Bezinning over ons zendingswerk in Zuid-Afrika (2)

1997-03-07
  • Jaargang 41
  • nummer 5
We komen er niet onderuit: dat ons hele zendings- en kerkenwerk onder de Zoeloes met de onderlaag van de samenleving is verkleefd, is direct terug te leiden tot onze eigen beslissingen van een veertig jaar geleden. Maar ook op andere wijzen blijft het verleden vandaag op onze deuren kloppen. Het zijn met name twee zaken uit het verleden die ons vandaag nog parten spelen doordat ze ons zendingswerk een bepaalde richting uitdreven. Het eerste is geweest het besluit van de Synode van Kampen van 1951 om de Zendingsorde op te heffen, en het tweede was wat ik nu maar grofweg de ‘eenvoudigheidscultus’ van die jaren noem.

Wanneer hieronder Kampen als zendende kerk heel specifiek wordt genoemd - in tegenstelling tot de andere zendende kerken - en dan nog wel in kritische zin ook, gelieve men drie dingen te bedenken. Ten eerste heeft Kampen dat met zendingswerk in Zuid-Afrika begon, voor de andere zendende kerken de toon aangegeven zoals in het eerste artikel al uitkwam. Kampen staat dus, hoe dan ook, voorop in de aandacht. Ten tweede stelt de schrijver, emerituszendeling van Kampen, zich op geen wijze wrevelig tegenover zijn oude gemeente op. Hij voelt zich geen buitenstaander, want Kampen, dat is een stuk van hemzelf. Het is zijn eerste, laatste en enige gemeente geweest.
De kritiek is ook zelfkritiek: zo waren wij als Vrijgemaakten. En tenslotte, waar niet veel meer uit die tijd nog in leven zijn, meent hij heel eigenwijs dat het tijd wordt om de draden die hij van toen naar nu ziet lopen, bloot te leggen.

Kampen-1951 en zijn gevolgen
Dat vroeger of later de Zendingsorde na de Vrijmaking zou moeten verdwijnen, was te verwachten. Door de Vrijmaking was de plaatselijke kerk en haar bevoegdheden opnieuw ontdekt.
Daartoe behoorde ook het recht om zelf met zendingswerk waar ook maar te beginnen.
Er stond weliswaar in de Zendingsorde dat zendingsarbeid geschiedt door de plaatselijke kerk maar er zat toch zo'n innerlijke tweeslachtigheid en tegenstrijdigheid in, dat die plaatselijke zendingsvrijheid toch weer werd opgeslokt door de macht van generale zendingsdeputaten die zich tussen de plaatselijke kerk en het zendingswerk hadden ingedrongen.
Daarnaast waren er kerkelijke structuren geschapen zoals 'de bijzondere vergadering van missionaire dienaren des Woords' die nota bene de bevoegdheid hadden zendingspredikanten te schorsen zonder dat hun eigen kerkenraden er voorlopig enige weet van hadden. Het was een goede dag als gevolg van het besluit van de Generale Synode van Kampen-1951 de Zendingsorde te zien verdwijnen!
Het is wel de vraag - achteraf - of de interpretatie in die tijd van het nieuwe zendingsbestel gegeven zoals bijvoor zeer hoog gehad heb - de enig juiste was: "Kampen wil zendende kerk worden, maar dan ook in waarheid en voor 100%.
Kampen wenst het uitsluitend recht van beslissing en de volle verantwoordelijkheid voor de arbeid" (Van Zorg en Zegen, p.8).

Om meteen maar alle misverstand af te snijden: dat synodale besluit van 1951 heeft geweldige voordelen gebracht. Het heeft de zending weer teruggebracht waar zij behoort te zijn: in het midden van de gemeente. Niemand wenst zending terug zoals ze zich ver van de ogen van de gemeenteleden vandaan, afspeelde.

Maar het goede besluit werd met zijn nadruk op de plaatselijke kerk toch wel wat eng gehanteerd. De interpretatie-Visee werd al gauw als de enig mogelijke onder ons aanvaard en resulteerde in de nu gebruikelijke zendingsopzet van één verantwoordelijke en besluiten-nemende zendende kerk met daaromheen een kring van steunende kerken waarop ik in een volgend artikel uitvoeriger hoop terug te komen.
De plaatselijke kerk werd een geabstraheerde entiteit. Toen de discussies oplaaiden bij welk kerkverband de te stichten kerken in Zuid-Afrika zouden behoren, zeiden wij als Kampenaren: eerst wordt een kerk geïnstitueerd, en daarna besluit de nieuwe kerk bij welk kerkverband zij zich wil aansluiten, als een vrije keuze. Zo bang waren we iets te kort te doen aan de bevoegdheid van de plaatselijke kerk. Waartegenover de Dopperbroeders in Zuid-Afrika stelden: nee, een kerk wordt geïnstitueerd binnen een bepaald kerkverband en niet erbuiten.
Achteraf zeggen we dat de Doppers schoon gelijk hadden. Want een zendeling draagt het kerkverband met zich mee. Hij komt niet als een willekeurig Christen met een Evangeliesec, maar als een man gevormd door zijn kerkelijke belijdenis en traditie.
Eenzelfde eenzijdige nadruk op de plaatselijke kerk tegenover het kerkverband kwam naar voren toen Kampen zich het recht voorbehield zelf voorgangers te kunnen gaan opleiden waarop de Doppers terecht zeiden dat opleiding in klassiek-gereformeerde zin altijd een kerkverbandszaak was geweest. Kampen-1951 was een gezonde kerkelijke ontwikkeling maar - zoals zo dikwijls gebeurt in de kerkhet bracht een overreactie met zich mee. De zekeringen die de plaatselijke kerk, ook in het kerkverband, haar plaatsje aanwezen, sloegen wel eens door.

'Eenvoudigheidscultus'
Wie bewust de vijftiger en zestiger jaren heeft meegemaakt voelt wel aan wat ik met dat woord bedoel. Het was de tijd van het 'gewoon' de Bijbel lezen. We moesten vooral maar eenvoudig blijven. Toen vanuit het zendingsveld de aandrang kwam met opleiding te beginnen, was de reactie van de zendende kerk om ons liever los te maken van het historische Gereformeerde patroon van predikanten en naar Bijbels recept het herdersambt in te stellen. De herders mochten dan wèl sacramenten bedienen. Werd van Dopperzijde opgemerkt dat zij al een Theologische School voor inheemse voorgangers hadden, was ons Kamper antwoord dat wij geen theologie wilden bedrijven maar slechts voorgangers opleiden. Dat daar dan wel een hele specifieke theologie achter zat, beseften wij niet.
Een zeer bekende dominee uit die tijd - allang overleden - heeft eens zijn brandende toorn in de pers over mij uitgeschud, toen bekend werd dat ik de Heidelbergse Catechismus in de opleiding van helpers gebruikte. Dat was boven-bijbelse binding! Alleen de Bijbel was toch genoeg? Dat wij overigens hierin een gewoon zendingspatroon volgden om namelijk aan de jonge kerken mee te geven wat wijzelf hebben, was zeker onbekend. Zendelingen moesten toch ook niet te moeilijk doen met uitvoerige catechisaties.
Toen de kamerling uit Afrika beleed dat Jezus Christus de Zoon van God is, werd hij prompt gedoopt. Nou dan!
Maar wij als jonge zendelingen begonnen door te krijgen dat die eenvoudigheidscultus meer vragen oproept dan oplost.

Amateurisme en isolering
De winst van Kampen-1951 werd in het uitgevoerde beleid eerder verlies dan winst. De plaatselijke kerk was wel weer op zijn bijbelse plaats gezet maar de professionaliteit van deputaten waren we kwijt.
Op zichzelf was deze nood het ergste niet - daaraan viel wel wat te doenmaar erger was dat wij soms de indruk kregen dat men van de nood een deugd maakte. Het woord 'amateurisme' doet minder prettig aan. Het wil zeker niet tegen onze zendingscommissies aanschoppen.
Toch schrap ik het niet. Ik pas het immers niet in het minst op ons-zelfde jonge zendelingen van weleertoe. Ook als Vrijgemaakten waren we kinderen van onze tijd. Maar kom ik aanstonds aan onszelf toe, ook de Zendingscommissies laboreerden aan een zeker amateurisme, niet altijd in staat de zendelingen sturing te geven.
"Je moet maar eenvoudig het Evangelie brengen, jongen", zo zei mij eeno zo dierbare oude dominee.

Veel zendingdeskundigen hadden we niet in ons midden. Alle raad die ik vóór mijn vertrek naar Zuid-Afrika meekreeg, was de Islam uitvoerig te bestuderen omdat je die immers overal op de wereld tegenkwam. Ik kan er nu nog met een glimlach aan terugdenken hoe ik drie weken op de bootreis met mijn dikke Duitse pil over de Islam bezig was waarnaar ik overigens later nooit weer gekeken heb.
Want toen diende de praktijk van Afrika zich aan waar het allemaal toch niet zo eenvoudig bleek te zijn.

Zowel met Ds Van den Berg als later met Os Kurpershoek werden lange gesprekken gevoerd over catechese.
Wat moest je beginnen met jongelui van animistische huize die de Heer in de gemeente wilden belijden? Wat betekent 'magie' in het Zoeloe-leven en hoe benader je dat vanuit het Evangelie? We voelden ons als dwalenden in een vreemde wereld.

Van huis uit hadden we niet geleerd oecumenisch bezig te zijn. Integendeel, die vleugel van ons thuisfront die later mede aansprakelijk was voor het ontstaan van de Buitenverbanders, loerde nauwgezet op ons of we toch vooral wel op een veilig afstandje bleven van de Doppers.
Dat was de valse kerk!
Behalve amateurs waren we ook geïsoleerden in de zendingswereld.
Geïsoleerden met vreemde ideeën over herdersambt, kerkverband en oecumene. Maar de Dopper-broeders in de zending, hen zochten wij. Daar ontmoetten we broeders die met hetzelfde worstelden als wij. Terugkijkend heb ik wel eens het gevoel dat we die eerste jaren wat rondrommelden. Bergen ijver, molshoopjes verstand. Maar eerst het contact met de zendingsmensen van 'die Gereformeerde Kerke in Suid-Afrika' en vooral daarna de eerste jaren van 1968 af het contact met 'The Missiological Society of South Africa', die waren het die onze voeten richting gaven om een zinvolle invulling te geven aan het werk van Gereformeerde zendelingen. Van amateurs begonnen we een beetje professionals te worden. En we zagen dat we niet ver kwamen met de leuze: eenvoudig het Evangelie brengen.
Ook de kerken in Nederland zijn dat stadium van de 'eenvoudigheidscultus' nu wel gepasseerd. Zoals de zendelingen jarenlang meelopen, zo blijf je in de zendingscommissies jaar op jaar dezelfde gezichten tegenkomen. Het amateurisme-stadium hebben we allang achter de rug. Want wat zending ook al is of interkerkelijke hulp aan Afrika, amateur-werk is het niet.
We zijn doende het verlies van Kampen-1951 in te lopen.
Maar we hadden wel een achterstand opgelopen!
Toch is de vraag gerechtvaardigd: zijn onze kerken in hun activiteit op Afrika zo gestructureerd dat het verlies van de eerste jaren in voldoende winst kan worden omgezet? Hier ben ik bang dat het verleden ons tot vandaag toe parten blijft spelen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief