Over de historiciteit van bijbelverhalen (3)

1997-09-19
  • Jaargang 41
  • nummer 19
De bijbelschrijvers ‘doen’ iets met de historie waarover zij berichten. In het vorige artikel werd daarvan een voorbeeld gegeven. Maar ook werd de vraag gesteld, hoe ver dat nu gaat, hun ‘invulling’ of zelfs ‘vervorming’ van de feiten. Daarover meer in dit artikel.

Verder gaan dan Bavinck
Toen Herman Bavinck in 1895 zich aansloot bij de opvatting, dat de bijbelschrijvers historische feiten altijd in het kader van een specifieke boodschap voor hun lezers vertellen, maakte hij met zoveel woorden ruimte voor het onderscheid tussen het feit dat heeft plaats gevonden en de vorm waarin het voorgesteld wordt. Dat is een belangrijke stap geweest: hij heeft daarmee te kennen gegeven dat de spanning tussen 'verhaal' en 'feit', die de twintigste eeuwse theologie zo bezig zou houden, in elk geval serieus genomen moet worden. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat Bavinck zelf zeer terughoudend geweest is in het uitwerken van zijn opmerking. Men zal bij hem tevergeefs zoeken naar suggesties, als zou bijvoorbeeld de geschiedenis van de zondeval niet letterlijk zo hebben plaatsgevonden als in Genesis 3 beschreven wordt. Hij toont er zich beducht voor de betrouwbaarheid van de bijbelse geschiedschrijving aan te tasten. Tegelijk erkent hij dat die geschiedschrijving een eigen karakter heeft, en daarom niet gemeten mag worden aan de maatstaven van de moderne geschiedeniswetenschap.
Zo 'zig-zagt' Bavinck wat (de term is van Jan Veenhof), vanuit zijn vaste voornemen om tussen de klippen door te zeilen.
Niettemin: door te erkennen dat er een spanningsveld ligt, heeft hij de weg gebaand voor een manier van bijbellezen waarbij de moeite met strikt letterlijke interpretaties van bijbelverhalen niet wordt weggepraat. En wat geeft die letterlijke interpretatie niet vaak moeite! Menige bijbellezer heeft zich al afgevraagd waar Kaïn zijn vrouw vandaan haalde, en of Noach van de vogels nu één paar (Genesis 6:20) of zeven paar (Genesis 7:3) in de ark opnam, en hoe het kan dat Saul niet wist van wie David een zoon was (I Samuël 17:55), terwijl de koning hem toch zelf bij Isaï had laten halen om hem met zijn citerspel te dienen (I Samuël 16:19) - enzovoorts. Vaak werden die vragen weggewuifd, of werd geprobeerd de rimpels in de tekst glad te strijken. Een goed voorbeeld van dat laatste is de moeite die prof.dr. J. van Bruggen zich heeft getroost om aan te tonen dat de vier evangelisten elkaar slechts in schijn tegenspreken in hun berichtgeving over de opstanding van Christus. Terwijl Bavinck in 1895 nog vaststelde, dat hun verslagen 'ver van eensluidend' zijn, schrijft Van Bruggen in 1987: "Het valt nogal wat mee met die zogenaamde aperte tegenspraak tussen de evangeliën" (Christus op aarde, 234v). In een vernuftig betoog 'reconstrueert' hij vervolgens vanuit de vier verschillende berichten het precieze verloop van de gebeurtenissen op die eerste dag van de week. Hij doet dat op zo'n manier, dat het verslag van elke evangelist er op past.
Maar wat is de prijs die Van Bruggen voor deze harmonisatie moet betalen hoog! Want het doet allemaal zo gekunsteld en gewrongen en zo weinig voor de hand liggend aan. Als men niet de dogmatische noodzaak zag om die vier verschillende berichten tot in detail historisch betrouwbaar te achten, zou men er toch nooit warm voor lopen om ze zo geforceerd met elkaar in overeenstemming te brengen? Naar mijn mening moeten we het dan ook omdraaien: kom vanuit de constatering, dat de bijbelschrijvers in hun historische berichtgeving soms grote vragen oproepen, tot de erkenning dat ze 'vrijer' met hun materiaal omgaan dan we gedacht hadden. Op die manier maak je ernst met dat eigen karakter van de bijbelse geschiedschrijving, waar Bavinck reeds aandacht voor vroeg. Waar Bavinck zelf nog terughoudend was met het trekken van consequenties uit die opvatting, zouden wij misschien meer en vaker dan hij deed moeten signaleren, dat de bijbel schrijvers ter wille van hun boodschap de gebeurtenissen waarover zij berichten op een bepaalde manier inkleden en stileren. Het zou jammer zijn als de bijbeluitleggers in onze kring die stap voorwaarts niet zouden durven zetten, of zelfs terug zouden gaan achter de positie van Bavinck. Doe ik prof. Van Bruggen onrecht wanneer ik het vermoeden uitspreek dat dat laatste bij hem het geval is? In elk geval zie ik meer heil in de weg die is ingeslagen door de oud-testamentici wijlen prof. dr. B.J. Oosterhoff (in leven hoogleraar aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken) en drs. H. de Jong. Hoezeer zij bijbeluitleggers zijn, die moedig de lijnen hebben doorgetrokken waartoe Bavinck de aanzetten heeft gegeven, moge blijken uit het onderstaande.

Assen 1926
In 1972 heeft prof. Oosterhoff een boek geschreven dat hij de titel meegaf Hoe lezen wij Genesis 2 en 3?
Hij beschrijft daarin, hoe hij van lieverlee moeite kreeg met de uitspraak die de synode van Assen van de Gereformeerde kerken in 1926 had gedaan over de vraag, hoe de eerste hoofdstukken van de bijbel moeten worden gelezen. Assen had onder andere gezegd, "dat de boom der kennis des goeds en kwaads, de slang en haar spreken, en de boom des levens naar de klaarblijkelijke bedoeling van het Schriftverhaal van Genesis 2 en 3 in eigenlijken of letterlijken zin zijn op te vatten, en dus zintuiglijk waarneembare werkelijkheden waren". Met andere woorden: het was een echte slang die daar sprak, en het was een echte boom waarvan Adam en Eva gegeten hebben. Hoe komt het nu dat Oosterhoff moeite heeft gekregen met die opvatting? Hij verklaart nadrukkelijk, dat er geen sprake van is dat hij tot het gevoelen zou zijn gekomen dat de zondeval "niet echt gebeurd" zou zijn (blz. 10). Zo wijst hij de gedachte af, dat de natuurwetenschap ons zou dwingen om aan Genesis 2 en 3 het historisch karakter te ontzeggen. Dan zou de natuurwetenschap uitmaken wat de bedoeling is van de bijbel, en dat is een kant die Oosterhoft niet op wil (43, 52, 234). Hij bepleit juist een uitleg van de bijbel die recht doet aan "het eigen bedoelen van de Schrift" (13). Zo is het bfjbelonderzoek geweest, waardoor Oosterhoft de uitspraak van Assen niet meer voor zijn rekening kon nemen. Hij kwam tot het inzicht, dat Genesis 2 en 3 weliswaar geschiedenis schrijven, maar dan op een heel eigen, profetische manier. Zoals de profeten symbolen gebruiken om de voortgaande heilsgeschiedenis uit te beelden, zo heeft ook de schrijver van Genesis 2 en 3 een symbolische beschrijving gegeven van de werkelijkheid van de zondeval. "De levensboom, de slang en de cherubs waren voor de mens in de tijd, waarin het paradijsverhaal geschreven werd, zaken uit hun denk- en voorstellingswereld." (215) Een letterlijke verklaring van die hoofdstukken doet aan die profetisch/symbolische benadering geen recht. Oosterhoff zelf besteedt een groot gedeelte van zijn boek aan een zorgvuldig onderzoek naar de betekenis van al die symboliek. Daardoor weet hij op een verrassende manier de zeggingskracht van Genesis 2 en 3 op de lezer over te brengen.
Menigeen die zijn schouders ophaalde over die 'sprookjesachtige' verhalen en er bij een 'letterlijke' uitleg allerminst door geboeid werd, heeft juist door die symbolische opvatting een nieuw respect gekregen voor de openingshoofdstukken van de bijbel.
Ziedaar de vrucht van een uitleg, waarbij wordt onderkend dat de boodschap dikwijls invloed uitoefent op de wijze, waarop de feiten worden meegedeeld (193). Ogenschijnlijk verwijdert Oosterhoft zich van datgene wat er 'echt' gebeurd is. In werkelijkheidbrengt hij daardoor juist de betekenis van de gebeurtenissen tot gelding.

Kaïn en Kaïn
Ook drs H. de Jong heeft zijn licht laten schijnen over de eerste hoofdstukken van Genesis. Hij schrijft er onder andere over in twee artikelen die twintig jaar geleden (!) verschenen in de nrs 5 en 6 van de 21 e jaargang van Opbouw. Ook hij is van mening, dat de bijbel wel degelijk ten doel heeft historische berichtgeving te doen in zijn beginhoofdstukken, maar net als Oosterhoft heeft hij oog voor wat hij noemt "het eigenaardige karakter van de bijbelse werkelijkheidsopvatting". Hij leest Genesis 1-11 "als een profetisch commentaar op feitelijke gegevens die door de traditie aangereikt zijn geworden" (42).
De Jong maakt dat onder andere concreet in zijn uitleg van Genesis 4, de geschiedenis van Kaïn en Abel. Hij gaat ervan uit, dat daarin inderdaad geschiedenis verteld wordt, en wel die _van de doorwerking van de zondeval in de verhouding van de mens tot zijn broeder. Tegelijk wijst hij op symbolische trekjes in de vertelling. Zo betekent de naam 'Abel' zoiets als 'Miezer' of 'Kortlever' , en dat lijkt niet een naam die de bewuste zoon van Adam echt gedragen zal hebben. Verder herinnert hij eraan, dat Numeri 24:21 v een Kaïn kent die de voorvader is van de Kenieten, een berucht woestijnvolk.
Deze Kaïn kan onmogelijk dezelfde zijn als die van Genesis 4, omdat niemand van het nageslacht van de kinderen van Adam de zondvloed overleefd heeft, behalve Noach en de zijnen. De Jong oppert nu, dat de verteller van de geschiedenis van de oertijd Adams zoon Kaïn de trekken laat dragen van die andere Kaïn, de voorvader van de moorddadige Kenieten. Mij dunkt, dat is een waardevolle suggestie. Want daarmee zou licht vallen op het opmerkelijke gegeven, dat in Genesis 4 sprake is van mensen, onder wie Kaïn het bestaan zou lijden van een zwerver en een vluchteling. Steeds weer vragen aandachtige bijbellezers waar die mensen toch vandaan komen. In de lijn van De Jong zou het antwoord zijn: hier stuit je op een trekje van de geschiedenis van die Kaïn die pas eeuwen later op het toneel verscheen. Het drama van de oertijd, dat in Genesis 4 echt als geschiedenis beschreven wordt, is dan als het ware 'ingevuld' met historisch materiaal uit later tijd. Natuurlijk stelt De Jong zichzelf de vraag, of daarmee de historische betrouwbaarheid van de geschiedenis van Genesis 4 niet in het geding komt. Zijn antwoord toont frappante overeenkomst met de opvatting van Oosterhoft: "Ik geloof ... dat op de wijze waarop de Bijbel vertelt, aan de werkelijkheid ten volle recht wordt gedaan, nog meer dan wanneer we een precies verslag zouden bezitten van wat er zich in die oertijd zintuiglijk waarneembaar toegedragen heeft." (43)

Houvast
Onmiskenbaar voltrekt zich bij Oosterhoft en De Jong de verschuiving, waarvan in het vorige artikel sprake was: het licht valt niet enkel meer op de eigenlijke toedracht, maar ook op de inkleuring daarvan door de bijbelschrijvers.
Het is dan ook niet toevallig, dat zowel Oosterhoff als De Jong zich keert tegen de idee van 'mechanische' inspiratie. Beide maken zij ernst met de strekking van de leer van de organische inspiratie: de persoonlijkheid en het inzicht van de bijbelschrijvers spelen volop mee in hun boekstaving van Gods boodschap. Juist daardoor kan Bavincks onderscheid tussen 'feit' en 'vorm' bij Oosterhoff en De Jong zo'n duidelijke rol gaan spelen. Wel heeft dat bij sommige bijbellezers gevoelens van onzeonzekerheid en onveiligheid opgeroepen. Want als de dingen zo gaan schuiven, als dingen waarvan we altijd gedacht hadden dat ze 'echt gebeurd' waren nu voor 'inkleding' worden gehouden, waar zijn we dan aan toe met de bijbel? Wat houden we dan aan vastigheid over? Dat is een vraag die niet serieus genoeg kan worden genomen. Wie zou het durven verantwoorden, christenen hun houvast te ontnemen, juist in een tijd van zoveel twijfel en verwarring als de onze? Maar zou het ook kunnen zijn, dat de benadering van oudtestamentici als Oosterhoft en De Jong juist het vinden van houvast bevordert? Maken zij de pretentie niet waar, dat het bijbelwoord eerder sterker dan zwakker te voorschijn komt, wanneer wordt onderscheiden tussen dat wat er gebeurd is en de inkleuring van de gebeurtenissen door de bijbelschrijver?
Want juist de letterlijke interpretatie van die inkleuring, als zou zij een exact verslag van de feiten zijn, stelt vaak voor zoveel vragen. Het is ook bijna altijd de bijbeltekst zelf die er aanleiding toe geeft om de inkleuring als inkleuring te gaan herkennen. En zolang men maar de wisselwerking tussen 'feit' en 'verhaal' in tact laat, is er geen sprake van dat alles gaat schuiven en dat men zijn houvast verliest. Waar het om gaat is immers, dat de bijbelschrijvers er met hun inkleuring niet iets bij 'verzinnen', maar het profiel doen uitkomen van de geschiedenis waarover zij berichten. Aan de bijbelse geschiedenis wordt niet gewrikt. Wat die geschiedenis te zéggen heeft, dat wordt juist scherper geaccentueerd door de ontdekking dat zij op een bepaalde manier gestileerd is. Zeker, het wordt ingewikkelder als we moeten erkennen dat de bijbelschrijvers vrijer met hun 'historische materiaal' omgaan dan we gedacht hadden. Maar het werkt ook verrijkend, omdat we daardoor meer oog kunnen krijgen voor de unieke, typisch bijbelse manier van geschiedschrijving.
Je zou samenvattend kunnen zeggen: de bijbel doet aan verkondigende geschiedschrijving. De kunst is en blijft, om die twee woorden naast elkaar en aan elkaar verbonden te laten staan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief