De Maranatha-boodschap van Joh. de Heer
1997-02-07
De profeten van de jaren zestig leerden ons dat christenen niet meer geconcentreerd moesten zijn op het hiernamaals, maar op het hier en nu, schreef ik de vorige keer (1). Christenen moesten, samen met anderen, de samenleving verbeteren. Anno 1997 zijn we inderdaad niet meer gericht op de terugkomst van Jezus, maar op het hier en nu: niet om het te verbeteren (want dat is mislukt), maar om ervan te profiteren. En daardoor zijn we de verkeerde keuzes gaan maken. We zouden in de leer moeten bij Johannes de Heer, zo eindigde ik de vorige keer. Dat is even slikken: hij was geen boeiend theoloog, maar een praktische profeet, gericht op het Koninkrijk.- Jaargang 41
- nummer 3
Engagement: gered om te redden
Waarom de vorige keer William Halsham How, de dichter van het Allerheiligenlied, waarom deze keer Johannes de Heer?
Wat beide (dichters) gemeen hebben is dat bij hen hun concentratie op het Koninkrijk en hun betrokkenheid op de samenleving één waren. Daarmee onttrekken zij zich aan de verwijten in de jaren zestig aan het adres van christenen geuit, dat concentratie op het hiernamaals ten koste gaat van verantwoordelijkheid nemen voor het hier en nu.
Johannes de Heer was afkomstig uit de 'zware kringen'. Zelf schrijf hij daarover: "In de godsdienstige kringen waar ik als kind verkeerd had, werd de vraag van het kindschap Gods altijd verbonden met de vraag of men wel uitverkoren was. Dat was een van de redenen geweest die mij voor de godsdienst onverschillig hadden gemaakt. Overal om mij heen vond ik zuchtende mensen die hun leven lang tobden over de vraag of zij wel uitverkoren waren. En daar ik tot blijdschap was aangelegd, kon ik het in die kring niet vinden. En mijn conclusie was: Als ik toch moet uitverkoren zijn, ga ik nog wat van de wereld genieten."
Deze vorm van gericht-zijn op het hiernamaals leidt óf tot onverschilligheid en wereldgelijkvormigheid óf tot een levenslang tobben over eigen geloof(skenmerken): zelf niet bevrijd, is men niet in staat andere gevangenen vrijheid aan te zeggen. Mede door de Rotterdamse stadsevangelisatie Jeruël vindt er in 1896 een wending plaats in het leven van Joh. de Heer.
Men hield hem daar eenvoudige bijbelwoorden voor zoals "Die in de Here Jezus gelooft, heeft het eeuwige leven."
Eerst verzet hij zich ("Dat gaat zomaar niet!"), maar als hij het heeft aangenomen, komt er een grote vrede in zijn leven. In 1903 sluit hij zich bij de stadsevangelisatie van Jeruël aan.
Om u een indruk te geven van dit evangelisatiewerk citeer ik een fragment uit de biografie die drs. Domus Elsman heeft geschreven: Johannes de Heer, Evangelist in het licht van de wederkomst(2), Onderaan blz. 31 schrijft hij: "De leuze van Jeruël luidt: 'Gered om te redden'. Tot dit doel worden veel activiteiten georganiseerd. Naast het houden van samenkomsten trekt men er vaak op uit om in de stad onder de 'armen en gevallenen' de bevrijdende boodschap van het evangelie te verkondigen. Vooral in de omgeving van de Zandstraat, waar veel prostituees wonen en vaak sprake is van grote armoede, is men actief. Aan de behoeftigen wordt gratis soep uitgedeeld, kroegen en danslokalen worden bezocht."
Parels onder het slijk
"Over dit werk schrijft Joh. de Heer later: 'Hoe vergist men zich toch in het nachtpubliek als men er nooit onder gearbeid heeft! Wat een open gewetens ontmoet men daar! Wat een paarlen liggen daar verborgen onder het slijk!
Welk een invloed heeft het lied en een vriendelijk woord onder die zielen!(3)
Veelal neemt men bij het bezoek een verbanddoos mee om waar nodig de mannen die door een onderling gevecht gewond zijn geraakt, te verbinden.
Daarbij wordt dan de mogelijkheid aangegrepen om traktaten uit te delen.
Regelmatig bezoeken de Jeruëlisten het in die tijd beruchte café-chantant Alcazar. Tegen middernacht maken de 'half geklede' meisjes daar op het toneel plaats voor de Jeruëlisten en klinken bekende psalmen en liederen met begeleiding van dezelfde piano die even daarvoor de dans begeleidde.
Later weet Joh. de Heer zich één avond speciaal te herinneren: 'Eens op een avond zongen we: Er ruist langs de wolken. Een der bezoekers scheen plotseling onwel te worden.
Hij vroeg een der broeders of hij nog weg kon met de trein naar M. De zaak was, dat hij een slippertje gemaakt had en nu door het lied van zijn jeugd in het hart was gegrepen en naar zijn vrouw terug wilde.' Later wordt in dezelfde buurt door Jeruël een lokaal met een tehuis voor mannen geopend. 's Avonds worden hier evangelisatiesamenkomsten gehouden voor mensen uit de omgeving, die tevoren door huisbezoek en lectuurverspreiding benaderd zijn. Ook door prostituees worden deze samenkomsten bezocht. Voor de vrouwen die met de prostitutie willen stoppen, wordt het reddingshuis Bethanië geopend, waar doorlopend zo'n twintig à dertig meisjes, moeders en kinderen gehuisvest worden. Na afloop van de nachtelijke samenkomsten in het lokaal wordt het daaraan verbonden tehuis voor mannen opengesteld voor zwervers en daklozen. Zij kunnen daar de nacht doorbrengen. 's Morgens dienen ze, na iets warms te drinken gekregen te hebben, het pand weer te verlaten."
Waarschijnlijk is onze christelijke maatschappijvisie, mede dankzij de jaren zestig, completer en veelomvattender dan die van de Jeruëlisten.
Alleen: we kunnen er niet zo erg veel mee. De afgelopen decennia hebben geleerd dat grootse 'totaalvisies' ontmoedigend en zelfs verlammend kunnen werken. Wie zich tevergeefs heeft moegestreden voor een volledige hervorming van het reinigingswezen, komt op het laatst aan het vegen van zijn eigen stoepje niet meer toe.
Johannes de Heer had nauwelijks zoiets als een 'maatschappijvisie' , maar hij had wél een visie op het Koninkrijk. Die visie inspireerde en bemoedigde hem om de hand aan de ploeg te slaan. Hij wist dat Christus niet door óns toedoen zal terugkomen (op een moment dat wij Hem een rechtvaardige samenleving kunnen aanbieden), maar uit de zekerheid en de verwachting van Christus' terugkomst putte hij de kracht om daarnaar toe te werken.
Zo ontstond zijn Maranatha-theologie (om nog één keer het woord theologie te gebruiken).
Een visie op het Koninkrijk biedt een andere visie op je medemensen. Een visie die, in tegenstelling tot die van de bevrijdingstheologie en de basisbeweging, niet stuk kan, omdat het verwachtingspatroon ervan niet vóór, maar áchter de horizon ligt.
Onze Heer, kom!
Dat het woord 'Maranatha' in de Bijbel voorkomt, danken we aan een woordspeling van de apostel Paulus. Paulus was geen theoloog, maar een associatief denker: het ene woord lokte bij hem het ander, de ene gedachte de andere uit. Zo besluit hij zijn eerste brief aan de onverslaanbare gemeente van Korinthe met een anathema, een vervloeking: "Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt!' (16:22).
Op dit anathema (vervloekt!) laat hij onmiddellijk een 'rijmwoord' volgen: maranatha (Onze Heer, kom!). Een stukje tongentaal waarbij de (zelf nogal eens onverstaanbare) Korinthiërs geen vertolking behoefden. Hier is niet alleen sprake van een soort klankrijm, maar ook van 'gedachtenrijm' . Paulus strekt zich uit naar de dag dat leugenaars en verleiders als zodanig gebrandmerkt zullen worden: de dag dat de Heer terugkomt. Zoals wij na het lezen van de 'verhalen' van Nico ter Linden kunnen verzuchten: "Heer, kom toch gauw terug om de leugen te ontmaskeren en de waarheid van uw Schrift in het licht te stellen!"
Als kind kerkte ik enkele jaren in het vrijgemaakte kerkje van Schouwerzijl, middenin het Groninger Hogeland. Bij het uitgaan van de kerk keek ik vaak omhoog naar het orgel en dan zag ik de grote letters die op de orgelgaanderij waren geschilderd: MARANATHA.
Ik herinner me de blijdschap die dit woord, in combinatie met het orgelspel, bij me wist op te roepen. We gingen een grote toekomst tegemoet! De Heer zou terugkomen! In mijn tienerjaren, de jaren zestig, hoorde ik het woord 'Maranatha' bijna nooit meer gebruiken, alleen nog maar in negatieve zin: we moesten zo ongeveer álles, behálve 'Maranatha-christenen' zijn. 't Was goed bedoeld: men poogde van ons christenen te maken die zich bewust waren van hun taak in de wereld. Maar de resultaten waren desastreus: christenen die zo ongeveer álles van de wereld weten en nog maar een rudimentaire visie op het Koninkrijk hebben. Daarmee zijn we een heel eind van de Bijbel (Oud en Nieuw Testament) verwijderd geraakt.
Johannes de Heer schrijft in Betekenis en doel van de Maranatha-beweging en de Zoeklicht-arbeid: "Uit de veelvuldigheid waarmee zowel in het Oude Testament als in de evangeliën, Handelingen en brieven der apostelen en de Openbaring gesproken wordt over de wederkomst des Heren, blijkt dat de Maranatha-gedachte niet alleen deel uitmaakt van Gods raadsbesluit, doch ook een kern vormde van Israëls verwachting en ook die van de christenen uit de eerste eeuwen." Het is dus niet onverantwoord om naar een (aramees) woord dat slechts éénmaal in de Bijbel voorkomt, een boodschap te vernoemen die je op elke bladzijde van de Bijbel tegenkomt. In zijn eerste brief aan de gemeente van Thessaloniki, die bepaald als een 'Maranathagemeente' bekend stond en op een zeker moment met beide benen in het hier en nu moest worden teruggeroepen, uitgerekend aan die gemeente schrijft Paulus dat "we van de afgoden bekeerd zijn om de levende en waarachtige God te dienen en zijn Zoon uit de hemel te verwachteri'. Met andere woorden: de verwachting van Jezus' terugkomst is geen bijprodukt, maar hoofdprodukt van ons geloof!
'Vrederijk op aarde'
Dat ze onder de christenen in de eerste eeuwen zo ook functioneerde, mag blijken uit een artikel van dr.lmpeta in deel VI van de Chr. Encyclopaedie, waarnaar Joh. de Heer in zijn brochure verwijst: "In plaats van 'Hoe en wanneer is de Maranatha-beweging ontstaan?' zou men beter kunnen vragen: 'Wanneer en hoe, in de geschiedenis der christenheid, is zij verdwenen?' De Maranatha-gedachte toch is tezamen met de gemeente van Christus gegroeid uit het levend geloof in Hem, Die is, Die was en Die komen zal (Openb. 1:4). Het N.T. spreekt bijna op iedere bladzijde over de verwachting van Zijn toekomst. Voor de eerste christenen was deze verwachting als vanzelfsprekend, onlosmakelijk verbonden aan Hem, die het Middelpunt en het Hoofd was. De aramese uitroep 'Maranatha' (Ach Heer, kom!) is onvertaald door de christenen der eerste eeuwen overgenomen en diende hun als ken- en wachtwoord. In de catacomben wordt deze naam aangetroffen, gegrift in de stenen muren der onderaardse gewelven.
De uitdrukking komt ook voor in het Avondmaalsgebed van de Didachè (een befaamde Syrische kerkorde, JHK). We hebben te denken aan de menigvuldig opgezonden bede der eerste christenen om de wederkomst des Heren, die (vgl. ons Halleluja, Hosanna, Amen) juiste omdat ze zo vaak geuit werd, staande term werd en in het aramees overging naar de grieks sprekende christenen."
Toen Joh. de Heer en dr. lmpeta zich afvroegen hoe en wanneer in de geschiedenis van de christenheid de Maranatha-boodschap is verdwenen, moesten de jaren zestig nog komen.
Met andere woorden: het proces van slijtage, van afstomping, was al veel eerder begonnen. Het begon bij wijze van spreken op het moment dat de christenen uit de catacomben tevoorschijn mochten komen en de macht in het Romeinse rijk mochten overnemen.
De Ondergrondse Kerk werd Wereldkerk en kreeg een 'wéreld'-gevoel. In de vierde eeuw meende niemand minder dan Augustinus dat de Kerk een Godsrijk op aarde moest stichten; Rome nam het hem in dank af. Joh. de Heer schrijft hierover: "De Maranatha-verwachting vervaagde en maakte plaats voor de roomse leer van het 'vrederijk op aarde'. Ook veel kerken der Hervorming werden in die zin Rome-gelijkvormig dat zij de kerk gelijk stelden met het Koninkrijk van Christus, waarmee de heldere visie op het enige Hoofd der gemeente, de thans verhoogde doch straks wederkomende Heer, teloorging." Volgens Joh. de Heer hebben de verschillende christelijke kerken de Maranathagedachte weliswaar opgenomen in hun belijdenis en leer, maar haar te weinig een plaats gegeven in het leven des geloofs.
Als belangrijke oorzaken zag hij het identificeren van de Kerk met het Koninkrijk van Christus en de 'vergeestelijking' van het Duizendjarig Rijk uit Openbaring 2Q: de opvatting dat daarmee de periode van de verspreiding van het Evangelie en de geschiedenis van de Kerk bedoeld wordt. Joh. de Heer plaatst het Duizendjarig Rijk juist aan het einde van de geschiedenis, na de periode van de Kerk, maar vóór de definitieve terugkomst van Christus. U moet mij niet kwalijk nemen als ik op dát belangrijke aspect van de boodschap van Joh. de Heer niet verder inga. Joh. de Heer biedt mij zelf een 'ontsnappingsclausule', als hij in het voorwoord van zijn boek Het Duizendjarig Vrederijk schrijft: "Moge de lezing van dit boek ertoe strekken, velen te doen ontwaken uit de slaap waarin ook Gods kinderen kunnen geraken.
Mocht ge het niet in alles eens zijn, laat dit u niet weerhouden eruit te nemen wat u zegenen kan (cursivering van mij, JHK). Doch vergeet niet de Schriftplaatsen te lezen en in het verband te onderzoeken. Afgezien van de beschouwing over het Duizendjarig Rijk, zal dit uw ziel zegenen." Dit geeft me de vrijmoedigheid om in het volgende, laatste, artikel over dit onderwerp het chiliasme en Israël buiten beschouwing te laten en me te concentreren op de praktische gevolgen die de Maranatha-boodschap van Joh. de Heer voor ons geloofsleven en ons kerkelijk leven kan hebben. Dat leven wil ik toetsen aan de allereerste zinnen in het allereerste nummer van Zoeklicht, het orgaan van de Maranatha-beweging, verschenen op 1 juli 1919: "De verwachting van de Toekomst van de Heere Jezus is het eigenlijke leven der Gemeente. De gemeente is dát deel van de mensheid dat de zekerheid heeft dat de levenskracht welke zij in zich draagt, eenmaal ook, zichtbaar voor aller ogen, de wet van het heelal zal zijn."
In het volgende artikel (Maranatha! en het maken van de juiste keuzes) gaat het dus om de vraag: in welke werkelijkheid leven wij?
Noten
1. Opbouw, 41e jaargang nr. 1, blz. 16 (10 januari 1997): Het einde van het hiemamaals?
2. Alle citaten in dit artikel zijn uit deze biografie genomen. Ik kan u het boek zeer aanbevelen, temeer daar het niet meer dan 150 bladzijden telt. In het eerste deel wordt het leven, in het tweede de opvattingen van Joh. de Heer behandeld.
Het is in 1995 uitgegeven door Boekencentrum, Zoetermeer.
3. De evangelist Peter Strating heeft soortgelijke ervaringen in de rosse buurt van Den Haag, mijn grootvader ('Vader Van den Berg') had ze in de jaren zestig in Donker Amsterdam.