Over de heg
1997-10-17
Als onze naaste kerkelijke buren met en over elkaar praten, dan leggen wij graag ons oor te luisteren. En dan niet om geroddel over elkaar te horen (het is meer onze oude mens die in dat soort dingen geïnteresseerd is), maar in de hoop signalen op te vangen dat het gesprek over de heg dienstbaar mag zijn zowel aan de heerlijkheid en de glorie van onze Here God in deze wereld als aan de bevordering van de eer en de goede naam van onze naasten. Goed, met die instelling slaan we De Wekker op van 26 september. Daarin reageert professor Van 't Spijker (CGK) op stukje dat dominee Van Gurp (GKV) schreef in Reformanda. Ik citeer uit De Wèkker: - Jaargang 41
- nummer 21
Dat ds. Van Gurp niet helemaal content is met de samensprekingen met onze kerken, en vooral met de ontwikkelingen die zich op plaatselijk niveau hier en daar voordoen, is bij tijden met de handen te tasten. Naar zijn gedachte geschieden er op dit terrein zaken die niet door de kerkelijke beugel kunnen. Om enigszins een ordelijke wind te laten waaien stelde hij in 'Reformanda', Nr. 33, 10 september 1997 de vraag aan de orde of men onze kerken wel voor ware kerken zou kunnen houden.
Even terzijde: hier duikt een herkenbaar mechanisme op: met een beroep op de ordelijkheid, wordt de onvrede (in dit geval van Van Gurp) over wat er plaatselijk gebeurt, gesublimeerd tot een kwestie waarover het landelijk kerkverband zich eerst dient uit te spreken - met alle vertragingseffekten die daar uiteraard aan vastzitten. "Zijn de Christelijke Gereformeerde Kerken ware kerken?" Wel, zegt Van Gurp: tot op heden is dat nooit uitgesproken door enige Synode van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Oftewel: dat is nog lang niet zeker. Van 't Spijker schrijft daarover op de van hem bekende manier: breedoecumenisch, de vrede zoekend en toch niets verdoezelend. In de eerste plaats prijst hij het in Van Gurp dat deze aandacht vraagt voor de kerk. Immers:
De vraag of een kerk een ware, een echte kerk is, raakt vandaag geheel op de achtergrond. De mensen zijn een beetje benauwd geworden om over de kerk te praten (...) We praten overal over, en we maken van veel punten kwesties, behalve over de kerk. Bevinding, ervaring, vroomheid, geestelijke groei, gemeenteopbouw, en tal van andere onderwerpen doen het tegenwoordig. En we vergeten dat er over geen van deze kwesties een zinnig woord te zeggen valt, wanneer we niet eerst de plaats bepaald hebben, van waaruit of waarbinnen wij ze ter sprake brengen. Het komt bij mij over als een soort vlucht.
Dat waardeert Van 't Spijker dus positief in de beschouwingen van Van Gurp: dat hij de kerk ter sprake brengt.
Het gesprek spitst zich vervolgens toe op de vraag of de synode van de GKV van 1946 nu wel of niet heeft uitgesproken dat de CGK ware kerken zijn. Terwijl Van Gurp dat bestrijdt, verdedigt Van 't Spijker het tegenovergestelde: in 1946 heeft de Vrijgemaakte synode immers uitgesproken dat de Christelijke Gereformeerde kerken staan op de grondslag van Gods Woord en de drie formulieren van enigheid; en daarmee heeft die synode, aldus Van 't Spijker, wel degelijk, zij het impliciet, de Christelijke Gereformeerde kerken erkend als ware kerken. Boeiend en indrukwekkend is dan de herinnering die Van 't Spijker ophaalt aan zijn eerste kennismaking met prof. K. Schilder; ook ongeveer in 1946. In wat Schilder daar zei was veel dat de jonge Van 't Spijker niet begreep (hetgeen ons tot troost mag zijn), maar dan vertelt hij:
Belangrijker was, hetgeen ik goed begreep en ook nimmer vergeten ben, dat het ware-kerk-zijn op dit moment voor prof. Schilder kwam af te hangen van de vraag of er werkelijke bereidheid zou gevonden worden om de weg van de eenheid waarlijk te zoeken en te gaan. Zouden de christelijke gereformeerden daarin weigeren, dan zou dit hun kerk-zijn onmiddellijk raken. En eveneens zou de echtheid van het kerk-zijn van de vrijgemaakten afhangen van de vraag naar wezenlijke bereidheid om de weg van de eenheid biddend te zoeken.
De ware kerk: niet gedefinieerd naar de bekende drie kenmerken, maar naar de bereidheid om werkelijk de eenheid te zoeken met de ander, en dat dan zónder dat die ander eerst een exakte kopie van jezelf moet worden. Van 't Spijker besluit:
Nu zijn we omtrent een halve eeuw later. Niet véél verder, maar toch wel dichter bij de idee van een ware, echte kerk gekomen. Ds. Van Gurp heeft eerbied voor de belijdenis omtrent de kerk. Hij kan dit alleen op een ware manier staande houden, wanneer hij bereid is toe te geven, dat uit de handelwijze van de synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) zonneklaar blijkt (...) dat deze kerken de onze houden voor ware kerken in de zin van de belijdenis, die zij, naar de getuigenis van 1946, als grondslag bezitten op 't fundament van het Woord Gods.
Is het nu echt zo moeilijk: elkaar royaal (d.i. letterlijk: in de stijl van de Roi, van de Koning) te erkennen als ware kerken van de Here Jezus? Mét verschillen, jazeker - maar één in Hem? En zouden wij, als Nederlands Gereformeerden, dan ook mogen aanschuiven? Om aan elkaar en aan de wereld iets te laten zien van de ruimheid van het Evangelie van Gods liefde in Jezus Christus?