De vogel

1997-01-24
  • Jaargang 41
  • nummer 2
Een vogel groeide op in een kippenhok. "Een van tweeën," was daar het devies, "of je kakelt of je kukelt. Of je speelt de baas, of je legt eieren. Wees er als de kippenbij, anderskom je onderaanin de pikorde."
Hoe het vogeltje ook probeerde, kakelen en kukelen kon ze niet, de baas spelen en eieren leggen evenmin. Dus ze hield haar snavel. Om niet helemaal kaal gepikt te worden, bleef ze niet enkel onhoorbaar maar ook nagenoeg onzichtbaar. Als een piepklein, bang vogeltje schuifelde ze door dat kippenhok.

Op een goede dag (ze was dan wel zo onhoorbaar en onzichtbaar mogelijk, maar ze hoorde en zag alles) kwam ze er achter dat ze vogel was. Ze ontdekte zelfs dat ze klein genoeg was om door het gaas, dat een normale kip tegenhoudt, te kruipen, en ze liep weg. Ze liep naar de vogels en werd opgevangen door een groepje Vrome Vogels die zich liefdevol over haar ontfermden.
Wat heerlijk om geen kip meer te hoeven zijn. Maar na de eerste euforie kwam ze tot een droeve ontdekking: ze was ook geen echte vogel. Vogels vliegen, vogels zingen. Ze deed haar bekje open, en zowaar, het leek meer op zingen dan het ooit op kakelen of kukelen had geleken, maar het was wel een heel zacht en eenvoudig wijsje. Vliegen ging al helemaal niet.
Hoe ze ook hupte en hupte, het leek misschien op dansen, maar op vliegen leek het niet. Ze kwam eenvoudigweg niet van de grond.
De Vrome Vogels zeiden dat het niet gaf. Het deed ze goed het vogeltje voor te zingen en te verwennen met lekkere hapjes. Ze zagen niet hoe het vogeltje snakte naar vrijheid en niet naar betutteling, naar zelfstandigheid, niet naar verwennerij.

Op een dag nam het vogeltje een kloek besluit. Ze ging in opleiding bij de Vrije Vogels. Het was een hele overwinning want die Vrije Vogels deden de gekste dingen: vals zingen, vrije val, op de kop vliegen, door de geluidsbarrière heen vliegen (of dat in ieder geval proberen).
"Wat kom je doen?" vroegen de Vrije Vogels.
"Ik wil leren vliegen en leren zingen," zei het vogeltje vastberaden, "maar ..", voegde ze er kleintjes aan toe, "ik ben wel bang."
"Bravo", kwetterden de Vrije Vogels. "Bang en toch dapper. Daar kunnen we wat mee. Luister goed: Regel één: je bent een vogel, dus je kunt vliegen en zingen.
Het zit in jezelf.
Je hoeft het alleen maar te doen. Regel twee: leder vogeltje zingt zoals het gebekt is; dus zing niemand na. Probeer maar wat.
Alles wat je kunt mag. Alles is goed, al is het vals of gevaarlijk. Een vogel is een vogel en een vogel is goed. Trek je snavel open, sla je vleugels uit. Wij roepen bravo."
Dapper ging het bange vogeltje aan de slag. Zingen ging vrij aardig en ze kreeg al meer noten op haar zang.
Vliegen bleef eng en laag bij de grond.
Toen de opleiding voltooid was, leek het nog niet echt op vliegen. "Geeft niet," zeiden de Vrije Vogels, "gewoon doorgaan met proberen en ver weg blijven bij het kippenhok. Waar was je van plan naar toe te gaan?" "Terug naar de Vrome Vogels," zei het vogeltje in opleiding, "daar waar ik rechtstreeks uit het kippenhok een veilig plekje heb gevonden." "Een veilig plekje ja," zeiden de Vrije Vogels een beetje ironisch, "we weten het niet precies hoor, maar lijken die Vrome Vogels niet erg veel op kippen? Haantje op de toren, mensen die hun ei kwijt moeten. Zo bijziend als wat en altijd iets om op te broeden. Hoogvliegers zijn het ook niet. Ik zou me eens ernstig bezinnen." Ondertussen was de opleiding afgelopen en de Vrije Vogels zwaaiden het vogeltje uit: "Dag hoor, niet bang zijn in de grote wereld, maar wees voorzichtig met de Vromen."
Dat deed het vogeltje en ze begon te twijfelen aan de goede bedoelingen van de Vrome Vogels. Wat deed dat haantje op de toren? "Ik neem het risico niet," zei ze dapper, "ik ga leren vliegen. Zelf. Alleen. Ik kan het wel. Ik zing niet na, ik vlieg niet mee. Ze kunnen opvliegen allemaal." Maar al met al kwam ze maar niet van de grond en waar moest ze heen? Toen zag ze een hoge toren en kreeg een idee. Ze zou op die toren klimmen en springen.
Ze was immers een vogel? Ze had het immers in zich? Ze zou het forceren: vliegen of te pletter vallen. Alles liever dan kip worden. Vliegen of te pletter vallen. Zo liep ze naar de toren.

Maar de Vrome Vogels, die haar nooit uit het oog hadden verloren, kwamen haar achterna gevlogen. "Niet doen, niet doen", riepen ze. "Waarom niet?", vroeg de vogel uitdagend. "Ik heb het in me, ik zal vliegen." "Maar toch niet van die toren meteen?", zongen de Vrome Vogels. "Alles wat kan dat mag", zei de vogel. "Nee, nee," tjilpten de Vrome Vogels, "wij denken toch wel een beetje anders dan de Vrije Vogels. Wij denken dat vliegen gevaarlijk is, bloedlink. Je kunt hoog gaan en diep vallen." "Op de grond blijven dus", schamperde de vogel.
"Nee," riepen de Vrome Vogels, "vliegen met een adelaar eronder. Zo hoog als de adelaar je gaan laat, zo hoog.
Altijd weer terug kunnen vallen op zijn wieken." Toen werd het vogeltje echt boos. Ze sperde haar snavel wijd open en riep: "Stil, stil, stil. Ik ben geen kip, dat hebben ze me altijd goed laten voelen. Ik ben ook geen echte Vrome Vogel, ik voel het in mijn lijf. Laat me vrij, een Vrij Vrome Vogel, kan dat niet? Ik moet toch eerst zelf weten wie ik ben? Luister, ik doe een test. Als ik van de toren spring dan zijn er drie mogelijkheden: als ik een Vrome Vogel ben, dan komt de adelaar en mijn pootje zal zich aan geen steen stoten. Als ik een Vrije Vogel ben, dan zal ik vliegen. Als geen van tweeën gebeurt dan ben ik dus geen vogel en dan val ik net zo lief te pletter."
Zo, dat was een hele mond vol. De vrome vogels waren er even stil van.
Toen zei er eentje: "Denk aan de duif in de woestijn, die sprong ook niet van de tempel." "Denk aan de duif op de ark. Die keerde terug naar de ark totdat ze grond onder de voeten had", zei een ander.
"Hoe denk je bovendien dat wij hebben leren vliegen? Allemaal onder begeleiding", tjilpte een derde.
Het vogeltje hipte verder, sneller en sneller, maar de Vrome Vogels hielden haar vliegend makkelijk bij. "Ga nou weg," tjilpte ze boos, "jullie woorden klinken als gekakel."
Tot haar verbazing streken de Vrome Vogels onmiddellijk neer in een boom.
Ze zwegen.

Het eens zo bange vogeltje hipte verder.
Ze was niet bang meer. Nu kwam er een nieuw gevoel over haar. Ze was alleen. Ze was zelfs eenzaam.
Door eigen keuze.
Hoog en zwart kwam de toren al dichterbij.
Langs de toren keek het vogeltje recht de hemel in. In die hemel alleen blauwen wolken. Een intens verlangen overspoelde het vogeltje: een adelaar. Als ze een adelaar zou zien vliegen, zou ze volgen. Ze wist niet eens hoe een adelaar eruit zag, maar ze voelde dat ze het zou weten zodra ze hem zag. Nog een keer keek ze langs de toren omhoog en ging toen het donker binnen om de trap op te hippen. Tree voor tree. Ondertussen probeerde ze te zingen. Vreemd, hoe meer ze aan de adelaar dacht, hoe makkelijker haar dat afging.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief