Stefanus en Christus' Koningschap

1997-10-03
  • Jaargang 41
  • nummer 20
Dat Christus bij zijn hemelvaart zijn troon besteeg en als koning heerst aan de rechterhand van God, is alleen maar te zien door wie gelooft. Stefanus zag het. Hij had nogal wat opschudding verwekt in de synagogen van buitenlandse Joden, zoals de Libertijnen, Alexandrijnen, Cyreneeërs en nog anderen. Deze Joden waren buiten Palestina geboren en opgegroeid, maar hadden zich tegen het eind van hun leven in Jeruzalem gevestigd, uit liefde voor de wet en de tempeldienst en om in het beloofde land begraven te kunnen worden. Uiteraard had hun dat nogal geld gekost. Emigreren was niet goedkoop.

En nu hadden ze in hun synagogen Stefanus horen zeggen dat de mozaïsche wet en de tempeldienst hun tijd gehad hadden. Als zoiets gezegd wordt van zaken waarvoor je zoveel over had, dan is het geen wonder als je opgewonden, verontwaardigd en kwaad wordt. Ook nu is dat nog zo in de kerkelijke wereld. Als tradities worden aangevochten met bijbelse argumenten, roept dat maar al te vaak verontwaardiging op bij mensen die ze altijd verdedigd hebben en hun leven eraan gewijd hebben.

Het gevolg is dat Stefanus voor de Hoge Raad wordt gesleept. Ook daar ontstaat grote opschudding, omdat hij hen beschuldigt van verzet tegen de Heilige Geest en van moord op de Rechtvaardige. De Hoge Raad is furieus.
En als kerkelijke instanties furieus worden, valt er niet veel goeds te verwachten. Dan zegt Stefanus: ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen staande aan Gods rechterhand.

Dat is teveel voor de leden van het Sanhedrin. Want nog niet zo lang geleden stond er Iemand voor hen die zei: van nu aan zult ge de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht. Ze hadden gedacht voorgoed van Hem af te zijn door Hem ter dood te brengen. Maar nu staat daar ineens weer iemand voor hen die daarop inhaakt en die Jezus als koning in actie ziet. Dat is teveel. Ze beginnen te schreeuwen. AI die deftige heren verliezen hun decorum, springen op, stormen op Stefanus af en sleuren hem de straat op en de stad uit om hem te stenigen. En dan suizen de brokken steen door de lucht en treffen zijn benen, zijn borst, zijn rug, zijn hoofd.

Waar is het nu te zien dat Jezus koning is? Als Hij dan koning is, zoals Stefanus beweerde, waarom laat Hij dit dan toe? Waarom grijpt Hij niet in? Met elke steen die Stefanus treft, willen die woedende heren zeggen: we zullen je laten zien en voelen wie hier de touwtjes in handen heeft!

Nee, menselijk gezien is hier helemaal niets van Jezus' koningschap te zien. Maar Stefanus weet dat het toch waar is. Als hij onder het geweld van de stenen die hem treffen, in elkaar zakt, bidt hij: Heer (Kyrie), reken hun deze zonde niet toe. Heer, Kyrie - zo werden koningen aangesproken. Stefanus twijfelt niet aan Jezus' koningschap. Op het moment waarop alies ertegen lijkt te spreken, belijdt hij stervend zijn geloof erin. En juist daarin bewijst zich dat koningschap.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief