Gods heerlijkheid zien
1997-01-24
Een discussie in het NBG-blad 'Met andere woorden' over de betekenis van doxa in het NT met als uitgangspunten Joh. 5,41 vlgg. en Joh. 1,14 (1) bracht mij ertoe nog eens nader aandacht te schenken aan de in laatstgenoemde tekst voorkomende uitdrukking 'Jezus' heerlijkheid zien'. zulks mede in verband met de verrassende stelling van Johannes in 12,41, dat ook Jesaja Jezus' heerlijkheid had gezien. - Jaargang 41
- nummer 2
Oudtestamentische wortels
De schrijvers van het artikel dat mijn tegenspraak uitlokte hebben nl. - afgezien van de filologische onhoudbaarheid van hun interpretaties - kennelijk ook niet bedacht, dat het gebruik van doxa in het NT zijn wortels heeft in het OT; en dat dit in het bijzonder ook geldt van de uitdrukking doxan theou theasthai of doxan theou horan (2)(= Gods heerlijkheid zien). Deze verbinding vinden we nl. in de Septuagint (LXX), d.i. de griekse vertaling van het OT, een heel aantal keren.
Ik begin met Lev. 9,6. Mozes geeft daar aan Aäron de opdracht bepaalde offerdieren te nemen en ze te brengen voor het aangezicht van Jahwe (v. 2).
Verder moet Aäron de Israelieten instructies geven voor een offer van een bepaalde samenstelling met de motivering "want heden zal u Jahwe verschijnen" (v. 4). In de Septuagint (LXX), de griekse vertaling van het OT, heet het: "zal de Heer zich onder u laten zied'. Mozes' bevel wordt uitgevoerd; en zo staat dan de hele vergadering voor het aangezicht van Jahwe (v. 5). Dan zegt Mozes tegen hen: "Dit is het wat Jahwe u geboden heeft te doen, opdat de heerlijkheid van Jahwe u verschijne" (v. 6). In de LXX heet het: "Voert dit bevel dat de Heer gaf uit; dan zal de heerlijkheid van den Heer zich onder u laten zien'.
Vergelijken we dit slot van v. 6 met het slot van v. 4, dan zien we, dat afwisselend sprake is van 'het zich laten zien van Jahwe' èn 'het zich laten zien van Jahwe's heerlijkheid'. Als Jahwe Israel onder ogen komt, dan komt zijn heerlijkheid, zijn luister hun onder ogen; dan laat Hij zich - anders gezegdzien in zijn heerlijkheid (majesteit).
(Ook die laatste wijze van zeggen vinden we wel in het OT: "want de Heer zal Sion bouwen en zich laten zien in zijn heerlijkheid (luister)", Ps. 102,17 (LXX)(3).) Wat dat concreet inhoudt, zien we in v. 23. Daar laat dan, zoals was, de heerlijkheid van Jahwe zich zien aan heel het volk. Wat er dan gebeurt? "Er ging een vuur uit van Jahwe en verteerde op het altaar het brandoffer en de vetstukken"; vgl. Richt. 6,21 en 1 Kon. 18,38. Jahwe's heerlijkheid (luister, majesteit) wordt voor de Israelieten zichtbaar in het vuur dat van Hem uitgaat om hun offer te verteren (en het daarmee van hen te aanvaarden).
Als Jahwe zich hier laat zien, dan houdt dat machtsvertoon van zijn kant in.
Tekenen
Datzelfde zien we ook in Ex. 16. Als daar de heerlijkheid van Jahwe zich laat zien (v. 10), dan is er sprake van meer dan zijn staatsiemantel (een wolk)(4); dan antwoordt Hij zijn mopperend volk ook door machtsvertoon: het sturen van kwakkels en - de volgende morgen - het laten neerkomen van manna.
Het zijn deze tekenen van Jahwe's machtig ingrijpen ten behoeve van zijn volk die we ook elders ontmoeten, als er sprake is van 'het zien van Jahwe's heerlijkheid. Als na het rapport van de verspieders het gros van de Israelieten geen vertrouwen meer heeft, dat Jahwe hen de Kanaänieten zal doen verslaan, zegt Jahwe: "Geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb... zal het land zien dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb" (Num. 14,22).
Die 'heerlijkheid' en die 'tekenen' zijn niet twee afzonderlijke groothedenzoals het 'en' zou kunnen doen vermoeden -; nee, die tekenen zijn het zichtbare blijk van Gods heerlijkheid(5) In die tekenen kregen de Israelieten Gods heerlijkheid, zijn souvereine macht, te zien.
Bij Jesaja zien wij hetzelfde. Als daar gezegd wordt: "zij zullen(6)aanschouwen de heerlijkheid van Jahwe" (35,2), dan wordt dit in de verzen 4-7 zo uitgewerkt: "zie, uw God zal komen met wraak, met de vergelding Gods; Hij zal komen en Hij zal u verlossen. Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; dan zal de lamme springen als een hert en de tong van den stomme zal jubelen; want in de woestijn zullen wateren ontspringen en beken in de steppe, en het gloeiende zand zal tot een plas worden en het dorstige land tot waterbronnen; waar de jakhalzen verblijven en legeren, zal gras met riet en biezen zijn". En wie denkt hier niet terug aan de wonderen tijdens de woestijntocht, en vooruit aan de wonderen die Jezus deed? Evenzo in hoofdstuk 40: "En de heerlijkheid van den Heer zal zich laten zien" (v. 5); dat wil zeggen: "zie, de Heer zal komen met kracht en zijn arm zal heerschappij oefenen" (v. 10). Gods heerlijkheid zien wil zoveel zeggen als: God krachtdadig zien optreden. Niet anders in 66,18: alle volken "zullen komen en mijn heerlijkheid zien. Ik zal onder hen een teken doen...". En als daar even verder (v. 19) nog sprake is van "de verre kustlanden die de tijding aangaande Mij niet hebben gehoord noch mijn heerlijkheid hebben gezien", dan vindt men daar in een van de handschriften van de LXX vóór 'mijn heerlijkheid' de toevoeging 'mijn daden en'.
Een overbodige toevoeging weliswaar, die echter verstaan zal moeten worden als uitleg van 'mijn heerlijkheid', en als zodanig juist is.
Jezus bekleed met de macht van zijn Vader
Vanuit dit spraakgebruik zullen we Joh. 1,14 moeten verstaan. De leerlingen hebben "Jezus' heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als die welke een enig zoon van zijn vader krijgt".
D.w.z. zij hebben gezien, dat Jezus, als enig zoon en dus universeel erfgenaam, de volle heerlijkheid, de volle so.uvereine macht van zijn Vader meekreeg (vgl. 3,35!). Aansluitend bij deze woorden van zijn proloog schrijft Johannes dan ook, nadat Jezus zijn eerste wonder had verricht: "Dit deed Jezus als begin van zijn tekenen in Kana in Galilea, en (daarin) liet Hij zijn heerlijkheid zichtbaar wordert" (2,11).
De keerzijde
We vonden hierboven voorbeelden van het zichtbaar worden van Gods heerlijkheid in zijn machtig ingrijpen ten gunste van zijn volk en ter vernietiging van zijn en hun vijanden. Betekende dáár het zien van Gods heerlijkheid een bedreiging voor Israels vijanden, evenzeer kan dat in andere situaties voor Israel zélf bedreigend zijn.
Ik denk hier aan Num. 16,19-21: "Toen Korach de gehele aanhang bij de ingang van de tent der samenkomst tegen hen had bijeengebracht, liet de heerlijkheid van den Heer zich zien aan de gehele vergadering. En Jahweh sprak tot Mozes en Aäron: 'Scheidt u af van deze vergadering, opdat Ik haar in één oogwenk vertere"'.
Hier bedreigt de souvereine macht van Jahwe, zijn geducht ingrijpen, niet Israels vijanden, maar zijn eigen volk; en dat vanwege hun ongehoorzaamheid en opstandigheid. Een herhaling van dit gebeuren vindt de volgende dag plaats: 16,41-50.
En hier krijgen we nu naar mijn indruk de sleutel in handen voor het verstaan van Joh. 12,41.
De vertaling
Laten we eerst even de vertaling van dit vers vaststellen. Het NBG geeft het als volgt weer: "Dit zeide Jesaja, omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak". Deze vertalers laten, gezien de woordorde, het laatste zinnetje ('van Hem sprak') nog afhangen van 'omdat'. Voor hun besef verbindt het voorafgaande 'en' dus 'sprak' met 'zag'. Maar dat lijkt mij niet Johannes' bedoeling. Het 'en' verbindt 'sprak' met 'zeide'. Men moet dan ook vertalen: "Dit zei Jesaja, omdat hij zijn (d.i. Jezus') heerlijkheid gezien had; en hij sprak van Hem (d.i. Jezus)". In die zin vat ook de Groot-Nieuwsvertaling deze tekst op: "Jesaja zei dat omdat hij Jezus' glorie had gezien; over Jezus had hij het". (Een overeenkomstige weergave ook in de friese vertaling.) Met nadruk wil Johannes vaststellen, dat het woord van Jesaja Jezus geldt. Vandaar die herhaling: dit woord van Jesaja was ingegeven door zijn zien van Jezus' heerlijkheid; over Hem had hij het.
Dat dit vers zó moet worden gelezen, wordt aannemelijk gemaakt door een vergelijking met v. 16 uit ditzelfde hoofdstuk. Daar is in v. 15 een woord van Zacharia aangehaald over het komen van Sions koning op een ezelsveulen. Pas na zijn opstanding, zo zegt Johannes, begrepen Jezus' leerlingen, dat dit met het oog op Hem geschreven was, en dat zij dit met Hem gedaan hadden". Hier diezelfde verdubbeling: Zacharia had Hém, Jezus, op het oog, toen hij dit schreef; de door hem genoemde handelinghet plaatsen van den koning op een ezelsveulen - werd aan Hém, Jezus, voltrokken.(7)
Het 'herkennen' van Jezus in het OT
Behalve een formele hebben we daar ook een zakelijke parallel: van een woord van een der oude profeten wordt uitdrukkelijk gesteld: dat gold Jezus.
Dat op Jezus betrekken van oudtestamentische uitspraken moeten wij als legitiem accepteren (zonder daarmee overigens uit te sluiten, dat ze in eerster instantie een ander hebben gegolden).
Immers Jezus zelf gaat ons daarin voor. Zegt Hij niet: "Abraham heeft Mijn dag gezien" (Joh. 8,56)? ('Mijn dag', t.w. de dag van mijn opstanding uit de dood; 'gezien', nl. in de geboorte van Izak uit 'dode' ouders(8).) En vereenzelvigt Hij zich niet met de ik-figuur uit Ps. 22 (Mt. 27,46 e.p.p.)? Ook Paulus volgt Hem op dit spoor, als hij de steenrots waaruit de Israelieten in de woestijn water kregen kort en goed 'Christus' noemt (1 Cor. 10,4). En in verhoogde mate zien we dit den schrijver van de brief aan de Hebreeën doen.
Het opvallende aan ónze tekst is echter wel, dat, terwijl in de andere pas aangehaalde plaatsen Jezus met een figuur uit het OT, of wat met Hem plaatsvindt met een gebeuren uit het OT geïdentificeerd wordt, Hij hier met God wordt geïdentificeerd wordt, Hij hier met God wordt geïdentificeerd.
Jesaja had immers in het visioen van hoofdstuk 6 Góds heerlijkheid gezien.
Deze identificatie is weliswaar in overeenstemming met 1,14: de heerlijkheid van Jezus is de heerlijkheid van den Vader zélf. Maar de heerlijkheid van God die Jesaja daar in de verzen 1-4 te zien krijgt, heeft ditmaal een dreigend karakter, zoals blijkt uit wat daar volgt in v. 5: "Wee mij, ik ga ten onder, want ik ben een man, onrein van lip- pen, en woon te midden van een volk dat onrein van lippen is, - en mijn ogen hebben den Koning, den HEERE der heerscharen gezien" alsmede in v. 10, hier door Johannes aangehaald.
God gaat Israel straffen om zijn volhardend ongeloof "totdat de steden verwoest zijn, zodat er geen inwoner meer is, en de huizen, zodat er geen mens meer in is..." (v. 11). Die beangstigende kant aan het zich laten zien van Gods heerlijkheid ziet Johannes nu, aan het einde van Diens optreden, in Jezus tot zijn volle zwaarte komen.
En zo vormen 1,14 en 12,41 samen een omlijsting van Jezus' optreden, waarin èn de lichte èn de donkere kant van Gods verschijning-in-Hem naar voren komen. Jezus is gesteld tot een opstanding, maar ook tot een val van velen in Israel (Lc. 2,34).
Het eigene van Johannes tegenover de synoptici
Wat de plaats van 12,37 vlgg. binnen het Johannes-evangelie betreft, kan een vergelijking met de synoptici m.i. verhelderend werken.
Wij zijn hier gekomen op het punt waarop Jezus zich voor de schare verbergt (12,36). Wat vóór zijn gevangenneming (hfdst. 18) nu verder nog volgt, speelt zich af in de besloten kring van zijn leerlingen (hfdst. 13-17). Dit correspondeert op het punt waarop Jezus bij Mattheüs tegen de schare zegt: "gij zult Mij van nu aan niet meer zien..." (23,39), om vervolgens aan zijn leerlingen het oordeel over Jeruzalem aan te kondigen (hfdst. 24)(9). (Bij Marcus ligt dit punt aan het eind van hfdst. 12 en bij Lucas in 21,4.) Op het punt dus waar de synoptici Jezus' aankondiging van Jeruzalems toekomstige verwoesting plaatsen, daar heeft Johannes terug gewezen naar Jesaja's aankondiging van Israëls vroegere ondergang. Johannes plaatst Jezus' komend oordeel over de Hem verwerpende stad (Jeruzalem) en het Hem afwijzende volk (Israël) in het perspectief van wat Jezus' Vader oudtijds met Israël en Jeruzalem had gedaan. Een beschrijving van Jeruzalems aanstaande ondergang (in 70) kon Johannes zich gevoeglijk besparen.
Nog niet eens zo zeer omdat die toen wellicht reeds bij de drie synoptici te boek gesteld was(10) maar vooral omdat hij zélf die veel gedtailleerder had gegeven in het eerder - nl. in 67 na Chr.(11) - door hem geschreven boek Openbaring.(12)
Noten
1. Zie 14de jrg. nrs. 1 en 3; 15de jrg. nr. 2. Juist vóór het afronden van dit artikel rolt nr. 4 van jrg. 15 in mijn bus.
Daarin coupeert en recenseert dr. L. van Kampen, een der redacteuren, een tweede artikel van mijn hand, tot het schrijven waarvan ik door de redactie destijds was uitgenodigd. Ik zal over wat zich sindsdien rond deze zaak heeft afgespeeld, hier geen boekje open doen. Evenmin ga ik nu in op wat dr. Van Kampen te berde brengt.
2. In deze verbinding is horan (Zien) in de LXX (de griekse vertaling van het on het meest gebruikelijk. We vinden het ook in Joh. 12,41. Alleen in Tobit 13,14 zien we theasthai (aanschouwen; vaak 'met verbazing zien') gebezigd, evenals dat in Joh. 1,14 gebeurt. Dit laatste werkwoord komt van dezelfde stam als het door ons aan het Grieks ontleende woord 'theater' (schouw-burg). Het te vertalen met 'luisteren naar', zoals de heren Wiegel en Wierenga deden, is eenvoudig ontoelaatbaar.
3. Vgl. ook Jes. 33,17 (LXX): "u zult den Koning zien met luister".
4. Vgl. 2 Macc. 2,8 "de heerlijkheid van den Heer en de wolk zal zich laten zien".
5. Zo (met verklarend 'en') ook 'heerlijkheid' en 'wolk' in de in de vorige noot uit Maccabeeën aangehaalde plaats.
Men lette voorts op de parallelie van Gods heerlijkheid met zijn werken (dat wat Hij doet ter verlossing van zijn volk) in Ps. 90,16. Zo ook in Ps. 145,5 naast elkaar 'de grootsheid van uw heilige luister' en 'uw wonderdaden'.
6. LXX 'mijn volk zal'.
7. Terloops vestig ik er de aandacht op, dat zo ook de slotzin van Joh. 19,24 is te verstaan: wat Ps. 22 zei, dat hebben de soldáten gedaan.
8. Zie mijn artikel De dag van Christus, Opbouw Jrg. 11, blz. 163.
9. Dat het in Mt. 24 enkel over het oordeel over Jeruzalem gaat, en niet over het wereldeinde, heb ik betoogd in De zeven zegelen, Opbouw, jrg. 19, blzz. 330, 338, 346, 354, 362, 370, 378.
10. Algemeen neemt men aan, dat het evangelie van Johannes later is geschreven dan de andere drie.
11. Over deze datering aan de hand van Op. 17,10.11 zie mijn artikel Het beest uit Op. 17, Opbouw, jrg. 37, blzz. 221.222 en 238.239, alsook mijn artikel Ein neuer Schlüsse! zum 17.
Kapltel der johanneïschen Offenbarung, Estudios Biblicos UIl (1995) 387-396.
12. Het lijkt nl. aannemelijk, dat Johannes zijn evangelie later schreef dan zijn Openbaring.