Navolging

1997-03-07
  • Jaargang 41
  • nummer 5
(Marcus 14)
… en Hij zeide tot zijn discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik bid. (vs 32)
… en Hij zeide tot hen (Petrus, Jakobus en Johannes): Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe: blijf hier en waakt. (vs 34)
… en Hij zeide tot Petrus: … Waart gij niet bij machte één uur te waken? (vs 37)
… en Hij zeide tot hen: Slaapt nu maar en rust. Het is genoeg. (vs 41)

De navolging van Christus is bij ons lange tijd wat verdacht geweest. Onze voorstelling was: Christus heeft het ons niet voorgedaan maar Hij heeft het voor ons gedaan. Ik denk dat ik dat zelf ook wel eens zo gezegd heb, maar ik ben de betrekkelijkheid van dat gezegde gaan beseffen. Zijn wil is toch dat wij in de wereld zijn, zoals Hij in de wereld was. Wij weten ook at Hij al de zijnen heeft geroepen Hem te volgen en volgen is in de mond van onze Heer meer dan achterna lopen. Het is: de Meester volgen als leerling en het leven van Hem afkijken. Petrus zegt het in zijn brief heel sterk: Hij heeft ons lijdende een voorbeeld nagelaten en wekt ons op, in Zijn voetstappen te wandelen: speuren naar zijn voetafdrukken en daar onze voet in zetten. Plastischer kan het niet gezegd worden.

Toch durf ik te zeggen dat Petrus zich in die woorden tot aan de uiterste grens waagt van de navolging. Want juist in de lijdensgeschiedenis wordt voor de navolging van de Heer een grens aangewezen. Hij had die al in uitzicht gesteld in Zijn woord tot Petrus: "Waar Ik heenga, kunt gij mij nu niet volgen" (Joh 13:36).
Dat woord gaat in vervulling als de Heer zich naar de hof van Getsemane begeeft, de plek waar Zijn lijden een aanvang neemt. Maar bij de ingang van de hof zegt Hij: "Zet u hier neer, terwijl Ik bid." Dan gaan Petrus, Johannes en Jakobus nog mee, maar even later zegt Hij ook tot hen: "Blijft hier en waakt."
In die woorden hoor je hoe de Heer de bijstand van de Zijnen zoekt: Waakt!
Hij was ons ook hierin gelijk.
Want dat herkennen wij immers? Dat je naar het ziekenhuis gaat, je moet voorbereiden op een operatie en er dan op rekent dat er een paar bij je zijn in je vrees, ook wakker liggen. Dat helpt immers echt?
Maar de navolging hapert hier reeds.

Eenzaamheid
Vervolgens lezen we dat Hij vanaf de plaats waar Hij bidt en in doodsangst is telkens terugkeert naar die drie. Dat is toch geweest: Zij zullen me toch niet vergeten?
Maar toen Hij weer kwam vond Hij hen slapende.
En dan volgt in het lijdensverhaal een ontroerend zinnetje: "Simon, slaapt gij? Waart gij niet bij machte één uur te waken?"
Ontroerend is dit want ik hoor in de vraag van de Heer geen spoor van verwijt.
Inderdaad zijn Petrus en de andere discipelen niet tot dat waken in staat geweest.
Er is bij de discipelen een zekere verlegenheid over dat slapen. Zij weten daar niet goed raad mee. Lukas zegt dat zij sliepen van droefheid. Zelf kunnen ze het niet helemaal verklaren.
"Zij wisten niet wat zij Hem zouden antwoorden," staat er.
Wat is dat, dat je met heel je hart van iemand houdt en dan niet met Hem waken kunt in zijn uiterste nood?
Zij kunnen dit inderdaad niet. Hier kiest de Heiland een weg, die Hij in volstrekte eenzaamheid moet gaan: met alle zonden van alle mensen, in hun plaats naar God gaan. Misschien heeft de Here God de discipelen het bewuste waken onmogelijk gemaakt, wetend: Hier kan geen enkel mens ook maar iets van meemaken. De lijdensvorst in Zijn gebeen doorworsteld Hij Zijn strijd alleen.
Hier is de uiterste grens van de navolging bereikt: wij kunnen Hem hier in zijn lijden niet volgen.
Ik denk dat we zelfs prekend maar af moeten blijven van dit dieptepunt van Zijn lijden: die angst, dat bloed, dat zweet, die beker. Van Rembrandt gaat het verhaal dat hij op de vraag waarom hij geen schilderij had gemaakt van Jezus in de hof, geantwoord moet hebben: "Ik kon die beker er niet op krijgen." De sobere woorden van de Bijbel zijn voldoende.

Genoeg
Wij kunnen Hem op Zijn lijdensweg niet volgen.
Maar nu volgt er nog een verlossend woord.
Als de Heiland voor de derde maal terugkeert naar de zijnen en zij nog steeds slapen zegt Hij: "Slaapt nu maar en rust. Het is genoeg."
Daar heeft de Heiland de eenzaamheid aanvaard.
Je ziet Hem daar in de geschiedenis naar toe groeien. Gehoorzaamheid lerend uit zijn lijden.
Eerst: "Zet u hier neer." En dan: "Blijft hier en waakt." Zij mogen Hem niet verder volgen.
Vervolgens: "Waart gij niet bij machte één uur te waken?" Zij kunnen Hem niet verder volgen. En nu: "Slaapt nu maar en rust." Zij behoeven Hem niet meer te volgen op Zijn lijdensweg.
Wij kunnen niet, maar wij behoeven Hem ook niet te volgen in het lijden.
Het is genoeg. Het is volbracht.
Hier zijn we bij het hart van het christelijk geloof.
Het hart is niet de navolging, maar dit: rusten, slapend rusten in wat Hij gedaan heeft, helemaal alleen.

Ik denk dat dit ook het zwaarste is: aanvaarden dat Eén in onze plaats naar God is gegaan met al ons kwaad.
Dat plaatsvervangende, wat wordt dat nu aangevochten.
Wat wordt juist de plaatsvervanging nu door veel idealisten ontkend, want: Hem volgen in Zijn lijden dat willen heel velen nu nog wel.
Ik denk aan een tekening in een krant van een plantagearbeider aan een kruis. De staande paal bestond uit een schop en de dwarsbalk was een pikhouweel.
Wat vreselijk wordt hier het lijden van de arbeider gelijkgeschakeld met het kruis van onze Heer.
Hoezeer mensen ook lijden, het zal anders zijn dan het lijden van Hem, die onze zonden droeg.

Dus toch geen navolging meer?
Zeker wel.
Bij de ontmoeting tussen Jezus en Petrus aan het meer horen we Jezus tot Petrus zeggen: "Volg Mij."
Dan wel weer.
Maar dan volgen wij een Heer, die zijn plaatsververvangend lijden en Zijn dood achter Zich heeft.
Wij zijn geroepen tot de navolging van de opgestane Heer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief