaan?, dat is wat de mensen zeggen.
Gelukkig is Noord-Ierland uitzondering.
Toch staan ook wij naast en zelfs wel tegenover elkaar. Bedenk evenwel: Voor de wereld zijn wij veel meer één dan wij zelf vermoeden. 'Die christenen!', zegt zij mis-prijzend en ze scheert daarmee zelfs rechtzinnigen en vrijzinnigen over één kam. (Zij heeft trouwens in het algemeen wel een fijne neus voor wat echt christelijk is.) Maar ze begrijpt van de andere kant best dat van een zwarte kousendominee en een heilssoldaat niet verwacht kan worden dat ze zondag aan zondag in één kerkdienst zitten. (Zingen bij tin of bij koper maakt nu eenmaal een groot verschil.) Het spektakel dat je krijgt als je ze bij elkaar forceert, maakt het geloof voor de buitenwacht veel hoogdrempeliger. Wat je daarentegen wel tegenkomt is dat mensen de gescheidenheid van de kerken als oneigenlijk argument hante ren om zich het evangelie van het lijf te houden. Daar valt na enig praten gemakkelijk doorheen te zien.
'Is Christus gedeeld'?'
13. Steeds meer aarzeling heb ik om de teksten van Paulus in I Korintiërs 1 ('Is Christus gedeeld?' enzovoorts) toe te passen op de kerkelijke situatie van de kleine oekumene. Is wat de apostel daar schrijft niet meer gericht tot de plaatselijke gemeente op het mikronivo dan tot onze kerkverbanden op het dito makro? En zijn we daarom met die makro-toepassingen niet steeds te laat? Want waar beginnen de scheuringen doorgaans? Daar waar tussen de broeders en zusters van hetzelfde huis en in de eigen gemeente het vertrouwen gaat ontbreken en men zich naar elkaar toe afsluit. Dus moeten wij leren op plaatselijk nivo op broederlijke wijze over verschillen van opvatting te spreken.
Bijvoorbeeld naar de aanwijzingen die Paulus geeft voor de omgang tussen 'sterken' en 'zwakken'. Dat de 'sterken' de 'zwakken' niet mogen verachten en dat de 'zwakken' de 'sterken' niet mogen veroordelen (Rom. 14:3 en 10). Want van die orde van grootte zijn onze verschillen vaak. Nu komt het nog te vaak voor dat christenen zich voor kerkelijke eenheid met anderen het vuur uit de sloffen lopen, maar in eigen gemeente hun broeders en zusters uit de weg gaan. Eenheid van de kerk moet vooral in de eigen gemeente gerealiseerd worden. Spannen we ons daarvoor in, met offers aan beide zijden, dan geschiedt misschien het wonder dat achteraf gezegd kan worden dat door ons optreden de kerkelijke verdeeldheid niet nog groter geworden is. Natuurlijk sluit ik niet uit dat ook een plaatselijke gemeente door dwaalleer (waartegen in bijna alle brieven van het Nieuwe Testament gewaarschuwd wordt!) uiteengescheurd wordt en het broederlijke gesprek dus niet helpt en vastloopt, maar alles wat ik hier en nu zeg heeft tot vooronderstelling dat we het over het Christusgeheimenis met elkaar eens zijn.
Ik heb het dus over scheuringen als die tussen vrijgemaakt en nederlands gereformeerd. Als op die twee kerkverbanden I Korintiërs 1 wordt toegepast, dan heb ik de neiging om te vragen: Had je dat nu niet eens wat eerder kunnen bedenken en aan de vechtende gemeentes van de zestiger jaren voor kunnen houden? Want intussen hebben zich eigen tradities en nestgeuren ontwikkeld, wat maakt dat in gescheiden optrekken berust moet worden.
Open gesprek
14. De moed dus tot open gesprek op het lokale vlak. Maar dat is het nu juist: Wij denken te gauw dat het evangelie tussen ons instaat en dat wij elkaar om 's Heren wil moeten loslaten.
Dat doen we dan ook. Dan komen we een eindje verder in de tijd, zijn het probleem waarover het ging eigenlijk al weer vergeten (wat was de veronderstelde wedergeboorte ook al weer?) en konstateren dan dat Christus niet tussen ons instaat. En dus moet er dan weer eenheid komen die we vervolgens toch niet meer bereiken.
Wie helpt ons toch eens bij de kunst om verschillen op de goede wijze te relativeren, zonder dat we onverschil-
lig worden?! Het is daarom dat ik ooit in ander verband mijn nek heb uitgestoken door voor te stellen met het schriftgezag een paar stapjes achteruit te gaan. Wij laden verschillen veel te gauw op met de laatste ernst.
Meestal overvragen wij de bijbel daarbij schromelijk en zien we aan het gedateerde van vele van zijn uitspraken voorbij. 'De Schrift rechter in alle verschillen', zoals men vroeger wel zei? Deze spreuk is er voor een belangrijk deel de oorzaak van dat er zoveel kerken zijn. Ongedaan te maken is dat niet meer, maar bij een veranderde opstelling zou misschien voor de toekomst veel van dien aard voorkomen kunnen worden.
