Het archief van Professor C. Veenhof
1997-10-03
Bij zijn overlijden niet Professor C. Veenhof (1902-1983) een grote hoeveelheid paperassen na, honderden brieven, preken, teksten van lezingen en referaten, en een grote verscheidenheid van stukken die het resultaat waren van zijn ruim vijfjarige betrokkenheid bij allerlei maatschappelijke en kerkelijke activiteiten. Veel daarvan heeft te maken met de ontwikkelingen van het gereformeerde leven in de dertiger jaren, de Vrijmaking en alles wat daarop volgde tot en met het ontstaan van de Ned. Geref. Kerken. Dit materiaal werd door de familie ter beschikking gesteld van het archief van de Ned. Geref. Kerken en toevertrouwd aan de archiefhouder, de heer D. Smits te Vlaardingen. In de afgelopen jaren heeft hij dit materiaal gesorteerd en beschreven, met als resultaat een omvangrijke inventaris, gevolgd door een volledige lijst van publicaties (samen 173 pagina’s). Het archief is nu gedeponeerd in het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit, waar het voor historisch onderzoek toegankelijk is.- Jaargang 41
- nummer 20
Ter gelegenheid van de voltooiïng van de inventaris werd op 10 september j.1. in het Documentatiecentrum een bijeenkomst belegd waarin de Heer Smits de inventaris aan de familie aanbood en werd bedankt voor zijn werk. Dr. G. Harinck, wet. medewerker van het Documentatiecentrum, belichtte de betekenis van het archief voor het kerkhistorisch onderzoek en tenslotte sprak Prof. K. R. Veenhof namens de familie een dankwoord uit.
Hier volgt de iets bekorte kern van zijn toespraak. "Dat het archief van vader nu, volledig geïnventariseerd en gesorteerd, in dit Documentatiecentrum voor historische onderzoekers goed toegankelijk is, zou hem zelf ongetwijfeld deugd gedaan hebben. Hij heeft zijn leven lang veel materiaal uit de kerkgeschiedenis opgespoord en gebruikt en ontdekt dat dat soms niet eenvoudig was. In de inleiding tot zijn boek Prediking en Uitverkiezing. Kort overzicht van de strijd gevoerd in de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk tussen 1850 en 1870 over de plaats van de leer der uitverkiezing in de prediking (1959) constateert hij dat het niet behoeft te verbazen dat deze periode uit de geschiedenis der Afgescheidenen slecht bestudeerd is. "Men denke zich maar eens in wat het zeggen wil de archieven van kerken, classicale en synodale vergaderingen te moeten napluizen. Bovendien moet men zich door een oerwoud van tientallen jaargangen, meestal zeer onoverzichtelijk geschreven week- en maandbladen heen worstelen. Om nu maar niet eens te spreken van de zeer vele, vaak zeer moeilijk bereikbare brochures en andere geschriften".
Geschiedschrijving
Deze en andere ervaringen hebben hem ervan doordrongen dat voor een goede geschiedbeschrijving vooral drie dingen nodig waren.Ten eerste van het verzamelen, beschikbaar krijgen en ontsluiten van verspreid bronnenmateriaal. Dat heeft hij zelf sinds de dertiger jaren steeds gedaan en zijn bibliotheek bevatte (afgezien van de door hem zelf gemaakte plakboeken met knipsels) een enorme collectie brochures, kerkelijke jaarboekjes, handelingen van vergaderingen, kerkbladen, kranten, gedenkbundels uit de 1ge en de eerste helft van de 20e eeuw, redelijk systematisch en alfabetisch op de zolder opgesteld. Mijn broer en ik hebben hem af en toe geholpen met het kaartsysteem of met het ordenen ervan, als door gebruik te veel naar de studeerkamer was verhuisd en de systematiek wankelde. Maar vader had een geweldig geheugen en wist vrijwel altijd te vinden wat hij zocht, ook in de voor outsiders soms chaotisch ogende overvolle studeerkamer. Dat verzamelen heeft hem ook in staat gesteld zo gedocumenteerd over die tijd te schrijven.
Die hele verzameling bevindt zich nu in de bibliotheek van Die Teologiese Skool van die Gereformeerde Kerk in Zuid-Afrika, te Potchefstroom. Het was een bewonderenswaardige beslissing die hele collectie, waaraan hij zo verknocht was, al een aantal jaren vóór zijn dood, toen hij het huis aan de Ebbingestraat te Kampen moest verlaten, te verkopen. De catalogus van de "Veen hof Boekerij" (in 1980 in Zuid-Afrika vervaardigd) zou een interessant complement zijn op zijn archief.
Ten tweede besefte hij de noodzaak met dit verzamelen en ontsluiten zo spoedig mogelijk te beginnen. In het "Woord Vooraf" van zijn rijk gedocumenteerde boek Om de Unica Catholica (1949), dat o.a. de voorgeschiedenis van de Vrijmaking beschrijft, verantwoordt hij deze omvangrijke publicatie als volgt: "Vooreerst leek het mij van groot belang allerlei materiaal dat voor de kennis van de dogmatische en kerkrechtelijke situatie in de Geref. Kerken rondom 1942 en 1943 onmisbaar is nu reeds te verzamelen en te ordenen. Het zou later alleen ten koste van veel tijd en moeite kunnen worden opgedolven uit allerlei paperassen". Zijn eigen archief, nu geïnventariseerd en geordend, zal hopelijk de taak van toekomstige geschiedschrijvers wat vergemakkelijken. Dat is trouwens al het geval geweest, zoals o.a. uit Dr. Harincks dissertatie blijkt.
Hier kwam nog een derde motief bij, voor hem misschien wel het belangrijkste. Dat was het besef dat de geschiedenis, zeker de eigen recente kerkgeschiedenis, die vaak nog het heden bepaalt en waarbij de drang tot legitimatie een niet te onderschatten rol speelt, kwetsbaar is voor herinterpretatie en vertekening. Die ontdekking deed hij blijkbaar al in het begin van de veertiger jaren, toen hij samen met R.J. Dam en B. Holwerda een boekje schreef onder de titel Rondom 1905. Het was een historische studie over de synodebesluiten van dat jaar, die de bedoeling hadden de theologische spanningen tussen de afgescheiden en dolerende bloedgroepen van de Geref. Kerken te reduceren. De schrijvers van dit boekje en de latere Vrijgemaakten hebben zich altijd beroepen op de oorspronkelijke bedoeling van die leeruitspraken als rechtvaardiging voor hun theologische opstelling, wat door hun tegenstanders werd bestreden. In het voorwoord tot zijn al genoemde boek Om de Unica Catholica verantwoordt hij zijn besluit om, als iemand die de feiten en stukken uit de eerste hand kende, de voorgeschiedenis van de Vrijmaking reeds in 1949 te beschrijven als volgt: "Zo kan voorkomen worden wat met de uitsprak van 1905 is geschied, waarvan na nog geen 40 jaar de werkelijke betekenis en bedoeling niet meer werd verstaan".
Eigentijdse geschiedschrijving
Eigentijdse geschiedbeschrijving door een directe getuige en medespeler, met gebruikmaking van originele documentatie, kan en moet vertekening en herinterpretatie voorkomen. Die overtuiging heeft hem niet meer losgelaten.
Het latere conflict in de Vrijgemaakte kerken, heeft zich - afgezien van theologische verschillen inzake de rol van de confessie - toegespitst op de interpetatie van de vrijmaking als historisch gebeuren. De complexe werkelijkheid van een triest conflict tussen leden van één kerk rond dogmatische en kerkrechtelijke meningsverschillen, werd door sommige Vrijgemaakten ingeruild voor een historisch simplistische en theologisch bedenkelijke interpretatie. Het werd verheven tot een door God geschonken reformatie, die tegelijk moest dienen ter legitimatie van de eigen, ware kerk. Ondanks zijn diepe overtuiging dat de Vrijgemaakten zowel dogmatisch als kerkrechtelijk het gelijk aan hun zijde hadden en dat de theologische vernieuwing van de dertiger jaren een zegen was, heeft vader zich tegen deze visie, die later in de Open Brief terecht aan de kaak is gesteld, verzet.
Zijn boek Om Kerk te Blijven, uit 1966, werd geschreven "i.v.m. de crisis in de Vrijgemaakte kerken" en wilde tekenen "waar het in de Vrijmaking in wezen om ging". Hij bood hierin ook "een beetje geschiedenis, een kort overzicht van wat blijkens de geschiedenis een reformatie van de kerk kan tegenstaan en verderven en wat in dit opzicht Afscheiding en Doleantie te zien geven". En met zijn boek Volk van God, over Bavincks kerkbeschouwing (1969), hoopte hij, a.h.w. onder de vlag van Bavincks erkende orthodoxie en theologisch gezag de confessionaliteit van zijn visie op de kerk kracht bij te zetten. Het was voor hem triest dat zijn theologisch en historisch beargumenteerde waarschuwing binnen de sterk gepolariseerde verhoudingen het uiteindelijke conflict niet kon voorkomen. Ook na de breuk in de Vrijgemaakte Kerken heeft hij het als zijn taak gezien al spoedig de voorgeschiedenis, het ontstaan en de eerste ontwikkelingen binnen wat nu de Nederlands Gereformeerde Kerken zijn te beschrijven, met name in enkele uitvoerige bijdragen in de kerkelijke jaarboekjes van 1974 en 1975. Want ook in die kleine kerkengemeenschap bestaan verschillen van inzicht, met historischdogmatische wortels, o.a. over betekenis van de confessie, de kerkorde, en over de rol van de theologie in the theologische opleiding (van dit laatste is het in 1974 tot vaders diepe teleurstelling opgerichte Geref. Seminarie de exponent). Daarom ook schreef hij in 1974 een boekje Kerkgemeenschap en Kerkorde, met als ondertitel "Kort overzicht van de strijd gevoerd in de Afgescheiden Kerken tussen 1836 en 1840 over de kerkgemeenschap en kerkenorde" . Het was z.i. nodig deze "trieste geschiedenis" op te halen als waarschuwend voorbeeld voor de over inhoud en rol van een kerkorde verdeelde Ned. Geref. Kerken. Daarbij speelde zijn ervaring mee dat in de vrijmakingstijd principieel verdedigde inzichten over de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk en de aard van het kerkverband tijdens de conflicten binnen de Vrijgemaakte kerken soms slechts pro memorie-posten bleken te zijn.
Existentiële betrokkenheid
Uit het bovenstaande blijkt wel dat vader, die geen academisch of afstandelijk historicus was, de kerkgeschiedenis beschreef met een soms haast existentiële betrokkenheid. Het ging hem vooral om de lessen van de kerkgeschiedenis voor het heden, want die geschiedenis is "een erfenis waar we niet om heen kunnen en die nog het heden bepaalt". Een dergelijke geschiedschrijving roept natuurlijk soms vragen op, want het is tegelijk een geïnterpreteerde geschiedenis en die bevat altijd een element van subjectiviteit. Die subjectiviteit was m.i. gewettigd in zoverre hij het beschrevene zelf zeer bewust had meegemaakt en werd beperkt door een uitvoerige documententatie, in voetnoten, citaten en bijlagen, die als bewijs diende en uitnodigde tot controle. Vader liet er de lezer nooit lang over in het onzekere met welke visie of welke personen hij het eens was. Mannen als Brummelkamp, Groen van Prinsterer, Helenius de Cock, Wormser, v.d. Bergh, Bavinck, Sikkel en anderen spraken hem steeds meer aan. Zijn aanvankelijke bewondering voor Kuyper (aan wie zijn eerste boeken gewijd waren) verdween niet, maar deze kreeg niet de status van historisch exempel. Bovendien zocht vader in de vragen rond kerk, sacrament, confessie en theologie steeds meer aansluiting bij de 16e eeuws reformatie en deelde hij Kuypers waardering voor de meer scholastieke 17eeeuwers niet. De door hem gekozen vorm van geschiedschrijving is begrijpelijk, omdat het hem niet enkel ging om de met jaartallen te staven "feitelijke toedracht", maar om het beschrijven, verstaan en analyseren van historische achtergronden, botsende theologische visies en religieuze positiekeuzen.
Want dat zijn verschijnselen die in de kerkgeschiedenis steeds, met wisselende decors, voor herhaling vatbaar zijn. Inzicht daarin moest helpen ook nu goede theologische keuzes te doen, die de kerk zouden bouwen en conflicten voorkomen.
Het is natuurlijk triest dat juist in conflictsituaties naar dergelijke lessen uit de geschiedenis, ook als ze juist zijn, zelden wordt geluisterd. Was vader daarmee, om het dramatisch te zeggen, "een roepende in de woestijn"?
Misschien soms wel, maar dan was hij, om deze wat gewaagde bijbelse vergelijking nog even door te trekken, in goed gezelschap. Dat waren de bijbelse profeten, die als eersten geduide geschiedenis als waarschuwend voorbeeld gebruikten, meestal ook, want Israël luisterde niet. Jeremia’s boodschap vond pas na de catastrofe van de babylonische ballingschap erkenning. Ik denk dat wat vader schreef, behalve in de kring van wie zijn overtuiging van meetaf deelde, soms pas later meer erkenning vond, als de kruitdamp was opgetrokken. Uiteraard genoot hij van waardering voor zijn publicaties, vooral ook als die van betrekkelijke buitenstaanders kwam, die eerder tot een objectief oordeel geneigd waren. Brieven in het archief leggen daarvan getuigenis af.
Blijk van waardering
De inventarisatie van vaders archief heeft primair ten doel historisch onderzoek mogelijk te maken. Toch vatten wij als familie het ook op als een posthuum blijk van waardering, en dat niet alleen van zijn historisch besef en interesse, die hem zoveel deed verzamelen, bewaren en gebruiken. Het archief is vooral de afspiegeling van zijn vele contacten en persoonlijke betrokkenheid, soms als één der hoofdrolspelers, bij de gereformeerde kerkgeschiedenis tussen 1930 en 1975. Juist die betrokkenheid en deelname resulteerden in de vele documenten en brieven die zijn archief rijk is. Het archief kent natuurlijk allerlei lacunes. Notoir onvolledig is zijn eigen correspondentie, want vader heeft nooit leren typen en hoewel hij af en toe van de diensten van een secretaresse gebruik maakte, bestaan van de meeste brieven die hij ooit schreef geen afschriften. Maar gelukkig zijn ze er wel van een aantal belangrijke, zoals de door mijn broer enige tijd geleden gepubliceerde, waarin vader bezwaren aantekende tegen Schilders strijdwijze. Per definitie niet te documenteren, tenzij daar in de correspondentie naar wordt verwezen, is zijn invloed via de vele gesprekken met de bezoekers die altijd en van overal kwamen om informatie, advies of om bij te praten. De collectie heeft haar beperkingen.
Vóór de Vrijmaking waren er veel contacten in het brede gereformeerde leven, op kerkelijk, politiek en maatschappelijk terrein. Na de Vrijmaking slonk die kring, al heeft vader altijd relaties over de kerkmuren heen aangehouden en namen ze in later jaren tot zijn vreugde weer toe. De Vrijmaking bracht ook voor hem frustraties mee, waardoor goede contacten met vermeende medestanders en vrienden, die hem door hun positiekeuze ernstig teleurgesteld hadden, afbraken of voorlopig onmogelijk werden. Maar hij heeft de in vrijgemaakte kring soms gehuldigde theorie van een generaal ethisch conflict als konsekwentie van een kerkelijk breuk nooit aanvaard. Helaas heeft veel materiaal in het archief betrekking op conflicten, rond de Vrijmaking, rond het weekblad De Reformatie, rond de spanningen die leidden tot de breuk in de Vrijgemaakte Kerken. Conflicten genereren nu eenmaal altijd veel beschreven papier en voor de historicus zijn ze doorgaans boeiend en dus hoort het erbij. Het zal in ieder geval goede diensten kunnen bewijzen om deze gebeurtenissen objectief te beschrijven.
Vaders inzet gold, weliswaar meestal binnen een kerkelijk kader, gelukkig ook heel praktische zaken zoals de Gereformeerde Kinderbescherming, de Centrale Diakonale Conferentie (waarvoor hij i.v.m. ABW diep in de historisch en religieuze problemen rond armoede en ouderenzorg dook en jaren lang het tijdschrift Dienst redigeerde), de Reformatorische Bijbelschool, de Bond van Jongelingsverenigingen, het Sanatorium Sonnevanck, de nieuwe psalmberijming, enz. De tijd daaraan besteed heeft duidelijk zijn neerslag in het archief gevonden. Hij heeft in Utrecht ook de tweede wereldoorlog heel bewust meegemaakt, zowel thuis, omdat wij de gehele oorlog een joods meisje in huis hebben gehad, als in de praktijk van het kerkelijke leven. Hij heeft veel oorlogsmateriaal verzameld (o.a. pamfletten, rondschrijvens, kanselboodschappen, tijdschriften) en de NSB en de nazi-ideologie, net zoals hij later met het communisme deed, grondig uit de bronnen bestudeerd. Het archief bevat gelukkig ook de neerslag van zijn normale werk, zijn predikantschap, met honderden preken en lezingen, en zijn hoogleraarschap aan de Broederweg te Kampen, vanaf 1946 tot zijn emeritaat in 1968, o.a. in de vorm van zijn collegedictaten. Voor historici wellicht minder spectaculair, maar hij deed het met hart en ziel. Ook zo verdient zijn nagedachtenis in ere gehouden te worden. Waar in Kampen een zichtbare herinnering aan zijn persoon en werk in de Theologische Hogeschool helaas nog ontbreekt, is het voor ons bijzonder fijn dat de gedachtenis aan hem in dit Documentatiecentrum zal blijven voortleven, vooral ook dankzij de inzet van de heer Smits, die een grote massa paperassen in een toegankelijke archief veranderde.