Beven voor het Woord
1997-02-07
In Ezra 9:4, Ezra 10:3 en Jesaja 66:2 en 5 komen we een opmerkelijke karakterisering van de gelovigen tegen. Ze worden degenen “die boven voor het woord van God” genoemd. Zowel in Ezra als Jesaja worden er dezelfde mensen mee getypeerd: de teruggekeerde ballingen, die de HERE volstrekt gehoorzaam dienen willen. Zij doen dat bevende voor het woord, het gebod (zo Ezr. 10:3) van God.- Jaargang 41
- nummer 3
Verschillende emoties doen ons beven.
We kunnen trillen van de zenuwen, of van opwinding, maar ook van angst.
Het hierboven gebruikte woord voor beven is overal in het Oude Testament een uitdrukking van hevige schrik en angst. Angst die iemand bijv. overvalt als hij zich geplaatst ziet voor de slagorde van een groot vijandelijk leger (zie o.a. 1 Sam. 13:5-7). Een mens kan daarop zo sterk reageren, dat hij de controle over zijn lichaam verliest.
Andere vormen van groot onheil kunnen hetzelfde effect hebben (zie bijv. Gen. 27:33; 42:28). Met degenen "die beven voor het woord van God" worden dus mensen getypeerd voor wie het woord van God allereerst een voorwerp van ontzetting is. De vrees voor de HERE heeft zich uitvergroot tot angst voor de HERE.
De rol van de ballingschap
Vragen we naar de oorzaak hiervan, dan moeten we - blijkens Ezra 9 en 10 - aan de verschrikking van de ballingschap denken. Het diepe dal van de ballingschap, dat het gevolg was van jarenlange wetsverachting en stelselmatige veronachtzaming van Gods woord. Na de terugkeer uit ballingschap is de angst voor een nieuwe overtreding van het geboden - dus - voor een de ballingschap zelfs overtreffende straf van God (Ezr. 9:14) zo groot geworden, dat men in Ezr. 10 tot een ongekend rigoureuze maatregel - verg. nl. 1 Cor. 7:12-16 - overgaat, t.w. de verplichte ontbinding van gemengde huwelijken. Eerder, al veel eerder had het volk door de directe ontmoeting met de HERE aan de voet van de Horeb geleerd voor de HERE Zelf te beven (Ex. 19:16; 20:18-21). Door de ballingschap heeft het geleerd evenzeer voor de indirecte ontmoeting met de HERE, die loopt via Zijn woord, te beven. Ook het schijnbaar weinig bedreigende woord van de HERE bevat zwaar explosief materiaal! Tussen haakjes, zou hiermee de verdere ontwikkeling van het Jodendom in verband gebracht kunnen worden: het verbod op het uitspreken van de verbondsnaam, het creëren van "een omheining rond de wet"?
Momentopname
De vraag rijst, wat wij van de na-exilische houding tegenover het woord van God kunnen leren.
Om te beginnen, denk ik, dat we er iets van kunnen leren voor het pastoraat.
De typering van de vrome als "iemand, die beeft voor het woord van God" heeft binnen het geheel van de Schriften iets van een momentopname. De uitdrukking heeft geen voorgeschiedenis, evenmin heeft ze school gemaakt.
Uit het gehéél van de Schrift blijkt, dat de mens tegenover het woord van de HERE een andere houding mag aannemen.
In Psalm 119 is het woord van de HERE allereerst een bron van vreugde. hoop en vrede. Uw torah heb ik lief!, horen we daar. Een vóóral door schrik en angst beheerste omgang met Gods woord is de Schrift eigenlijk vreemd. Zo wil de HERE zelfs niet gediend worden. Dit gegeven helpt ons de houding van de ballingen beter te plaatsen. Het is een reactie-houding.
De ballingen is het vergaan als mensen, die door een hele nare ervaring getraumatiseerd zijn: ze zijn gevormd, in zekere zin vervormd door het verleden.
Daardoor zijn ze op één bepaald punt extreem gevoelig geworden. Bij de na-exilische vromen heeft de ballingschapservaring een eenzijdige bevreesdheid voor de wet tot gevolg.
Kon het anders? Op pastoraal vlak kunnen we hiervan leren eenzijdigheden bij anderen - want onze eigen eenzijdigheden zien we dikwijls niette plaatsen, soms zelfs een plaats te geven. Tot op de dag van vandaag zijn er christenen, die een bepaald aspect van het christelijk geloof eenzijdig benadrukken.
Sommigen ervaren sterk de aanwezigheid van God in hun leven, anderen Zijn afwezigheid. Sommigen leggen een groot accent op de lofprijzing, anderen op het klaaglied. Sommigen komen fel op voor de vrijheid in Christus, anderen staan strakke regels voor.
Dergelijke eenzijdigheden zijn niet altijd het resultaat van een bepaalde theologie, maar laten zich ook wel eens verklaren uit persoonlijke ervaringen, traumatische ervaringen. Hiervoor oog hebben, kan begrip bijbrengen, ook als je zelf probeert eenzijdigheden te voorkomen door het zicht op héél het woord van God te houden.
VVaarheidsmoment
Toch zou het te weinig zijn, als we alleen dit van de houding van de teruggekeerde ballingen willen leren. Deze na-exilische gelovigen vormden immers de geestelijke kern van het toenmalige volk van God! Zij gaven leiding aan het volksgeheel (Ez. 10:3) en de HERE sloeg acht op hen (Jes. 66:2). Dat kon alleen, omdat er in hun houding tegenover het woord een belangrijk waarheidsmoment zit, dat van kracht blijft tot op de dag van vandaag. Zeker, de wet is voor ons sinds de komst van Christus niet meer wat ze was voor de naexilische vromen, maar het verlangen, de strijd om volgens de wet van Christus' liefde te leven, mag er absoluut niet minder om zijn. "Jaagt naar ... de heiliging, zonder welke niemand God zal zien.", houdt de schrijver van de Hebreeënbrief ons voor (12:14).
Hierin zit de laatste ernst! In Christus mogen wij delen in de zeer vertrouwelijke omgang met God, in een liefde die de vrees uitdrijft. En toch blijft er rond dit blijde beleven van Gods liefde een rand van gericht, die daar als schrikdraad ligt, om te voorkomen dat wij van die liefelijke weiden wegdwalen. Zo blijft de vrees als prikkel om de HERE te dienen bestaan, ook in het Nieuwe Testament.
Maar kunnen we er ook niet dit van leren? Binnen onze - en andere - kerken zijn we nogal druk in de weer met de vragen hoe we de Heilige Schrift hebben te lezen en toe te passen in het heden. Het zijn m.i. onontkoombare vragen en zelf doe ik ook aan de bezinning mee. Maar ook bij deze bezinning kan de typering van de na-exilische gelovigen een rol spelen. Het waren mensen die door de verschrikking van de ballingschap hadden geleerd te beven voor het woord. Iets van deze huiver horen wij in ons om te dragen.
Deze huiver hoeft de bezinning niet lam te slaan, maar ze kan wel voorkomen, dat we ooit lichtvaardig met Gods woord zullen omspringen!