Helpen, lijden, orthodoxie

1997-10-31
  • Jaargang 41
  • nummer 22
Door de eeuwen heen hebben christenen zich ingezet voor de hulp aan mensen die niet voor zichzelf op kunnen komen. Zo ontstonden christelijke ziekenhuizen, weeshuizen, psychiatrische inrichtingen en tehuizen voor verstandelijk gehandicapten.

Bestaat er een verband tussen de christelijke levensovertuiging en de hulp aan mensen die zorg nodig hebben?
Wat zijn de motieven waaróm iemand helpt? Die vraag hield de heer A. Bult bezig. Hij ondervroeg studenten verpleegkunde aan 'De Vijverberg' in Ede. Het onderzoek mondde uit in een proefschrift dat in een handelseditie bij Uitgeverij Kok verscheen.

Onderbouwing
Voordat het feitelijke onderzoek begon, moest er veel werk worden verzet. Eerst moest een theoretisch kader worden opgezet. Wat verstaanwe nu precies onder helpen, lijden en orthodoxie? Vervolgens: hoe vertaal je die theoretische gegevens in goede vragen aan de studenten? Tenslotte: hoe kunnen de gegevens op een wetenschappelijk verantwoorde wijze worden verwerkt, zodat de uitkomsten betrouwbaar zijn?

Waarom helpen we?
De eerste drie hoofdstukken uit het proefschrift behandelen de thema's helpen, lijden en orthodoxie. Waarom helpen we? Omdat de ander er beter door wordt, omdat we er zelf beter van worden, of hebben helper en lijdende er beiden profijt van? Of spelen onze schuldgevoelens ons anders parten? Dr. Bult baseert het pastorale en diaconale werk van de kerken o.a. op Leviticus 19 vers 9 tot 19a: de rand van het (oogst)veld moet blijven staan ten behoeve van het levensonderhoud van de wees en de vreemdeling, een dove mogen we niet vervloeken en voor een blinde mag geen struikelblok neergelegd worden. Een indrukwekkend bijbelgedeelte, maar kijken we nu nóg zo naar de hulpverlening? Zien we hulp als een opdracht van God? Of overheersen in onze tijd meer 'horizontale' motieven? Interessant zijn de gegevens van een Amerikaans onderzoek. Zowel orthodoxe-, als vrijzinnig-protestanten vinden hulp aan de ander belangrijk. Ze verschillen in de motivering áchter de hulp: de eerste groep ziet hulp als een doorvertaling van het geloof (God vraagt het van ons); de vrijzinnig-protestanten geven de eigen keuze als motief aan: je beslist zelf of je helpt; door het geven van die hulp word je meer mens.
De heer Bult was benieuwd naar het antwoord op de vraag waarom de studenten van 'De Vijverberg' hulp bieden.
Zien ze een koppeling met hun geloof in God, of overheersen de 'horizontale' motieven van een geseculariseerde samenleving?

Van roeping tot beroep
Het onderzoek van dr. Bult richt zich op de verpleegkundige. Vroeger was ze een vrouw: zorgzaam, zichzelf wegcijferend, een vervangend moeder; haar werk was haar roeping. Vooral in het Rooms-Katholieke denken heeft dit moederschapsmotief een grote rol gespeeld. Professionaliteit en kennis kregen weinig aandacht. Na de Tweede Wereldoorlog veranderde er veel. Meer mannen werden opgeleid als verpleegkundige; de opleiding werd meer kennis-gericht. Inmiddels is de verpleegkunde een zelfstandige discipline geworden, waarbij ook management en efficiency veel aandacht krijgen.

Help-motieven
Door de overgang van roeping naar beroep doen nieuwe ,help-motieven, hun intrede, zoals: "Ik help, omdat ik een inkomen voor mijn gezin moet verwerven"; "Ik help op een efficiënte manier, overeenkomstig mijn vakkennis, omdat ik denk dat de zieke daar het meeste baat bij heeft" en "Ik help, omdat het mij aanzien geeft (mijn vak aanzien heeft)." Uit het literatuuronderzoek van Bult blijkt, dat er een breed scala aan motieven bestaat, waarom mensen helpen. Soms laten deze motieven een duidelijk verband zien met de christelijke geloofsovertuiging, zoals het heiligingsmotief (bijv.: "Ik help, want hierin ga ik lijken op de helpende Christus"), en het evangelisatiemotief (bijv.: "Ik help, want daaraan kan een zieke de liefde van God ervaren"). Andere motieven benadrukken de onderlinge solidariteit en zijn daarmee meer 'horizontaal' gericht.
"God lijdt mee met de lijdende mens en als ik help, verlicht ik daarmee ook het lijden van God." Bult voegt aan dit motief toe: "Voor Gereformeerd-theologische denkers een minder verdraaglijk tot onverdraaglijk model; de kijk op de mens is voor hen veel te pretentieus en te horizontaal." Uiteindelijk komt Bult tot 9 reeksen van 'helpmotieven'. Van al deze motieven geeft hij een aantal voorbeelden.

Waarom bestaat het lijden?
Ook bij de visies op het lijden biedt Bult concrete handvatten om bepaalde antwoorden te kunnen plaatsen. Als iemand beweert dat lijden een straf van God is, geeft dat een beeld van hoe die persoon tegen God en tegen het lijden in deze wereld aan kijkt (de vergeldingsvisie). Van recenter datum is de gedachte dat God Zelf met de lijdenden meelijdt (de compassievisie).
Sommigen denken dat God een eind wil maken aan het lijden, maar het niet kan (weerloos is). Omgekeerd bestaat het beeld van een God die veraf is en onbewogen:" het lijden doet God niets (de apathische visie). Onder invloed van o.a. Barth en Bonhoeffer ontwikkelde zich het idee dat het lijden van de één -door God- tot een goede zaak wordt voor de ander (de plaatsvervangingsvisie). In de mystieke visie denkt de mens dat het lijden een diepere eenheid met God geeft. In de pedagogische visie wordt er vanuit gegaan dat het lijden een (positieve) opvoedkundige waarde heeft: door het lijden wordt de mens een beter mens. In de plan visie past het lijden in het plan van God. Bult verwachtte dat de orthodox georiënteerde studenten van 'De Vijverberg' zich vooral zouden kunnen vinden in de eerste en in de laatstgenoemde visie op het lijden.

Orthodoxie
Het derde hoofdstuk gaat over de vraag welke opvattingen als orthodox (reformatorisch) omschreven kunnen worden. Bult baseert zich hierbij o.a. op onderzoek van Stoffels en Jonkers. Opmerkelijk is het onderscheid tussen de reformatorische orthodoxie ("dé geloofseigenschap van de Nederlandse evangelische bewegingJ en de traditioneel gereformeerde orthodoxie ("de geloofsoriëntatie gaat terug op het geloof der vaderen van de 16e en 17e eeuw'). Ook in dit hoofdstuk werkt Bult de opvattingen uit in concrete uitspraken. Bij de reformatorische orthodoxie past een uitspraak als: "Er bestaat een God die zich met ieder mens persoonlijk bezig houdt." De traditioneel gereformeerde orthodoxie legt o.a. een sterke nadruk op het belang van de Gereformeerde belijdenisgeschriften als meest zuivere uitleg van de Bijbel. Overigens onderscheidt Stoffels het zgn.opwekkingsgeloof van de reformatorische orthodoxie; het opwekkingsgeloof legt sterk de nadruk bij de werking van de Heilige Geest en vindt zijn wortels in piëtistische opwekkingsbewegingen in de 1ge eeuw.
Voor de reformatorische orthodoxie geldt de Bijbel als toetssteen. Bult beschrijft nog andere vormen van orthodoxie, om te eindigen bij de hedendaagse geloofsovertuigingen ("Ik tref God aan in de echte ontmoeting met mijn medemens"). Het zou interessant zijn om de in dit hoofdstuk genoemde opvattingen eens te toetsen binnen de Nederlands Gereformeerde kerken: bij welke uitspraak voelen de leden van onze kerken zich het meeste thuis?

De religieuze oriëntatie
Na het gedeelte over orthodoxie gaat dr. Bult in op de zgn. religieuze oriëntatie: waarom gelooft een persoon op deze manier? Uitspraken die passen bij de religieuze oriëntatie zijn bijvoor- , beeld: "Het geloof is mij tot steun", "ik blijf me telkens afvragen wat het geloof in mijn leven betekent", "ik moet 'altijd voor mijn geloof uit durven komen c- Dit laatste voorbeeld valt onder de zgn. religieuze getuigenisoriëntaties. Opvallend daarbij is vooral het accent op het moeten. Uit de literatuur blijkt dat een verschillende religieuze oriëntatie te maken heeft met verschillende visies op het lijden, de dood en het 'waarom' van het hulp bieden. En: als er altijd van alles 'moet' help je anders dan wanneer je je als helper in de eerste plaats geborgen weet.

Kanttekeningen
Het voorgaande gedeelte vormt een samenvatting van de theoretische gegevens die A. Bult nodig had om zijn onderzoek gestalte te kunnen geven. AI lezende bekruipt je de vraag: wordt het geloof niet teveel uit elkaar gehaald? Ben je met zo.n onderzoek niet net zo bezig als de (karikatuur van de) bioloog die stampers en meeldraden onderzoekt en niet meer ziet hoe mooi de bloem is?
Een wetenschappelijk onderzoeker die het geloof uiteen probeert te rafelen in 'hapklare brokken' loopt het risico dat de verwondering over het geloof in een hemelse Vader plaats maakt voor menselijke verklaringen.
Toch heeft het theoretische gedeelte van het onderzoek van dr. Bult mij in dit opzicht niet echt gestoord. Nergens proef je als lezer een toonzetting die een bepaalde uiting van het geloof zou kunnen devalueren. In zeker opzicht vond ik dit gedeelte ook verhelderend: het zette aan het denken over de relatie tussen de manier waarop we geloven en onze visie op christelijke hulp en op het lijden. Een met het voorgaande samenhangend punt is, dat het lastig is om de verschillende motieven uit elkaar te trekken. Bij mezelf bespeurde ik, de vragen overdenkend, voortdurend een aarzeling. Het kan zo zijn dat iemand, afhankelijk van de situatie waarmee hij onlangs geconfronteerd werd, enigszins 'schuift' in de beantwoording van de vragen. De zorg voor een tevreden patiënt die aan de beterende hand is roept andere reacties op dan de confrontatie met iemand die veel pijn lijdt en voor wie het lijden ontluisterende vormen aanneemt. De ontmoeting met een ziek familielid grijpt veel dieper in dan een medische behandeling van een persoon die anoniem is. In hoeverre werken die recente ervaringen door in de beantwoording van de vragen?

Onderzoek
In het tweede gedeelte van het boek wordt het onderzoek zelf beschreven. Begonnen werd met een serie open vragen over het lijden en het helpen. Bijvoorbeeld: "Kun jij in een paar eigen woorden de reden/ de oorzaak van het bestaan van lijden weergeven?" Duidelijk komt naar voren dat deze groep studenten oriënteringspunten kent: men geeft het lijden een plaats. Toch komt uit de antwoorden geen duidelijk verband tussen het lijden en de helpmotieven naar voren. Bult: "Er valt geen patroon te ontdekken. De helpmotieven kunnen zowel transcendent ('verticaal') als profaan-levensbeschouwelijk zijn: deze help-motieven worden vaak zonder aarzeling naast elkaar gezet.. Na deze voorlopige analyse volgt een verhandeling over de wetenschappelijke opzet van het onderzoek. Dit is een statistisch verhaal, dat de meeste Opbouw-lezers weinig zal interesseren. Tussen de statistische bewerkingen door vinden we uitkomsten van het onderzoek.
Enkele gegevens die er uit springen: de vergeldingsvisie spreekt de studenten weinig aan; bij zo'n autoritaire God voelt de student zich niet thuis. Ook wil hij niet geïdentificeerd worden met een lijdelijk toeziende God. Wel stemt hij er mee in dat God over het lijden de regie in handen heeft, "en zo is het goed." Opmerkelijk is vooral dat er in dit opzicht in de loop van de studiejaren een verschuiving plaats vindt: geleidelijk kunnen de studenten zich minder vinden in het beeld van een God die afstandelijk en onafhankelijk handelt.
Op de vraag waarom men helpt komt een breed scala aan antwoorden naar voren. De meeste studenten antwoorden met: "omdat ok daarmee getuig van mijn geloof" en: "omdat God ons roept om de ander te helpen." Horizontale motieven als professionaliteit en de algemene menselijke solidariteit worden minder vaak genoemd. Men kan zich niet vinden in het antwoord dat men door hulp aan de zieke het lijden van God vermindert. De verwachting was dat vierdejaarsstudenten meer nadruk op de verpleegkundige professionaliteit zouden leggen, maar deze deskundiqheid is voor hen juist minder belangrijk geworden.
Wat de vraag naar de 'leer' betreft: Bult constateert dat de studenten op 'De Vijverberg' in hun geloofsovertuiging in hoge mate orthodox-gereformeerd zijn. Dit komt ook tot uiting in de kerkgang: bijna tweederde van de studenten bezoekt twee maal per zondag de kerkdienst.

De leer van de kerk en het beroep van de verpleegkundige
We zeggen in onze .postrnoderne samenleving. dat de mens in zijn opvattingen in allerlei 'partjes' uiteen valt (fragmentarisering). Op zondag ben je orthodox in de leer, maar op maandag ben je een professioneel verpleegkundige die efficiënt handelt, maar die zich niet laat leiden door religieuze motieven. Bij de studenten aan 'De Vijverberg' is echter wel degelijk sprake van een verband tussen 'leer' en 'leven'. Wel vermoed ik dat de vrij algemene afwijzing van het beeld van een vergeldend God die altijd volgens Zijn plan handelt niet strookt met datgene wat veel studenten op zondag in de kerk horen. Mogelijk maakt de confrontatie met het lijden dat ze hier toch anders over zijn gaan denken, zelfstandiger, meer los van thuis. In dat verband valt dan ook te verklaren waarom een vierdejaars student nog minder met dit beeld van de soevereine God instemt: door stages heeft hij inmiddels al veel lijden gezien. Dit is een signaal dat de kerken zich goed in de oren zouden moeten knopen: geeft men op dit punt wel antwoorden op vragen waar verpleegkundigen mee worstelen? Mijn indruk is dat er vaak sprake is van vervreemding tussen verpleegkundigen en de kerk, omdat men in de kerkelijke gemeente deze vragen niet herkent of hooguit met traditionele standaard-antwoorden komt. Dit brengt mij ook op de vraag: en hoe gaat het verder? Wat zijn de opvattingen van de ex-student van 'De Vijverberg' na 5 jaar werken in de praktijk, tussen niet-kerkelijke collega's?
Biedt de kerk dan de ('reformatorische') steun die daarvoor in het kader van de opleiding aan 'De Vijverberg' werd gegeven? Het zou interessant zijn om daar een vervolg-onderzoek aan te wijden. Een inhoudelijke vraag met betrekking tot het onderzoek is nog de volgende. Het onderzoek richt zich op de verbaliteit de studenten moeten in de taal antwoord geven op hun beleving. Dat kan ook bijna niet anders. Het is echter niet denkbeeldig dat de gegeven antwoorden toch niet .passen, i'n de beleving. Mijn ervaring met het mondeling doorvragen op schriftelijk gegeven antwoorden in dit type situaties is, dat er soms andere inzichten áchter de korte schriftelijke antwoorden liggen.
Met andere woorden: het korte schriftelijke antwoord dekt de werkelijke motieven slechts gedeeltelijk: wat we zeggen/schrijven is niet precies wat we bedoelen. In dat opzicht zou een zgn. kwalitatieve analyse (het doorvragen op de motieven) nog
antwoorden kunnen toevoegen.

Tenslotte
Dr. Bult heeft onderzoek gedaan naar een belangrijk thema. Er komen vragen naar voren die veel hulpverleners bezig houden. Met name het eerste gedeelte is ook van belang voor mensen die bezig zijn met een pastorale en/of theologische scholing. Jammer is dat een gedeelte van het boek, door het wetenschappelijk karakter van dat deel, niet zo toegankelijk is. Het zou goed zijn als er nog eens een korte en toegankelijke bewerking verscheen ten bate van de 'doelgroep'. Gezien zijn brede onderwijskundige ervaring verwacht ik dat Anne Bult hier zeker toe in staat is.

Naar aanleiding van: Dr. Anne Bult; Helpen, lijden, orthodoxie. Proefschrift ter verkrijging van de graad van doctor aan de Theologische Faculteit Tilburg, mei 1997. Als handelseditie verschenen bij Uitgeverij Kok in Kampen; 170 bladzijden; Prijs: f 37,50

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief