Ethiek van de varkenspest

1997-05-16
  • Jaargang 41
  • nummer 10
Eerst heerste er nog optimisme over een snelle afloop van de varkenspestepidemie. Twee-en-een-half miljoen dode varkens verder kan daarvan geen sprake meer zijn. De pest woekert als nooit tevoren. En het einde lijkt niet in zicht. We hebben te maken met een drama voor de boer en zijn gezin, die jarenlange arbeid in één klap zien weggevaagd en hun dieren wekenlang zien lijden in te krappe hokken. Een drama ook voor het dier, dat wekenlang hutje mutje is gehuisvest en vervolgens en masse wordt “geruimd”. En “geruimd” staat dan voor massaslachting en massavernietiging. Wat staat die huidige praktijk mijlen veraf van het beeld van de rentmeester, dat we in de christelijke traditie gebruiken voor het beheer van de in bruikleen gekregen schepping. Je vraagt je bij het zien van de huidige vernietigingsmachinerie beschaamd af: wat hebben wij er van gemaakt?

Fokken voor de vernietiging
In de landbouwsector en in de politiek wordt vooral over de korte-termijn-aanpak van de varkenspest gesproken.
Ook over de lange termijn wordt veel gesproken. Het spreken over de periode van de eerstvolgende vier/vijf maanden is aanzienlijk minder populair.
Die discussie smoort al snel in bedrijfs-economische en foktechnische bezwaren. Al met al komt men aan de ethische aspecten vrijwel niet toe. En toch staan we voor voluit ethische dilemma's en keuzen. Deze hangen onlosmakelijk samen met de vertechnisering van de dierlijke voortplanting en de industrialisering van de varkenshouderij.
Het is ten hemel schreiend dat we in de huidige situatie in veel gevallen fokken voor de vernietiging.
Want dat is wat er gebeurt wanneer zelfs pasgeboren biggen vernietigd worden. Natuurlijk moet er een oplossing voor het ruimteprobleem worden gevonden, maar is het ethisch nog verantwoord om enerzijds alle zeugen in de betreffende gebieden te blijven insemineren en biggen geboren te laten worden, terwijl op het zelfde moment evenzovele biggen weer worden afgemaakt en vernietigd? Ik ben van mening dat dit ethisch niét verantwoord is en dat de beleidsmakers zich niet zouden mogen beperken tot de noodzakelijke korte-termijn-maatregelen of tot de nog te voeren lange-termijn-discussie. Er is in deze situatie voldoende reden voor een tijdelijk en/of gedeeltelijk en dus beperkt fokverbod. Tijdelijk, omdat het alleen zou behoeven te gelden gedurende de periode dat sprake is van een epidemie.
En gedeeltelijk, omdat een fokverbod natuurlijk alleen zou hoeven gelden in die gebieden waarin een vervoersverbod van kracht is. Bij een gedeeltelijk fokverbod kan ook worden gedacht aan de mogelijkheid dat slechts een gedeelte, b.v. de helft, van het aantal zeugen op een bepaald bedrijf jongen zou mogen krijgen. Op die manier kan een bedrijf fokcapaciteit behouden, valt er na vier maanden of aan het eind van de epidemie niet een geheel gat in de fokcyclus en wordt tijdens de epidemie op de bedrijven letterlijk de nodige ruimte gecreëerd voor de aanwezige varkens.
Tijdens langer durende epidemieën kan op deze manier het probleem na een aantal maanden tenminste worden gehalveerd. Boeren zouden voor de niet geboren biggen een extra premie moeten krijgen. Het voeren, opkopen en vernietigen van miljoenen dieren kost tenslotte óók geld.

Nog even wachten
Uiteraard onderken ik dat pas vier maanden na de introductie van welk fokverbod dan ook er geen of minder biggen zouden worden geboren. Keuzes in dezen zijn altijd arbitrair en berusten o.a. op de verwachting dat het misschien over een of twee maanden wel beter is. Maar nu minister Van Aartsen verwacht dat de epidemie minstens tot september zal duren, klemt de vraag wanneer de tijd dan wel rijp is. Gezien de huidige situatie had een tijdelijk en/of gedeeltelijk fokverbod mijns inziens een rol moeten spelen bij de oplossing van de crisis.

Wat in deze omstandigheden in ieder geval geregeld had moeten worden, dat is een mogelijkheid voor boeren om vrijwillig voor een fokstop te kiezen.
De regels dwingen de boer nu mee te gaan in het "produceren voor de vernietiging". Tenslotte had de minister binnen de EU veel krachtiger moeten pleiten voor de mogelijkheid om alle gezonde dieren die nu worden vernietigd, op de normale wijze te slachten en voor consumptie beschikbaar te houden. N.B. circa 90% van alle afgemaakte dieren is kerngezond en wordt slechts afgemaakt en vernietigd om plaats te maken voor nieuwe biggen!

Dick Stellingwerf is lid van de RPF-Tweede Kamerfractie

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief