Gezang 262: 'Op, waakt op!' (1)

1997-10-31
  • Jaargang 41
  • nummer 22
Een van de uitbundigste liederen die de kerkgeschiedenis heeft voortgebracht, dankt zijn ontstaan aan een pestepidemie. In het aangezicht van de zwarte dood realiseerde de Lutherse dichter zich de betrekkelijkheid van kerkelijke polemiek en kreeg hij smaak voor het eeuwige. Als reukwerk tegen de pest schreef hij een tweetal gezangen (in het Liedboek 157 en 262).

Bachkoraal
Als ik u midden in de nacht wakker zou maken en zou vragen: "Wie heeft de melodie van Wachet auf, ruft uns die Stimme gecomponeerd?", tien tegen één dat u 'Bach' zou mompelen en u op uw andere zij draaien. Bent u heel goed thuis in de wereld van de koralen, dan prevelt u misschien nog: .Kein Aug hat je gespürt, kein Ohr hat mehr gehört solche Freude", voordat u weer indommelt. En inderdaad is Wachet auf vooral bekend geworden door het majesteitelijke koraal dat Bach er van gemaakt heeft. Wie ooit in een koor heeft meegezongen, raakt dat jubelende slot nooit meer kwijt: "Wir singen froh: 10, io, ewig in dulci jubilo!" Toch is Bach niet de oorspronkelijke componist. Melodie en tekst zijn afkomstig van éénendezelfde man: de laatste 'meesterzanger' van de Lutherse Reformatie. Hij sloot een periode af die begonnen was met de Silberweise van meesterzanger Hans Sachs.' Die Silberweise heeft dikwijls als voorbeeld voor volksliederen gediend, maar is ook een prototype geworden voor veel kerkliederen uit de Lutherse traditie." De vorm waarin dit soort liederen geschreven is, heet de Bar-vorm. Een Bar-melodie vangt aan met een Aufgesang, dat uit twee Stollen bestaat, d.w.z. dat de melodie van de eerste en tweede regel in de derde en vierde herhaald wordt. Vervolgens sluit ze af met een Abgesang, dat vaak uit drie regels bestaat (zie bijvoorbeeld gez. 402 en 344), maar ook (aanzienlijk) langer kan zijn, zoals bij Een vaste burcht (gez. 401), Een rijke schat van wijsheid (gez. 326) en Dankt, dankt nu allen God (gez. 44). In Wachet auf (262) is de muzikale structuur nog wat ingewikkelder en rijker: de twee Stollen van het Aufgesang bestaan elk uit drie regels en het Abgesang bevat maar liefst zes regels, waarvan sommige (rijmende) regels uiterst kort zijn. Het eigenaardige van een Bar-melodie is, dat ze eindigt met een regel die nergens op rijmt, een 'losse' regel dus. In Wachet auf is de dichter hiervan afgeweken in de tweede strofe (en min of meer in de derde). In het Liedboek is in veel Barl-iederen die uit het Duits zijn vertaald, de slotregel rijmend gemaakt.

Meesterzanger
Meesterzanger was iemand wanneer hij de melodie bij zijn eigen tekst schreef. Luther was zo'n Meistersinger. bij zijn liedteksten schreef hij zelf de melodie in de cantus firmus (toén de tenor, nu de sopraan-partij), waarna hij het resultaat aan een beroepscomponist overhandigde, die er, zoals Luther het uitdrukte, "een hemelse reidans van noten omheen speelde", m.a.w. een vierstemmige zetting verzorgde. Het voordeel van deze werkwijze was dat het lied een melodie meekreeg die de tekst presenteerde: zie b.v. Luthers Aus tiefer Not (E.K.G. 195), waarin zowel de diepte als de nood muzikaal zijn uitgebeeld: de eerste met een lage, de tweede met een hoge noot. Later kwam de gewoonte in zwang om geestelijke liederen te dichten op bestaande melodieën van wereldlijke teksten. Zo is Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere (gez. 434) geschreven op de wijs van een loflied op de ogen van een mooi meisje: 'Sen' ich nicht blinkende flinkende Sterne aufgehen?' Dergelijke kerkliederen noemt men contrafacten. Maar langzamerhand won de beroepscomponist veld: de tekst van de dichter werd door een componist van een (nieuwe) melodie voorzien. Beets schreef zijn kerstlied Daar is uit 's werelds duistre wolken (gez. 26) op de wijs van Psalm 98, maar Johannes Gijsbertus Bastiaans schreef er in 1868 een eigen melodie bij. Ook gezang 179, Wie heeft op aard de prediking gehoord, een lijdenslied bij Jesaja 53, werd door Nicolaas Beets op een psalmwijs geschreven (Ps. 22), maar naderhand door Bastiaans van een nieuwe melodie voorzien.
Het schrijven van teksten en melodieën was een zaak van 'specialisten' geworden; in de tijd van de Meistersinger waren ze nog één. (Overigens is een goede componist zeer wel in staat een melodie te schrijven die de tekst van de dichter presenteert.) De laatste meesterzanger was Philipp Nicolai: met zijn koraal Wachet auf ruft uns die Stimme sloot hij in 1599 een boeiende episode uit de geschiedenis van het kerklied af.

Calvinistenvreter
Philipp Nicolai (1556-1608) heette in werkelijkheid Philipp Rafflenböhl: een ongezellige naam die we maar zo snel mogelijk weer moeten vergeten. Rafflenböhl stond bekend als een fervente calvinistenvreter. Wie meent dat een kerklieddichter vanwege de aard van zijn amb(ach)t wel een irenische persoonlijkheid moet zijn, vergist zich.
Grote gevoeligheid, waarmee het dichterschap vaak gepaard gaat, levert eerder een gecompliceerde dan een serene persoonlijkheid op. Meer dan eens was strijdbaarheid een opvallend kenmerk van dichters van kerkliederen. 3Zo had Maarten Luther wel een beminnelijke, maar niet bepaald een verdraagzame aard. Hij weigerde een delegatie van Zwinglianen bij het afscheid de hand te drukken en schold hen uit voor 'vervloekte sacramentariërs' (Dit in tegenstelling tot Calvijn, die veel zachtmoediger oordeelde over andersdenkenden binnen de Reformata en wiens optreden veel bescheidener was). En de Lutherse dichter Paul Gerhardt, die zoveel irenische gezangen heeft geschreven, was een zó fervent Lutheraan, dat hij zich nauwelijks kon voorstellen dat Calvinisten echte christenen konden zijn.
Het conflict tussen Lutheranen en Calvinisten spitste zich toe op de leer over het Avondmaal. Hoewel Luther de Roomse leer van de transsubstantiatie afwees, meende hij toch dat Christus lichamelijk in brood en wijn aanwezig is. Dit hing samen met zijn opvatting dat Christus ook naar zijn menselijke natuur alomtegenwoordig is. Calvinisten en Zwinglianen zagen in brood en wijn enkel een teken van Jezus' verscheurde lichaam en zijn vergoten bloed. Wij kunnen ons dit conflict nauwelijks meer indenken, maar mensen die generaties lang gewend waren geweest aan de magie van de mis moeten het gevoel hebben gehad dat hen door de meer Schriftuurlijke Calvinistische opvatting over het Avondmaal iets moois en mystieks werd afgepakt. 4Luther bood een soort tussenoplossing. Philipp Nicolai heeft een niet gering deel van zijn leven gewijd aan het verdedigen en staven van de Lutherse avondmaalsleer. Soms ging hij daarbij zo fel te keer en liet hij zich zo krenkend uit over het Calvinisme, dat hem in 1950 in de stad Marburg de doctorsbul werd ontzegd. Vier jaar later ontving hij die alsnog in Wittenberg, de bakermat van het Lutheranisme. In 1596 ontving hij een beroep uit Unna, waar in datzelfde jaar de Calvinisten, die door vluchtelingen uit de Nederlanden werden gesteund, door de Lutheranen waren overwonnen. De Lutheranen wensten nu een 'sterke figuur' als predikant en die kregen ze in de persoon van Nicolai, die zich ook in Unna niet onbetuigd liet als polemist en ais ...

De verandering
"Wat gebeurde er toen?" zou Feike ter Velde gevraagd hebben. Net als Ter Velde laten we Nicolai zelf zijn verhaal vertellen.' 5 In 1597, precies vierhonderd jaar geleden, brak de pest uit. De man die gewend was door boeken omgeven te zijn, was plotseling, zoals hij zelf schreef, 'omgeven door huizen die met de pest besmet zijn, als het ware belegerd.' 'Ik woon al haast op het kerkhof', schreef de geleerde man, 'waar dagelijks wel vierentwintig, zevenentwintig, negenentwintig, dertig lijken ter aarde worden besteld. Ik gebruik afweermiddelen tegen de pest, vooral wanneer de bezwangerde lucht een schadelijke geur verspreidt en het kerkhof niet zeiden een stinkende damp uitademt. Mijn reukwerk bestaat hoofdzakelijk uit de onafgebroken gebeden tot God. Door Gods genade ken ik geen vrees. Maar als ik over niets anders meer hoor praten dan over het begraven van lijken, dan grijpt mij de vrees aan dat ik iets anders zou denken dan het enige: ik leef in Christus, ik sterf in Christus; of ik leef of sterf, ik ben van _Christus, wiens genade mij moge beschaduwen."6

Nicolai overleefde de epidemie. Begin 1598 schrijft hij: "De pest is voorbij en door Gods genade ben ik goed gezond. Gedurende de hele pesttijd "----_heb ik alle strijd terzijde gezet en mij gewijd aan mijn gebeden en aan het goed nadenken over het eeuwige leven en de toestand der beminde zielen in het hemelse paradijs vóór de jongste dag."
Deze periode van geestelijke inkeer en bezinning vond haar weerslag in een boekje dat in 1599 verscheen en als titel meekreeg: Freudenspiegel des ewigen Lebens. He boekje bevatte reukwerk tegen de (zwarte) dood in proza en poëzie. Nicolai had vooral troost geput uit middeleeuwse lectuur die in zijn tijd aan Augustinus werd toegeschreven, maar in werkelijkheid van de mysticus Bernard van Clervaux afkomstig was. En daarmee maakte de steil-orthodoxe Lutheraan onverwacht een draai in de richting van de (middeleeuwse) mystiek: de pest had aan zijn weldoortimmerde huis geknaagd.7 Die plotselinge hang naar mystiek bespeuren we het sterkst in een van de twee gezangen die hij in die periode had geschreven en die hij in zijn Freudenspiegel publiceerde. Ik bedoel het koraal Wie schön leuchtet der Morgenstern (in het Liedboek treffen we onder gezang 157 een vertaling aan), dat diepere wortels lijkt te hebben in de erotiek van het Hooglied dan in de Persoon van Christus, zoals die ons in de evangeliën en de brieven verkondigd is. Ondanks de vele aan de Bijbel ontleende beelden dreigen in dit lied de gevoelens die de dichter voor Jezus koestert de Christus der Schriften Zelf te verdringen.

Opwekkingsliederen
Ik heb het gevoel dat Nicolai van de ene extreem in de andere gevallen is. Zoals een zeer verstandelijk ingestelde gereformeerde die plotseling hoog-charismatisch wordt. Of, beter voorbeeld: een jurist, gespecialiseerd in het huwelijksrecht, die op dat gebied verdienstelijke boeken heeft geschreven, maar nooit tijd heeft gevonden om zijn vrouw te laten voelen dat hij van haar houdt. Tijdens een crisis wordt hij zich dit opeens pijnlijk bewust en van de weeromstuit heeft hij de neiging zich septlmenteel te gaan gedragen. Zijn lang weggestopte gevoeligheid gaat zich uiten in onnatuurlijke gevoelerigheid. Dat betekent niet dat die man niet echt van zijn vrouw houdt, maar zijn uitingen hebben iets verknipts. Zo was dat ook met Nicolai: in al z'n dogmatische hoekigheid èn zijn sentimentele weekheid klinkt echte liefde tot Christus door. Zoals je dat ook kunt hebben in sommige Opwekkingsliederen, waarvan je wel aanvoelt dat ze echt gemeend zijn, maar die je toch niet zonder (gepaste) gêne in een kerkdienst kunt meezingen: daarvoor klinken ze te 'week'.
Tussen allerlei stichtelijke overdenkingen, waarin Nicolai zijn schapen troost met een toekomst waar de dood geen vat op heeft (dus niet: "Kop op, jullie zijn er nog!", maar: "Jullie beste jaren moeten nog komen!"), treffen we nog een gezang van zijn hand aan, het hierboven genoemde Wachet auf, ruft uns die Stimme (gez. 262). Hier ontkomt Nicolai aan het sentimentele. Het verschil met Wie schön leuchtet (157) is, dat in dàt lied de bruid van Christus uit Psalm 45 de vrome christenziel was, terwijl in dit lied (262) de bruid van Christus door de gemeente wordt gevormd. Zo klinkt als vanzelf een zuiverder, bijbelser toon. Volgende keer hoop ik dit gezang te bespreken. Beide liederen hebben - typografisch - de vorm van een avondmaalskelk: ook na de ramp bleef Nicolai zijn levensstrijd getrouw.

Zielszorger, polemist, dichter
In 1601 nam Nicolai een beroep uit Hamburg aan, waar hij nog zeven jaar heeft gewerkt. Hij was er gevierd als voorganger en als zielszorger: hij werd wel een 'nieuwe Chrysostomus' genoemd. Ook zijn polemische arbeid zette hij voort: toen de pestdampen waren opgetrokken, rook hij het front weer. Feike ter Velde zou misschien geaarzeld hebben of hij hem wel voor zijn programma moest uitnodigen. In 1602 verscheen zijn belangrijkste dogmatische werk, waarin de Lutherse avondmaalsleer grondig is geboekstaafd: Sacrosanctum omnipresentiae Jesu Chris ti mysterium, ofwel: Het hoogheilige (of: onaantastbare) mysterie van de alomtegenwoordigheid van Jezus christus. Op 16 oktober 1608 overleed Nicolai: hij ligt in het koor van de Hamburger Katharinenkirche begraven. Daar wacht zijn lichaam op de laatste bazuin, die hij in de eerste regels van zijn Wachet auf zo muzikaal heeft weten te verbeelden.

Noten
1. Misschien kent u Hans Sachs uit het Huldegedicht aan Singer van Paul van Ostayen, wamin deze de stelling poneert dat Meestersinger Hans Sachs recht heeft op een Singer-naaimasjien. Daar zit een diep-mooie gedachte in, met name voor de fabrikant. Zo worden, met een variant op Achterberg, cymbalen tot symbolen in het uur van de Sterreklame.

2. Voor meer informatie over Hans Sachs en Philipp Nicolai kunt u het register van persoonsnamen in het Compendium bij het Liedboek voor de kerken, een uitgave van de Prof. dr. G.D. Leeuwsitchting, raadplegen.

3. Dit hangt ook samen met de omstandigheid dat kerkliederen meer dan eens middenin de strijd der geesten gesmeed werden en als wapens in die strijd gehanteerd (Ambrosius, Luther, Blumhardt).
Maar daarover een andere keer meer.

4. Overigens mogen Calvinisten zich gerust eens afvragen hoe 'bijbels' een gemeenschapsmaaltijd is waarbij de tijd die men met elkaar aan tafel doorbrengt korter duurt dan de tijd die de predikant nodig heeft om uit te leggen waarmom men aan tafel gaat en hoe men aan tafel dient te gaan.

5. U vindt het verhaal in het Compendium (zie noot 2) bij gezang 157.

6. Hier kwam de Lutheraan op hetzelfde punt uit als waarmee de (gereformeerde) catechismus begint: "Wat is uw enige troost, beide in leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben!"

7. Natuurlijk is er verband aan te wijzen tussen zijn felle verdediging van een mystieke avondmaalsleer en zijn vatbaarheid voor mystiek gedachtengoed uit de middeleeuwen, maar Nicolai zelf heeft deze gebeurtenis toch vooral als een (al dan niet tijdelijke) wending in zijn leven ervaren. We moeten zijn getuigenis van 'geloofsverdieping' op z'n minst serieus nemen.

8. Het levensverhaal van Nicolai vindt u op blz. 1223 e.v. in het Compendium; en in zijn artikel 'Het kerklied van Luthersen huize, muzikaal bezien' gaat Willem Mudde op blz. 71 en 72 van het Compendium op de twee koralen van Nicolai in. Ook Jan Wit schrijft op blz. 52 van het Compendium over de gezangen van Nicolai.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief