Geef wat Gij beveelt!

1997-01-24
  • Jaargang 41
  • nummer 2
Het is een opmerkelijk woord uit Psalm 27 dat we nu voor ons genomen hebben. Je kunt er raar tegenaan kijken: Wat stáát daar nu toch? "Van Uwentwege zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezicht"? De Statenvertaling, heeft het nog sterker (en ook juister!): "Tot U zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezicht".

Als je over zo'n zin nadenkt (Hoe vaak doen we dat? Dat we over zinnen met bekende klanken goed nadenken?) dan moet je toch haast zeggen dat dit ongerijmd, dat dit de omgekeerde wereld is?
Logischer immers zou het zijn als er stond: "Gij (oGod) zegt tot mijn hart: Zoekt mijn aangezicht'. En dan zou hier dus te lezen staan dat de Heilige tot mij zo goed als tot alle mensen (het meervoud zoekt wordt gebruikt!) de oproep laat uitgaan dat we Hem moeten zoeken, dat we uit moeten gaan tot de ontmoeting met Hem. De persoonlijke ontmoeting, wel te verstaan, want dat is de betekenis van het aangezicht. De hele bijbel, kunnen wij zeggen, staat vol van die oproep. Maar hier in dit psalmwoord staat het dus omgekeerd, dat mijn hart tot de Here God zegt: Zoekt mijn aangezicht.
Dat kan toch niet? Daar is toch geen zinnige betekenis aan te verbinden?
Het is toch alleen God zelf die kan zeggen: Zoekt mijn aangezicht?
Het is dan ook geen wonder dat velen gedacht hebben aan een fout in de tekstoverlevering. De bijbel is nu eenmaal in vroeger tijd door vele, vele handen gegaan en is van generatie op generatie overgeschreven. Daar zijn natuurlijk fouten bij gemaakt. Als u zag hoeveel, dan zou u schrikken. Dat is een schrik waar alle beginnende theologen doorheen moeten, zoals alle beginnende artsen bij de ziekten leer heen moeten door de gedachte dat ze van alles mankeren. Dat valt bij nader toezien wel mee, met die ziektes zowel als met dat tekstbederf. Voor het overgrote deel gaat het in de oude handschriften van de bijbel om spellingsfoutjes. Maar soms loopt er iets serieuzers tussendoor.
En zo heeft men dus ook bij dit psalmwoord aan een vergissing van de overschrijvers gedacht. Toch moet je daar voorzichtig mee zijn. Je kunt bij álles wat opvallend en ongewoon is wel gaan denken dat het een verschrijving van deze of gene is. Dan duurt het niet lang meer of je schrijft als uitlegger je eigen bijbel. De bijbel is een heel bijzonder boek. Daar staan een hoop onverwachte dingen in. En dat onverwachte en ongedachte, dat moet je een kans geven. En aan God die de eigenlijke ingever van de bijbel is, vragen of wat er staat je duidelijk mag worden.
Daarom moet de uitlegger een biddend mens zijn. Het kan niet zonder, zeg ik uit eigen ervaring.
Wat staat hier dan en hoe lezen wij?
Nu, die omkering waar ik het over had, die is opzettelijk. Inderdaad, het is waar dat het God de Here is die tegen ons mensen gezegd heeft en zegt: Zoekt mijn aangezicht! Onze dichter kent die oproep. Hij beaamt hem ook van binnen.
Dat is de reden dat hij over zijn hart spreekt en dat hij in de laatste regel van ons vers zegt: "Ik zoek uw aangezicht, HERE..." Met zijn hart erkent hij, dat wil zeggen: hartelijk beaamt hij dat de Here met die oproep gelijk heeft, in zijn recht staat. Zijn verlangen gaat er ook naar uit dat hij de Here ontmoeten mag. Hij laat het zich daarom zeggen. Maar wat doet hij nu in dat vreemde tekstwoord? Wel, hij kaatst biddend die oproep van God naar God terug: "Tot U zegt mijn hart: Zoekt mijn aangezichf'. Gij hebt het weliswaar eerst tot mijn hart gezegd, maar nu zegt mijn hart het tot U. Nu breng ik die oproep van U bij U terug.
Dus: Met wat hij als gebod van God verstaan heeft en hartelijk beaamd heeft, gaat hij nu in het gebed naar de Here terug. Geef wat Gij beveelt, Here!, zegt hij daarmee. Dit is naar de kerkvader Augustinus die dat gebed ook kende: Da quod iubes et iube quos vis, Geef, Here, wat Gij beveelt en beveel dan maar wat Gij wilt!
Want hoe arm zouden wij zijn als wij van de Here niets anders kenden dan zijn oproep om Hem te zoeken! Zouden wij Hem dan wel vinden? Staan we daarvoor onszelf niet teveel in de weg?
Zitten wij daarvoor niet tezeer in de windsels van ons eigen ik verstrengeld?
Gelukkig doet de Here meer dan dat Hij ons oproept Hem te zoeken. Hij laat zich ook vinden. "Zoekt de HERE terwijl Hij zich laat vinden en roept Hem aanterwijl Hij nabij is", zegt de profeet Jesaja (55:6). Daar hebben wij het woord vindenstijd vandaan. Het is vindenstijd, wij leven in het heden der genade, de Here heeft zichzelf aan ons geopenbaard. Dat er dan toch van een zoeken van Hem blijft gesproken worden, door heel de bijbel heen, dat komt door onszelf. "Uw ongerechtigheden zijn het die scheiding brengen tussen u en uw God en uw zonden zijn het die zijn aangezicht voor u verborgen houden", zegt dezelfde Jesaja verderop (Jesaja 59:2). Zo staat het met ons.
Maar wat de Here zelf betreft, Hij speelt geen verstoppertje met ons, in tegendeel, "Hij verlangt ernaar u genadig te zijn", om de profeet Jesaja voor de derde maal aan te halen (Jesaja 30:18).
En dáár doet nu de psalmist een beroep op. Hij geeft het gebod om Gods aangezicht te zoeken in het gebed terug aan de Here, met de vraag: Doe er uw Geest bij, Here God, doe er uw Geest bij! Laat ons met het gebod niet alleen! Spreek het niet alleen vanaf de Sinaï, maar herhaal het op Pinksteren!
En mèt dat de psalmist zo bidt om Gods Geest, voelt hij zich ook verhoord en gaat hij meteen in groot geloofsvertrouwen verder: "Ik zoek uw aangezicht, HERE. Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uw knecht niet af in toorn. Gij waart mijn hulp..." Als wij het gebod in het gebed aan God teruggeven, dan laat de Here ons niet met lege handen staan. Dan schiet Hij te hulp. Zoekt mijn aangezicht!, zegt de Here God, verlangt en tracht naar de persoonlijke ontmoeting met Mij! Daarin is de vervulling van je leven gelegen. Maar wat Hij zo beveelt, dat geeft Hij ook. Moge Hij het geven! Eerst bevelen en dan geven, ook in deze avondmaalsdienst!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief