Verantwoordelijkheid in afhankelijkheid (1)
1997-05-16
Eén van de meest opvallende kanten aan het vraagstuk van de man-vrouw verhouding vind ik al lange tijd, dat de wijze waarop mannen en vrouwen in onze kerken met elkaar omgaan, niet spoort met de voorschriften van het Nieuwe Testament. Onze onderlinge omgang wordt bepaald door de rangorde en de gezagsverhouding die doorklinken in de woorden ‘hoofd’ en ‘onderdanigheid’. Wij trekken in en buiten het huwelijk als gelijkwaardige partners op, met en – soms – tegenover elkaar. En in plaats dat er allerlei alarmbelletjes gaan rinkelen, constateer ik, dat die gelijkwaardige omgang tussen man en vrouw in dankbaarheid beleefd wordt, met een volstrekt rein gewesten en als een gave van God. Het is dit opmerkelijke gegeven, dat mij al eerder de vragen deed stellen: ‘Hoe komen we met deze botsing tussen bijbelse gegevens en levenspraktijk klaar, in het licht van de Bijbel?’(1) En: Welke ruimte mag er in Christus zijn voor de man-vrouw verhouding, zoals wij die beleven, ondanks de vermaningen in de Schrift?’(2)- Jaargang 41
- nummer 10
Op deze kernvragen hoop ik in een paar artikelen in te gaan. De manvrouw verhouding laat ik daarbij even voor wat ze is, omdat we deze kernvragen pas goed kunnen beantwoorden, als we het blikveld verbreden en ook andere Schriftgegevens bij de bezinning betrekken. In dit artikel wil ik n.a.v. een tweetal waarnemingen wijzen op de grote verantwoordelijkheid die wij voor inrichting van het kerkelijke en christelijke leven van de HERE hebben gekregen.
Een eerste waarneming
Een eerste waarneming is, dat de bijbelse voorschriften nóóit klakkeloos en gedachteloos zijn toegepast op het christelijke en kerkelijke leven. Eeuwenlang al worden deze voorschriften aangepast aan de bestaande zeden en gewoonten, of ingepast in een door onze vaderen op de Schrift gewonnen theologisch raamwerk. Hoewel de meeste voorbeelden wel bekend zijn, wil ik er toch nog een aantal op een rijtje zetten, zonder naar compleetheid te streven. Hierbij beperk ik me tot voorbeelden uit het Nieuwe Testament.
Het doortrekken van de lijnen van de oudtestamentische voorschriften naar het heden immers is een vraagstuk op zich. Daarbij komt, dat het Nieuwe Testament het voorlopige eind- en hoogtepunt van de openbaringsgeschiedenis is. Dan zou je verwachten, dat ons niets anders te doen staat dan rechtstreeks in praktijk te brengen wat daar voorgeschreven staat. Toch blijkt alles een slag complexer te liggen.
In onbruik geraakt
Ten eerste zijn er nogal wat concrete gebruiken en voorschriften, die wij zo niet meer in praktijk (kunnen) brengen.
Om wat gebruiken aan te stippen (meer dan dat doe ik niet):
- Uit Hand.1:26 blijkt, dat beslissingen genomen konden worden door het werpen van het lot.
- Uit Hand.18:18 blijkt, dat Paulus vertrouwd was met het afleggen en betalen van geloften.
- Ook bestond de praktijk van het vasten (Hand.13:2,3; 14:23).
- Uit 1 Cor.7:36w blijkt, dat het aan een vader was, om te beslissen of zijn dochter mocht trouwen. Opmerkelijk overigens, dat over de zoon niet gerept wordt...
- Uit Hand.2:42 en 46 en 1 Cor.11:20w kan opgemaakt worden, dat de gemeente elke samenkomst de maaltijd des HEREN hield.
- In 1 Cor.15:29 stuiten we op het merkwaardige verschijnsel van het je laten dopen voor de doden.
- In 1 Tim.5 geeft Paulus regels voor 'het ambt van de weduwe', dat wij niet meer kennen.
- Uit 1 Tim.2:8 blijkt, dat mannen hebben te bidden met opheffing van heilige handen.
Nu zijn dit gebruiken waarvan je kunt zeggen: Andere tijden, andere zeden.
Het geval echter wil, dat er ook voorschriften zijn, die wij zo niet meer in praktijk brengen. Om opnieuw wat te noemen:
- In 1 Cor.? vinden we tal van adviezen m.b.t. het huwelijk, waaraan wij ons niet plegen te houden. Zo raadt Paulus de ongehuwden aan ongehuwd te blijven, tenzij ze dat niet kunnen opbrengen.
- In 1 Cor.11:10 schrijft de apostel: 'Daarom moet de vrouw een macht op haar hoofd hebben, vanwege de engelen'.
- In 1 Cor.14 vinden we een reeks voorschriften betreffende de eredienst, m.n. het spreken in tongen en het profeteren, waaraan wij ons niet plegen te houden. In dit hoofdstuk valt ook te lezen, dat vrouwen in de gemeente hebben te zwijgen. Een vermaning die door ons evenmin in praktijk gebracht wordt.
- In o.a. 1 Cor.16:20 lezen we dat de broeders in de gemeente elkaar hebben te groeten met een heilige kus.
- Uit 1 Tim.2:f5, 4:14 en Tit.2:5 blijkt dat de vrouw primair huisvrouw heeft te zijn.
- Heb.6:2 spreekt van een leer van dopen en oplegging der handen. Wij leggen ook wel de handen op, iedere kerkdienst zelfs, maar uit nader onderzoek blijkt, dat de rol van de handoplegging in de Schrift niet hetzelfde is als bij ons.
- In Jak.5:14vv lezen we dat oudsten de zieken te zalven hebben.
Vertaalslag
Nu is deze waarneming niet nieuw.
Vele anderen hebben gegevens als deze gesignaleerd en erop gereageerd.
Zo zijn er die zeggen: Zie je wel, we doen het al eeuwenlang helemaal verkeerd in de kerk. Er zijn vele punten waarop we ons moeten bekeren.
Terug naar de vroege kerk! Een andere reactie is: Zie je wel, het beroep op de Schrift is ontaard in pure willekeur. 'Bijbelgetrouw' is een pretentie die in de praktijk niet waargemaakt kan worden. Je kunt de Bijbel niet als richtsnoer voor het leven gebruiken. In geen van beide reacties kan ik me vinden, om redenen waarop ik nu vanwege gebrek aan ruimte niet dieper kan ingaan.
Een benadering, waarbij ik me veel meer thuis voel, is die van de - wat met een modieus woord wel genoemd wordt - 'vertaalslag'. Die houdt in, dat, ook als we een voorschrift door bijv. de culturele afstand tussen toen en nu niet letterlijk kunnen toepassen, we moeten proberen hetgeen toen bedoeld werd te vertalen in hetgeen dat nu betekent. Van de begroeting met een heilige kus en het bidden met opheffing van heilige handen zou je kunnen zeggen, dat de vorm per cultuur veranderen kan, maar dat de inhoud van de vermaning gelijk blijft.
lets van de heilige kus zou bijv. teruggevonden kunnen worden in de hartelijke begroeting op zondagmorgen, als we elkaar in de kerk ontmoeten.
Toch is ook hiermee het laatste woord niet gesproken. Een vertaalslag is bij nogal wat belangrijke voorschriften namelijk niet mogelijk. Welke vertaalslag bijvoorbeeld maken wij met de leer van oplegging der handen? Welke vertaalslag heeft er plaatsgevonden met alle voorschriften van 1 Cor.14?
We ontkomen m.i. niet aan de conclusie, dat er binnen het Nieuwe Testament voorschriften zijn, die binnen ons christelijke en kerkelijke leven gewoon geen plaats hebben gekregen! Maar mag dat, kan dat wel?
Een tweede waarneming
Voordat ik hierop in ga, wil ik echter een andere waarneming ter sprake brengen, die m.i. met de bovenstaande in verband gebracht moet worden. Het is een bekend gegeven, dat de Heilige Schriften dikwijls niet helpen om tot een eensluidende conclusie te komen in de zin van 'zus of zo moeten we handelen'. Daar zijn verschillende redenen voor.
Enerzijds wijzen de Schriftgegevens dikwijls niet eenduidig in één bepaalde richting. Neem de verkiezing van ambtsdragers. Geen onbelangrijk punt: hoe vindt de gemeente van Christus ambtsdragers, die namens Hem de zorg voor de gemeente dragen?
Wij hebben daarvoor een procedure ontwikkeld (kerkordelijk en confessioneel vastgelegd), van talstelling, verkiezing en van aftreden na vier jaar. Maar hoe ging het in de Schriften?
In Hand. 1 werpt men het lot, nadat een tweetal mannen 'op tal zijn gezet'. In Hand. 6 lezen we dat de gemeente een zevental broeders aanwijst, die vervolgens aangesteld worden.
(Geen tweetallen!) In Hand. 9 lezen we, dat de apostel Paulus 'gewoon' door de HERE Jezus zelf in de kraag wordt gevat en buiten enige inspraak van de Twaalven om tot apostel wordt aangesteld. Dat zou de paus vermoedelijk niet pikken.... Soms ook werden broeders tot een bepaalde taak verkozen middels een bijzonder profetenwoord. Zie Hand. 13:2 en 1 Tim. 4:14. Iemand kon naar het ambt 'solliciteren' en vervolgens aangesteld worden, als hij over de vereiste kwaliteiten beschikte (1 Tim. 3:1). Of ervoor aangesteld worden, door Paulus of een andere kerkleider (Tit.1 :5).
Op maar liefst zes verschillende manieren kon men tot het ambt geroepen worden! Wij hebben gekozen voor een procedure, die het midden houdt tussen Hand. 1 en 6, en zelfs dat niet helemaal. Terzijde, van een ambtstermijn lezen we in de Schriften al helemaal niet! Nu heb ik geen enkele behoefte om deze procedure aan te vechten, ik denk zelfs dat er hele goede argumenten voor zijn, al geloof ik wel dat de verscheidenheid aan bijbelse gegevens ons voorzichtig moet maken om ons al te verbeten in één procedure vast te bijten. Waar het me in dit verband om gaat, is, dat de bijbelse gegevens niet eenduidig in een bepaalde richting wijzen.
Anderzijds bieden de Schriften vaak onvoldoende informatie om met zekerheid te zeggen: Zus of zo moeten we het christelijke leven ordenen. Dat geldt voor zoveel onderwerpen.
Mogen kinderen aan het avondmaal? Hoe vaak moet de gemeente samenkomen? Hoe vaak het avondmaal vieren? Hoe zit het met de bediening van het Woord door zusters (ze mogen immers wel profeteren)? De sabbat is afgeschaft, maar, met welke gevolgen?
Om maar een hele kleine greep te doen. Allemaal vragen waarmee het niet gaat als met het oude muziekprogramma 'U vraagt, wij draaien...'
Plussen en minnen...
Toch moeten er regelingen getroffen worden, want zonder ordeningen kan het leven niet.... En hoe pakken we dat aan? We gaan met elkaar aan de slag. 'Wij', de vroege kerk, de vaderen, wij in deze tijd. Met de Bijbel open - ook als directe Schriftgegevens ontbreken - en met gevouwen handen.
We gaan met elkaar zoeken naar wijsheid.
We zetten tal van gegevens op een rijtje, keuren de argumenten, doen voorstellen, verwerpen voorstellen, tasten de tijd waarin wij leven en de omstandigheden af, plussen en minnen en nemen tenslotte een beslissing.
Zus gaan we het doen, zo gaan we het doen, en we geloven dat de HERE ons deze weg wijst. En zonder dat we het beseffen zijn we - biddend werkend met de Schrift, dat zondermeer - bezig in alle afhankelijkheid onze eigen verantwoordelijkheid te nemen. We kunnen niet anders...
En dan bedenken onze vaderen een procedure voor de verkiezing van ambtsdragers en voor het beroepen van een predikant, die zó niet uit de Schrift komt weglopen, die ook niet volmaakt is en in sommige situaties zelfs niet voldoet, maar die wel heel wijs is en nog altijd staat als een huis.
En dan staat het ons -gelet op de Schriftgegevens - vrij om kinderen tot de maaltijd des HEREN toe te laten, maar voeren we desondanks een pleidooi om dat niet te doen, omdat in de trits doop-belijdenis-avondmaal een aantal andere Schriftgegevens prachtig tot hun recht komen.(3) Royaal mag je van dergelijke ordeningen zeggen dat ze bijbels zijn, zolang je dat niet in de biblicistische, ik bedoel de tekstplukkerige betekenis van het woord gebruikt.
Standpuntbepaling
Totnogtoe heb ik een tweetal waarnemingen gedaan. De eerste is, dat er een behoorlijk aantal bijbelse voorschriften is, dat wij zó niet in praktijk brengen. De tweede, dat er nogal wat belangrijke zaken in het christelijke en kerkelijke leven zijn, waarvoor de Bijbel geen voorschriften bevat, zodat wij wel de weg van het samen zoeken naar wijsheid moeten gaan.
Op het eerste gezicht lijken deze twee waarnemingen misschien niet zo heel veel met elkaar te maken te hebben, maar naar mijn stellige overtuiging moeten we ze met elkaar in verband brengen. De tweede waarneming bevat m.i. de sleutel voor de omgang met de eerste. Uit de tweede waarneming blijkt, dat de HERE ons in allerlei belangrijke aangelegenheden een grote verantwoordelijkheid gegeven heeft. Hij heeft ons heel veel in 'eigen' beheer gegeven, wij mogen 'subjectief' bezig zijn, in Christus subjectief bezig zijn. Niet als losse individuen, maar samen, als gemeenschap der heiligen. Wij zijn geroepen om in afhankelijkheid van God onze eigen verantwoordelijkheid te dragen.
Hiervan kunnen we m.i. iets leren voor onze omgang met de concrete voorschriften in het Nieuwe Testament.
Gelet op de grote verantwoordelijkheid - en vrijheid! - die we in talloze belangrijke aangelegenheden gekregen hebben, kan ik me niet voorstellen dat we opeens van die verantwoordelijkheid ontslagen worden, omdat er in de Schrift een concreet voorschrift te vinden is. Dat hoeven we - o.g.v. een bepaalde opvatting omtrent het Schriftgezag - niet klakkeloos toe te passen, omdat het hele Nieuwe Testament ons er juist bij bepaalt, dat wij niet alleen afhankelijke, maar ook verantwoordelijke mensen zijn.
Met deze laatste zinnen heb ik aangegeven op welk spoor we m.i. door de HERE Zelf worden gezet, daar waar het de omgang met sommige bijbelse voorschriften betreft. Niet op het spoor van het biblicisme, nog veel minder op een spoor waarbij de Bijbel gesloten blijft, maar op het spoor van het doordachte beroep op de Schrift waarbij christenen samen naar wijsheid zoeken en o.g.v. van goede argumenten, geestelijke en afgebeden argumenten, hun beslissingen nemen.
D.v. over twee weken hoop ik in dit spoor verder te denken.
Noten
1 Opbouw, 40e jrg. nr. 23, pg. 436.
2 Opbouw. 39e jrg. nr. 12, pg. 226, in een artikel waarin ik reageer op br. J.C. Plooy. Vorig jaar heeft br. Plooy n.a.v. de discussie die we hadden een drietal artikelen in Opbouw geschreven (40e jrg. no. 15-17) waarin hij uitvoerig ingaat op de vraag 'Hoe lezen wij de schrift?'. Hoewel de artikelen die ik hoop te schrijven geen reactie op br. Plooy is - daarvoor liggen onze standpunten m.i. te dicht bij elkaar! - is zijn inbreng wel een stimulans voor mij geweest om verder over deze materie door te denken.
3 Zie mijn artikel 'Kinderen aan het avondmaal?', Opbouw 39e jrg, nr. 1.