Wandelen met God is moeilijk geworden

1997-02-07
  • Jaargang 41
  • nummer 3
Geloven is niet vanzelfsprekend
Als ik terugdenk aan mijn jeugd en aan het ouderlijke huis waarin ik opgroeide, dan heb ik de idee dat geloven voor mijn ouders helemaal niet zo moeilijk was. Zij vertrouwden op God, die ze met een oprecht hart dienden. Dat kon ik horen in het bidden van mijn vader dat hij bij alle drie maaltijden deed. Hij praatte gewoon met God als met zijn grote Vriend. Dat merkten de kinderen op school ook.
Een paar jaar geleden zei een oudleerlinge tegen me: "Mijn geloof heb ik menselijkerwijs te danken aan jouw vader. De manier waarop hij elke morgen de bijbelse verhalen vertelde, is mij altijd bijgebleven." Mijn moeder was een veel geslotener type, maar ik twijfel er niet aan dat ook zij op God vertrouwde.
Mijn ouders wisten iets van het 'wandelen' met God. Dat is een term die we verschillende keren in de bijbel tegenkomen. Wandelen doe je in de regel met iemand die je goed kent en tijdens die wandeling komen allerlei dingen ter sprake.
'Wandelen met God' was wat God op het oog had voor de mens die Hij als laatste van alle levende wezens had geschapen. Dat zien we duidelijk in Genesis 3:8. Op dat moment hebben Adam en Eva al van de verboden vrucht gegeten. En dan staat er dat ze plotseling "het geluid van de Here God horen, die in de hof wandelde in de avondkoelte". Dat zal alle dagen wel zijn gebeurd en dat moet het hoogtepunt van elke dag zijn geweest. Maar deze keer is het het dieptepunt: ze hebben zich verstopt achter de struiken in de tuin, want ze durven God niet meer onder ogen komen.
Later lezen we van Henoch dat hij met God wandelde (Genesis 5:22,24). We lezen het ook van Noach (Genesis 6:9). Hoewel de term zelf in hun geval niet wordt genoemd, mogen we er wel van uitgaan dat Abraham en Sara ook met God hebben gewandeld.
Mozes wordt de 'vriend' van God genoemd. We lezen van hem: "En de Here sprak met Mozes van aangezicht tot aangezicht, zoals iemand spreekt met zijn vriend" (Exodus 33: 11).


Problemen
Dat wandelen met God betekende echter niet dat het in het leven van deze mensen allemaal rozegeur en maneschijn was. Dat staat nergens in de bijbel. Abraham en Sara hebben jaren lang moeten wachten voordat ze de vervulling van de belofte mochten zien: de zoon die ze op hoge leeftijd, we mogen wel zeggen: op té hoge leeftijd kregen. Mozes moest veertig jaar lang als herder met de kudden van zijn schoonvader Jetro door de woestijn zwerven, voordat hij werd geroepen om naar Farao te gaan en de vrijheid van zijn volk op te eisen.
En aan het einde van de tocht door de woestijn, die ook veertig jaar duurde, mag hij zelf het beloofde land niet binnengaan!
Mensen die met God wandelen, ervaren net als alle andere mensen ook verlies en verdriet, pijn en stress. Mijn ouders hebben dat ervaren toen ze een van hun kinderen, een meisje van vijf, moesten verliezen. Dat zusje, dat ik zelf nooit heb gekend, overleed na anderhalve dag ziekte. Dan komt er een geweldige spanning op het wandelen met God te staan. Dan komen de waaroms. Dan kan het zelfs gebeuren dat je helemaal niets meer merkt van de nabijheid van God. En toch blijf je ook dan op Hem vertrouwen.
Dat wordt prachtig aangegeven in Psalm 23, die begint met die prachtige woorden: "De Heer is mijn herder. Mij ontbreekt niets. Hij voert mij aan rustige wateren. Hij verkwikt mijn ziel."
Het lijkt wel alsof er nooit een wolkje aan de hemel staat. Maar dat is niet waar, want even later zegt deze dichter: "Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij. Uw stok en uw staf vertroosten mij." Deze woorden betekenen niet dat het dus allemaal wel wat meevalt. Integendeel. Het is een dal van 'diepe duisternis'. Dan zie je niets. Dan komt het op puur geloven aan: en tóch is Hij er!


Dit is het begin van een artikel, dat prof.dr. K. Runia uit Kampen publiceerde in het: 'CENTRAAL WEEKBLAD'.
Het geeft op fijne wijze weer waar het in het geloven om gaat. Het is goed hier te spreken van geloven en niet van geloof. Geloven vertolkt sterker de activiteit van de christen, die zijn vertrouwen investeert in de levende God. Ja, inderdaad is Psalm 23 een machtige psalm. Vele kinderen van God hebben zich in leven en sterven aan woorden uit dit psalmdicht vastgeklampt. En zij zijn er bijzonder door vertroost geworden. Maar er staat niet: "De Heer is mijn herder', maar: "De HERE is mijn herder."
David geeft daarmee aan, dat we te doen hebben met de God van het verbond.
En het: 'mij ontbreekt niets;' betekent niet: mij ontvalt niets. Het houdt in, dat ik bewaard word tot de zaligheid wat mij ook overkomt. David belijdt, dat Gods helende kracht en zijn loyaliteit hem zullen volgen alle dagen van zijn leven. Hij is er dus geen dag zonder. Zo mag je ervaren, dat je door je hemelse Vader in Christus permanent geruggesteund wordt.
Dat helpt je door de moeilijkste situaties van je leven heen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief