Schrijnend
1997-01-24
Schrijnend- Jaargang 41
- nummer 2
Voor mij ligt een bladzijde uit de krant van 24 december 1996. Inmiddels zijn ruim veertien dagen verstreken. In die betrekkelijk korte tijd is heel veel gebeurd. De feestdagen zijn verstreken.
De kerken waren overvol, vooral in de kerstnacht. Het Evangelie is gelezen en vertolkt in allerlei talen, op velerlei plaatsen. De oude liederen zijn gezongen: 'Stille nacht, heilige nacht', 'Komt allen tezamen', 'Ere zij God' en nog veel meer.
Er is veel gegeten en gedronken, althans aan deze kant van de kleine planeet, die aarde heet. Meer dan goed voor ons. Het oude jaar heeft plaatsgemaakt voor het nieuwe. Met veel lawaai. Miljoenen guldens zijn vervlogen in de lucht. Daarbij zijn, ondanks de waarschuwingen en de agressieve anti-reclame, ook weer ongelukken gebeurd, waardoor mensen voor hun leven beschadigd zijn.
Het gewone leven is hervat. Alom nemen mensen de draad weer op.
Kleine en grote ruzies, die even in de schaduw kwamen te staan, laaien opnieuw op. Er wordt gelachen en gehuild, geluierd en hard gewerkt.
Mensen zitten weer verbeten achter het stuur van de auto, die hun heilig is. Ze rijden alsof hun leven ervan afhangt. In zekere zin is dat ook zo.
Ze maken hun leven en dat van anderen afhankelijk van hun vermeende recht, van de voorrang die zij hebben, ten koste van alles en allen. Ik kan nog wel even doorgaan met deze kleine tijdspiegel, die op de Tweede Kerstdag geschreven wordt, maar die tamelijk goed voorspelbaar is.
Krant
Terug naar de pagina uit de krant. Het nieuws veroudert snel, maar deze dingen, waarvoor ik uw aandacht en mededogen vraag, blijven helaas pijnlijk actueel.
Ik lees een artikel over weeskinderen in Roemenië. Een verhaal dat sporen van verdriet in mijn leven trekt. Ik zie een foto, die deze ellende indringend illustreert. Een paar schamele bedden.
Verveloos, dicht bij elkaar, want de ruimte is blijkbaar uiterst beperkt.
Deze kinderen kosten de gemeenschap alleen maar geld, en dat artikel is schaars.
Op één van de bedden ligt een jongen wezenloos, maar dan in andere zin, naar het plafond te staren. Voor zijn bed staat een jongen van een jaar of vijftien. Ik kan het niet goed schatten, want hij is zichtbaar gehandicapt. Hij is krom van lijf en leden. Een oude, slobberige manchester-broek wordt opgehouden door een rafelig touwtje, dat wij voor hooibalen gebruiken.
Aftandse, kapotte schoenen zijn hem veel te groot. Hij heeft een etensbord in zijn hand. Met veel zorg en liefde voert hij een ander jochie, dat alleen maar een hemdje aanheeft. Ik hoor de oudste zeggen: 'hap!'
Op dezelfde pagina staat een stukje over René Diekstra, tot voor kort alom geprezen, maar nu verguisd, omdat hij het werk van anderen heeft opgenomen in zijn boeken, alsof hij het zelf bedacht heeft. Plagiaat heet deze ontucht met woorden.
Verder lees ik over een drietal jongeren, 13, 15 en 17 jaar jong, aangehouden in Enschede, verdacht van moord op een 41-jarige vrouw uit Vriezenveen.
De leeftijd van de verdachten schokt de politie, zo luidt het opschrift.
Wat mij vooral treft, is het schrijnende verschil tussen het verhaal en de foto van het weeshuis in Roemenië en de kerstinkopen in Duitsland. Even onder de foto wordt de drukte van onze oosterburen ingeleid door de titel in kapitale letters: 'Met zijn allen vechten om cadeaupapier en plakband'.
De kerstavond is vooral een familiefeest, waarop men elkaar geschenken geeft. Er wordt zwaar gegeten en gedronken.
Tussen de bedrijven door gaat men naar de kerk, want ook dat behoort bij het ritueel op deze avond. Het is dringen om een plaatsje te vinden, want er zijn meer mensen, die de avond op dezelfde wijze invullen. De geschenken zijn, net als in Nederland, groot en duur. Vandaar het gevecht om papier en plakband.
Ik schrijf een en ander niet om de heilige onschuld uit te hangen. Ook wij hebben onze kinderen wat extra's gegeven ter gelegenheid van de feestdagen.
We hebben ook dingen in huis gehaald, die niet iedere dag op de tafel staan. Ik zal dus niet hoog van de toren blazen, maar de hand evenzeer in eigen boezem steken. Maar schrijnend blijft alles wel. De bittere armoede op een paar uur vliegen afstand en de overweldigende weelde in onze leefwereld. Ook dichtbij huis is het niet overal zo vrolijk en feestelijk.
De armoede is dichterbij en dramatischer dan we denken.
Toch blijft dit ene blad uit de krant mij achtervolgen, vooral in mijn gaan en staan als gelovige in deze wereld, met zoveel schrijnende tegenstellingen.
Daarom vertrouw ik een aantal overwegingen toe aan dit papier om enigszins duidelijk te maken wat mij beweegt.
Als rechtzinnige christenen hebben we de brief aan de Romeinen tot op de punten en de komma's uitgepluisd. Ik zal de laatste zijn om het belang hiervan te kleineren, laat staan te minachten.
Integendeel. Ik veronderstel dat we nog niet de helft van deze ontzagwekkende woorden verstaan hebben.
Over de rechtvaardiging en de heiliging, over het onderling verband tussen die beide zijn bibliotheken vol geschreven. Er is en wordt eindeloos over vergaderd. Er zijn zelfs kerken door gesplitst.
Wat de apostel schrijft over Israël, met name in de hoofdstukken negen, tien en elf, hebben we nog maar minimaal ter harte en ter hand genomen. Over deze brief dus geen kwaad woord.
Wel over onze omgang daarmee.
Toch dringt de gedachte zich bij mij op: als we nu eens evenveel energie hadden besteed aan de woorden van de Jacobus-brief, met zijn enorme aandacht voor de armen en de ontredderden, hoe zou de kerk er dan uitzien?
Welke plaats zou ze dan in deze wereld innemen? Waar zouden haar prioriteiten dan liggen? Ik laad de verdenking op mij, als zou ik de weerbarstige werkelijkheid van onze samenleving met enkele volzinnen kunnen veranderen.
Ik ben uiterst beducht voor iedere vorm van versimpeling. Het stadium van bellen blazen heb ik al geruime tijd achter de rug. Als de kerk, waarin ik een stukje verantwoordelijkheid wil meedragen, niet een gezaghebbend, bevrijdend woord spreekt, wie zal het dan wel doen? Ook dit is een schrijnende kwestie.
Dit is het eerste deel van een indrukwekkend hoofdartikel, dat Dr. G.W. Marchal te Beekbergen in het: 'HERVORMD WEEKBLAD' d.d. 9 januari 1997 schreef. Men heeft gesteld, dat een goede prediker moet hebben: Schriftkennis, wereldkennis, mensenkennis en zelfkennis. De waarheid van dit oude woord doet nog steeds opgeld.
Overigens geldt het gememoreerde niet alleen voor de predikers van het evangelie. Iedere christen moet zich daardoor aangesproken voelen. Wij moeten ons allen bewust zijn, dat wij midden in deze tijd staan en zo onze betrokkenheid op de komst van Gods Koninkrijk hebben te beleven. Inderdaad is de wereld vol van schrijnende tegenstellingen.
Elke dag golft de ellende via de beeldbuis je huiskamer binnen. Soms wend ik bij het kijken naar het journaal mijn blik af. Je voelt je zo machteloos.
Maar de dagelijkse gebeurtenissen mogen ons niet verleiden tot een verslapping in onze gebedsactiviteit.
Want het gebed is niet ten onrechte eens door iemand betiteld als de macht der machtelozen!