Margreet
1997-03-07
Op een zaterdagmiddag ontmoet ik haar voor het eerst: Margreet. In haar opvallende gele regenjas is ze vóór mij de supermarkt doorgelopen en nu staat ze bij de kassa en lacht mij vriendelijk toe. Ik moet gewoon even iets tegen haar zeggen: "Ook een paar dingen vergeten?" Ze lacht opnieuw en terwijl ze afrekent en haar spullen in de tas pakt zegt ze vrolijk: "Ja, ik moest nog even iets lekkers voor mijn kinderen kopen. Morgen maak ik er een gezellige dag van want dan zijn we heerlijk met z'n drieën. Ik ben namelijk net gescheiden, en dat voelt toch goed! Dag hoor, ook een prettige zondag!"- Jaargang 41
- nummer 5
Kwiek loopt ze weg. Ik kijk haar verbaasd na en reken bijna gedachtenloos af.
Hoe kan iemand zo stralend over haar gescheiden zijn praten. Buiten zie ik haar gele regenjas. Ze staat bij haar fiets en ik loop erheen. Het kan me niet schelen ik vráág het haar gewoon.
"Hoe kan dat, je fijn voelen als je net gescheiden bent?" Ze accepteert mijn nieuwsgierigheid en vertelt me heel in 't kort wat ze heeft meegemaakt. "En jij, ben jij ook gescheiden?"
Nee, dat ben ik niet. Ik houd al 35 jaar van dezelfde man en dat verveelt me nog niets. "Dat vind ik wel iets om jaloers op te zijn," zegt ze eerlijk. "Dat zou ik ook wel willen. Maar nu ga ik iets van mijn leven maken. Ik heb er echt zin in. Ik ga weer studeren en wat leuke dingen doen. Ik voel me zo vrij, weetje?"
Pas een half uur later fiets ik naar huis.
Wat een wonderlijk gesprek met een wildvreemd mens. Ik ben helemaal niet zo'n type dat zomaar contact zoekt, dit is me gewoon overkomen. Waardoor eigenlijk? Door haar gele regenjas?
Door haar ontwapenende lach, haar leuke ogen, haar uitdagende opmerking?
Ik weet het niet.
Na die zaterdagmiddag ontmoet ik haar op de wonderlijkste tijden. We vallen elkaar gewoon op, geloof ik. Zelfs op die ochtend dat ik me vreselijk depri voel en bij de Hema door mijn lusteloos gepruts m'n fiets niet van het slot kan krijgen. Als het eindelijk lukt en ik opkijk ontmoet ik de verdrietige ogen van Margreet. "Hallo Margreet!" zeg ik, opklarend. Maar Margreet is niet blij meer. Ze heeft van de dokter te horen gekregen dat ze reuma heeft. Ze laat me haar opgezwollen vingergewrichten en enkels zien. "Ik kom in een rolstoel terecht!" zegt ze somber. Ik sla even een arm om haar heen. Wat moet ik nou zeggen tegen dit energieke moedige mens?
lets van 'kop op, meid, zo'n vaart zal het niet lopen?' Of moet ik iets gelovigs zeggen. Pas op, houd ik mezelf voor. Ik heb allang gemerkt dat Margreet nul komma nul gelooft. Als ik haar nu afschrik met ondoordachte woorden ben ik haar kwijt. "Bel me eens op als je zin hebt om te praten?" aarzel ik Haar ogen lichten op. "Dat lijkt me gezellig!" zegt ze, met iets van oude zwier in haar stem. "Weet je," zegt ze "ik heb in mijn dagboek geschreven hoe bijzonder ik dit contact vind. En in de telefoongids heb ik je nummer opgezocht.
Ik zal je bellen. Maar nu moet ik naar huis, want de kinderen wachten op me. Blij dat ik je even gezien heb."
Ik kijk haar na terwijl ze moeizaam wegfietst. Mijn depressieve bui is op slag verdwenen. De hare ook, merkte ik. Thuis zoek ik een kaart op. Zal ik die met een bemoedigend woord door haar brievenbus gooien? Toch maar niet.
Hoe broos is het lijntje. Ik wacht af. Als onze gesprekjes voor haar de moeite waard zijn om op te schrijven in haar dagboek, dan zal ze misschien wel komen. Geduld maar. En als het me echt te lang duurt, dan zal ik haar bellen.