15. Tegenover mijn hervormd-gereformeerde broeders en zusters met wie ik overigens diep eensgeestes en in Christus verbonden ben, zou ik wel eens kwijt willen dat hun gekat op de Doleantie mij verveelt. De Afscheiding komt er bij hen veel gunstiger af dan de Doleantie, maar is dat terecht? Bij de profeet Amos viel het me ooit op dat hij eigenlijk beide gedachten hanteert, die van de Doleantie en die van de Afscheiding, als ik dat voor een ogenblik zo anachronistisch mag zeggen.
De profeet zegt in hfst 9:8: "Zie de ogen des HEREN zijn tegen het zondige koninkrijk en Ik zal het verdelgen van de aardbodem. Evenwel zal Ik het huis Jakobs niet geheel en al verdelgen, luidt het woord des HEREN." Hier zie je dat de profeet in de Geest (de rest van) het huis van Jakob vanonder de zondige organisatie (het juk van Jerobeam) vandaan zou willen halen. Is dat niet in de geest van Abraham Kuyper, die dat met de gemeente onder het synodale juk geprobeerd heeft? Maar in de verzen 9 en 10 gaat het over de uitzifting van de zondaars uit het volk van God.
Daar zit meer de afscheidingsgedachte achter. (Wel vaker komt het bij de profeten voor dat het ene heilshandelen van de Here God tot redding van zijn verscheurde en ontredderde volk op verschillende wijzen onder woorden wordt gebracht die op het eerste gezicht niet zo goed met elkaar te rijmen vallen. Zie bijvoorbeeld Jesaja 27:12 en 13 en Micha 5:6 en 7.) Als iemand nu zou willen zeggen dat het bij Amos toch in beide gevallen de Here God zelf is die deze veiligstelling van het ware Israël moet bewerkstelligen en dat Kuyper daar te doenerig aan voorbij is gegaan, dan is mijn antwoord dat het laatste toch meer een eigen werk des Heren is dan het eerste. Voor het eerste kan Hij mensen inschakelen, voor het laatste is zijn Geest de enige uitvoerder. Kuyper en de Gereformeerde Bond zijn het toch hierin met elkaar eens dat zij beiden in de Hervormde kerk de gemeente des Heren zien die nadrukkelijk van de organisatie onderscheiden moet worden. Die mooie overeenstemming zou wel eens wat meer nadruk mogen krijgen.
De Ned. Geref. kerken 16. Wat betreft de Nederlands Gereformeerde kerken waartoe ik behoor, het liefst zie ik die als een soort postilIon d'amour tussen de andere, verwante kerken in. Wij trachten de grenzen van de eigen organisatie zo veel mogelijk te relativeren, bezoeken gemakkelijk naast de eigen diensten die van verwante gemeentes, hebben een minimum aan tradities en kunnen daardoor nog wel eens wat experimenteren.
Tegelijk is er een goede feeling voor de hoofdzaak van het geloof, al liggen wij hier en daar te raap voor dwaalleer - ook wel door gebrek aan theologisch vermogen.
Doordat wij klein zijn kunnen wij ons de weelde veroorloven geen macht na te streven, maar de keerzijde hiervan is dat er weinig naar ons geluisterd wordt. Wij werpen geen enkel gewicht in de schaal. Toch heeft dat doorvliegen onder de radar van de publiciteit ook weer zijn voordelen. We kunnen nog wel eens rustigjes iets uitdokteren zonder op de populistische toer te gaan. Maar als nu iemand tegenwerpt dat dit toch meer een wensbeeld van mij is dan een getrouwe weergave van de werkelijkheid, dan kan ik hem voor wat verschillende van de genoemde punten betreft niet tegenspreken. Verder voel ik persoonlijk niets voor eenwording van de kleine oekumene. Wel bezoek ik de bijen komsten van het Gereformeerd Appèl regelmatig, maar dat doe ik om mijn VGK- en CGKbroeders en zusters niet helemaal uit het oog te verliezen. Een goede verhouding met hen gaat mij zeer ter harte. Ook wil ik door mijn aanwezigheid daar de verwante kerken eraan herinneren dat de Nederlands gereformeerden weliswaar een grote ver- scheidenheid kennen maar dat ze er niet voor voelen om terwille van een eenheid met anderen uit elkaar gespeeld te worden. Het is overigens terecht dat men ons, verwante kerken, onder de ene noemer van de Kleine Oekumene brengt. Maar het gesprek (bijvoorbeeld in de pers) vind ik eerlijker wanneer wij gescheiden blijven leven dan wanneer wij één zouden zijn. Nu gaat het nog wel eens ergens over, maar waren wij één, dan zou om de lieve vrede wil geen enkele echte diskussie meer van de grond komen.
En een open gesprek over de vraag: Hoe nu verder? lijkt mij in deze tijd van sekularisatie geen overbodige luxe. Laat elke kerk, laat iedere gemeente daar in eigen kring serieus mee bezig zijn. Voor mij heeft dat prioriteit op het streven naar organisatorische eenheid. Sterker nog, er valt voordeel te puren uit het op zichzelf betreurenswaardige feit dat we gescheiden zijn. Ik denk daarbij aan het opmerkelijke woord van de Duitse wijsgeer-dichter Schiller: Wenn ihr im Suchen euch trennt, wird erst die Wahrheit erkannt. Tenslotte hoop en bid ik dat de kerk waartoe ik behoor geen spelbreekster zal zijn bij het kerkvergaderend werk van onze Verlosser