De God van Christus
1997-05-02
"Een ieder die vereer gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet..."- Jaargang 41
- nummer 9
II Johannes : 9
'God mag weer', schettert het op het ogenblik door de media.
'God mag weer'. getuige bijvoorbeeld het motto van de boekenweek 'Mijn God'. Haast plotseling is deze omslag gekomen.
Wat een paar jaar geleden nog ondenkbaar was, is nu realiteit. Ik moet trouwens zeggen dat dit zinnetje, 'God mag weer', mij tegenstaat. Wie enig Godsbenul heeft weet dat het er niet om gaat of Godvan ons mag maar of wij van God mogen. Hoe komt men er eigenlijk toe dat andersom te zeggen!? Maar goed, over die merkwaardige omkering in het religieuze wil ik het nu verder niet hebben, Laat ik maar uitleggen wat men met het gezegde bedoelt.
Sinds de zestiger en zeventiger jaren was er moed voor nodig om God publiek ter sprake te brengen. Daar kreeg men een rood hoofd bij en men stotterde alsof het over een taboe ging.
En nu is dat weer anders geworden.
Openlijk en vrijmoedig noemen mensen weer Gods naam, in de krant, voor radio en teevee. Dat is inderdaad een opmerkelijke verandering. Er is wel eens gezegd dat de moderne mens te groot, te volwassen voor godsdienst geworden is, maar dat wordt door dit onloochenbare feit van de hernieuwde opleving van de religie gelogenstraft. Godsdienst laat zich niet definitief afschaffen. Het is in Rusland bijna een eeuw lang stelselmatig geprobeerd, maar na de val van het communisme blijkt de religie daar springlevend. En dat maken we nu in de secularisatie-woestijn van het Westen ook mee. Dat godsdienst terug is van weggeweest.
God en Christus
Kunnen wij met deze nieuwe ontwikkeling blij zijn? Niet onverdeeld, ben ik bang. Wat terugkeert is wel de religie, maar niet langer vanzelfspekend de christelijke religie. Dat God weer mag wil helemaal niet zeggen dat Christus nu ook weer mag. De god die weer mag is een andere dan de God die onze ouders en grootouders vereerd hebben: de God van de bijbel. De God van de bijbel is namelijk onlosmakelijk verbonden aan Jezus Christus en diens naam is ook vandaag nog steeds het teken dat weersproken wordt. Je zou daarom het proces van de afgelopen dertig, veertig jaren toch nog anders kunnen zien dan als een eb en vloed in het godsdienstige. Dat we daarin namelijk te maken hebben gehad met een toeleg van de boze.
Dat hij in onze cultuur de namen God en Christus van elkaar los heeft willen maken. Dan was het dus in de voorbije tijd niet zo dat men God kwijt wilde maar dat men alleen maar de God van Christus kwijt wilde. Even heeft het weliswaar geleken dat met Christus God zelf ook verdween, maar meer dan schijn was dat niet. Nee, God moest een leeg woord worden waar iedereen zijn eigen invulling aan kon geven. En dat zie je nu ook gebeuren. U' moet dan ook door het verraderlijke van dat boekenweekmotto heenzien. 'Mijn God', dat is niet bedoeld als een belijdenis dat de God van de bijbel weer de God van de moderne mens is geworden, zoals de oude psalmberijming zei: "Want deze God is onze God" (Psalm 48:6). Welnee, 'mijn God', daarmee bedoelt men de god die er van mij mag zijn, de god die er uitziet zoals ik dat wil. Zoals iemand kan zeggen 'mijn hond' en dan een beest bedoelt dat zijn dressuur heeft ondergaan. Dit betekent dan ook dat men het over één ding eens is: God mag niet weer de christelijke inkleuring krijgen! Dat is geweest en dat willen we nooit weer teruq. Inderdaad, zoals het in de tweede psalm gezegd wordt: "Laat ons zijn banden Christus, scheuren en zijn touwen van ons werpen".
'Hier is uw God'
God zit aan Jezus Christus vast, dat is wat we vandaag met grote nadruk moeten zeggen. Zonder Christus hebben wij geen God. De God die wij hier aanbidden is de God en Vader van die Jezus Christus die met doorboorde handen en voeten aan het kruis gehangen heeft. God schaamt zich niet, wil dit zeggen, de Vader van deze verworpen Christus te zijn.
Waarom is dit zo onopgeefbaar voor ons? Wel, in de psalm (113) staat: ,,wie is als de HERE, onze God, die zeer hoog woont, die zeer laag neerziet, in de hemel en op de aarde?" Wij hebben een God die het zeer hoge en het zeer lage weet te verenigen, die zijn hoogheid niet gebruikt om over alles wat in de laagte zit heen te zweven.
Hij is als God afgedaald in onze diepte, in de menselijke ellende van armoede, smaad, ziekte en dood. Dat heeft Hij in Christus gedaan. En daarmee is tegen ons gezegd dat wij aan alles wat veracht is bij de mensen niet voorbij mogen leven. Iemand heeft eens gezegd: "Hüte dich für den Menschen dessen Gott im Himmel ist", dat wil zeggen: "Pas op voor de mens wiens God in de hemel woont". De bedoeling van deze spreuk is niet aanstonds duidelijk, maar ik leg hem zo uit: Neem je in acht voor mensen die het in het godsdienstige enkel in de hoogte zoeken. Daar moet je erge dingen van vrezen. Daar moeten vooral degenen die in de schaduwkant van het leven zitten erge dingen van vrezen.
Nu, dat is inderdaad een levensgroot gevaar bij die hernieuwde belangstelling voor de religie. Dat het een egotripperij wordt, een hogerop zoeken met verwaarlozing van de naaste die aan de kant van de weg ligt. Daartegenover predikt de Schrift, met een uitgestrekte vinger naar Golgota wijzend: Zie, hier is uw God! En wie deze God dient, die kan en wil om de ellende in deze wereld niet heen.
De leer van Christus
Hierboven staat een woord uit de tweede brief van Johannes. Johannes heeft ze ook gekend, de mensen die het religieus hogerop zochten en die daardoor niet meer zagen wat zich rondom hun voeten afspeelde. Johannes noemt dat een verder gaan en een niet blijven in de leer van Christus.
Verder gaan? Inderdaad maakt dit soort religie de indruk een stap voorwaarts te zetten en zo hoger uit te komen dan voor gewone stervelingen mogelijk is. Ze waren begonnen, de mensen uit Johannes' ge meent, met de leer van Christus. Maar, stelden ze teleurgesteld vast, daar kom je niet ver mee.
Je blijft daarmee altijd maar in de laagte, in de misère, in de buurt van het kruis. Een eenzame bezoeken, een bedroefde opbeuren, een naakte kleden, ach, wat voor geestelijke groei valt daar nu van te verwachten, wat voor religieuze zoden zet dat nu aan de dijk? Het is goed en nuttig, hoor, maar je moet daar toch niet bij blijven.
Je moet (hoort u het?) verder gaan, hogerop komen. Maar de apostel waarschuwt: Zo bereik je God niet.
"Wie verder gaat en niet blijft bij de leer van Christus, die heeft God niet".
Ja, het is waar, dat opwieken op de vleugels van de geest, pardon: de Geest, schijnt je verder te brengen, schijnt je dichter bij God te brengen.
Maar schijn bedriegt. "Wie in de leer van Christus blijft, die heeft zowel de Vader als de Zoon." Wel eens over nagedacht, waarom wij God Vader noemen? Dat is om zijn Zoon. En daarom: Wie de Zoon heeft, die heeft de Vader. Wie belijdt dat de Zoon in de nederigheid van het vlees gekomen is, die heeft God als Vader. De weg naar God loopt door de diepte.
Hoe nodig is het vandaag elkaar op de duidelijke leer van de Schrift te wijzen!
Om zo op het nauwst in gemeenschap met Christus te worden gebracht. Wij willen in Hem blijven, wij willen in zijn leer blijven. Schrik niet van dat woord leer. Er zijn er die bij een leerstuk dan niets anders kunnen denken dan aan een stuk leer, droog en taai. Niet nodig! De leer van Christus, dat is het onderwijs van de Meester. Dat Hij met woord en daad omzag naar het verachte en het verworpene. En zijn kruis is daarvan de bezegeling. 'Mijn Verlosser hangt aan 't kruis'. De God van deze Verlosser, of Hij nu in het publieke leven een come back beleeft of niet, - Die willen wij dienen, liefhebben en eren. Geloofd zij God met diepst ontzag!