De akker
1997-05-16
Lieve Wim, - Jaargang 41
- nummer 10
Voorlopig zal ik je niet meer zien en ik weet dat je je af zult vragen wat mij bezielt, waarom ik je niet wil zien, waarom je me niet troosten mag. Hoe zal ik het je uitleggen?
Je denkt waarschijnlijk dat ik naar Henk terug ga om de kinderen. Dat denkt iedereen. Ik laat het maar zo. Een nobele reden toch? Het moederhart spreekt, het domme gansje wordt verstandig en keert terug naar de vader van haar kinderen, haar wettige echtgenoot.
Zo komt alles weer goed en ze zullen me vergeven op de duur, als ik me deugdzaam blijf gedragen. Ach nee, laat ik nu niet cynisch doen en de anderen er buiten laten. Die anderen kunnen me even niks schelen. Ik wil dat jij begrijpt waarom ik terug ga en dat het niet is omdat ik minder van jou houd. Je moest eens weten hoe zeer het doet om jou in de steek te laten. Ik wil het je zo graag uitleggen, misschien ook wel om nog een keer heel dicht bij je te zijn, al is het dan nu in een brief.
Wat heeft mij bezield, dat ik alles achter liet voor jou? Vijftien jaar huwelijk, familie, vrienden, mijn goede naam, jij was me meer waard dan alles bij elkaar. Ik hield van je, meer dan ik ooit van iemand gehouden heb. Je was alles voor me, de enige deur naar het geluk. Zonder jou was ik dood. En nu ga ik terug naar Henk. Toen ik hem zei dat ik erover praten wilde, dat ik spijt had, hoefde hij niet lang na te denken.
Ik mag zo terugkomen. Ik neem het hem haast kwalijk, vreemd genoeg, en zie er vreselijk tegenaan weer met hem in een huis te wonen, in een kamer, in een bed. Hoe kan ik vergeten hoe het met jou was? Hoe kan hij vergeten dat ik hem bedrogen heb? Hoe lang zal het duren voordat er weer vertrouwen is?
O, ik ben zo bang als ik eraan denk.
Deze brief gaat helemaal de verkeerde kant op. Ik moet niet zo met jou over Henk praten, of over mijn gevoelens ten opzichte van Henk. Zo is het allemaal begonnen tussen ons. Ik haal diep adem. Toch maar niet verscheuren deze brief. Als ik hem niet aan jou schrijf dan maar aan mezelf. Ik zie wel waar ik uit kom en ik ben zo dankbaar dat je niet hier in de kamer zit. Hoera voor het papier.
Er is niks mis met Henk. Hij is zorgzaam, verantwoordelijk en trouw. Hij houdt van me, al heeft hij daar nooit veel van laten merken. Misschien besefte hij het ook pas toen hij me dreigde te verliezen. Hij is behulpzaam, handig en vrolijk bij anderen en druk en moe en saai bij mij. Ik voelde me in zijn ogen als een stuk meubilair, zoiets als de wasmachine. Als hij niet werkt, wil je er weer even tijd in stoppen, maar verder sta je niet vrolijk voor het deurtje te kijken hoe je wasje ronddraait. Ik voelde me de wasmachine en de kinderen dat wasje. Het hoort bij je, het hoort het te doen, verder geen gezeur en niks is zo vervelend als een rammelende wasmachine die het dreigt te begeven maar het toch blijft doen. Ik voelde me zo ellendig. Dat stomme huishouden waar geen eind aan komt en nooit iemand die ziet wat je doet. De kinderen met hun ups en downs, die altijd maar vragen en vragen tot je een uitgeknepen citroen bent en dat toch niet wilt toegeven want je houdt ook zoveel van ze. lk merkte pas hoe ellendig ik me had gevoeld toen jij in mijn leven kwam. Je zag me staan, je vond me mooi, je luisterde naar me, je wilde alles van me weten. Je lacht om de dingen waar ik om lachen moet en je bent ontroerd over wat mij ontroert. Ik werd stapel op je. Dat wil zeggen: ik dacht dat ik van je ging houden, maar het was anders. Ik ging weer van mezelf houden. Ik hield van de vrouw die jij zag. In jouw ogen zag ik wie ik wilde zijn: mooi en vrolijk, lief en verstandig, je hulp in alles. Je had me nodig, ik was alles voor je en dat wilde ik zo graag zijn. In Henks ogen zag ik een huissloof, iemand die altijd loopt te mopperen, ontevreden over dit en dat.
Ik werd lelijk in mijn eigen ogen en sloom en onhandig.
Vreemd, ik heb altijd gedacht dat jij een kop groter was dan Henk, maar onlangs besefte ik dat dat niet zo is. Jij bent ietsje groter dan ik, Henk ook.
Toch was je in mijn gevoel als een boom waarbij ik tegen de stam kon leunen en in de schaduw staan. Je was als bergen om zo'n knus dalletje.
Grote, machtige bergen die beschermend om dat dal staan en alle zicht benemen op wat verder ligt. Ik was in mijn element in dat dalletje en ik zag niks erbuiten. Ik zou er eindelijk gelukkig zijn, zo gelukkig dat ik geen ander mens meer nodig zou hebben. Mijn geluk zou overstromen naar de kinderen, die eindelijk een moeder zouden krijgen die niet meer moe is en mopperig, maar altijd vrolijk en ontspannen.
Wij samen, wij konden immers alles aan. Je werd er alleen maar kostbaarder van, met alles wat ik voor je opgaf.
Stop. Ik gaf het niet voor jou op. Ik gaf het op voor mijn nieuwe zelfbeeld. Ach God!
Ja, God. Hij kwam wel eens ter sprake, omdat Hij voor mij belangrijk is. Hij kwam in beeld als dat irritante, irrelevante tandenborsteltje bij een snoepreclame.
Als die saaie lettertjes onder sigaretreclames met stoere avonturiers.
Dat kon God toch niet zijn. God was toch liefde, toch niet dat benauwde, voorzichtige, brave, preutse? En als God liefde was en jij was alles voor mij en ik was alles voor jou als jij me eindelijk maakte wie ik was was jij dan God niet? Ik schrijf het met tegenzin op, want zo verwoordde ik het toen niet. Toen zei ik: "Onze liefde is zo puur, God die Liefde is moet daar wel plezier in hebben." Ik vraag me steeds af hoe het geweest zou zijn als we elkaar niet in de armen waren gevallen.
Zouden we dan nu vrienden kunnen zijn? Had ik dan van je kunnen houden, naast Henk, zonder iemand onrecht te doen? Het leek zo vanzelfsprekend, lichaam en geest zijn zo dicht bij elkaar en het was ook zo heerlijk met je. Maar sindsdien werd het wel alles of niks, het leek wel magie. Als ik niet bij je was dan dacht ik aan je. Niet aan sex, daar ging het niet om, maar het werkte wel als lijm, tweecomponentenlijm, ha. Eén vlees noemt de Bijbel dat. Ik werd niet meteen die vrolijke ontspannen vrouw die ik worden zou natuurlijk. Er zat ook zoveel in de weg. Ik moest Henk verschrikkelijk pijn doen en dat paste niet in mijn zelfbeeld. Ik moest me (van mezelf) verdedigen tegen een hele kerk vol aardige (en minder aardige) mensen.
Ik moest de kinderen uitleggen dat ons hele leven omgegooid zou worden.
Het werd zelfs even onduidelijk of de kinderen wel bij mij konden blijven. Er kwamen honderdduizend praktische vragen waar ik geen oplossing voor had. Ik was bezig de helft van mijn levensverhaal uit het boek te scheuren en dat neemt een energie, niet te beschrijven. Ik scheurde en werd uit elkaar getrokken. "Je moet door deze tijd heen", zei jij. Ik wist het niet meer.
Ik was alleen maar bang en jij was de enige bij wie ik troost wilde zoeken en tegelijk weer niet, want je was een partij in het geheel. Ze zeggen dat ik behoorlijk overspannen was. Ze, dat zijn al die aardige mensen, met wie ik graag wilde praten, omdat het zo onhelder was in mijn hoofd, maar ook weer niet, omdat ik het idee had dat ze alleen maar wilden dat ik weer naar Henk terug zou gaan, alsof er niks gebeurd was. Dat kon niet meer, dat kan ook nu niet meer. Ik weet niet of ik echt overspannen was. Moe wel en leeg. Ik wilde wel dagen slapen en vergeten.
Ik liep de hele dag te bidden "O God help me toch, help me toch". Ik dacht dat het bidden was tenminste, maar als ik stil stond om echt aan God te denken, dan werd alles chaos, dan voelde ik me woedend en in de war. Ik sliep slecht en als ik sliep droomde ik.
Meestal wist ik niet waarover, dan werd ik met bonzend hart wakker. Een keer wist ik het wel en die droom sloeg in als een bom.
Ik liep door een stad met veel herrie en bedrijvigheid. Het was benauwd, ik zweette. Ik was druk met een akelig karwei. Op de een of andere manier verkocht ik alles wat ik had. Niet alleen de materiële dingen, ook alle mensen die belangrijk voor me waren. Ik verkocht zelfs de kleren die ik aan had. In mijn hand had ik fotootjes geklemd, pasfotootjes van de kinderen, gemaakt door de schoolfotograaf. Ik hield ze angstig vast. Toen ik alles verder kwijt was rende ik die rotstad uit naar het veld. Daar was het koel en mooi en rustig. Ik had een stuk van dat veld gekocht, het mooiste stuk. Toen ik eenmaal buiten de stad was, begon ik langzamer te lopen. Ik ademde de koele lucht. Ik voelde me vrij en vol verwachting.
Ik liep naar de akker die ik gekocht had en toen ik dichter bij kwam zag ik de bomen en de planten en groenten die erop groeiden en ik zag jou. Je had een grote strooien hoed op en je stond over het land gebogen. Je verbouwde er alles wat we nodig hadden om van te leven. Je was op de een of andere manier groter dan de bomen, zoals ik je daar in de verte zag. Om jou, om jou alleen had ik dat stuk land gekocht. Ik wilde wel roepen en ik wist dat je je hoed af zou nemen en naar me zwaaien, maar ik deed het niet. Ik wilde naar je kijken zoals je daar bezig was. Ik liep en liep, het was blijkbaar nog een heel eind. Het viel me op dat je al kleiner werd naarmate ik dichterbij kwam. Het verontrustte me een beetje, maar ook niet veel. Je kreeg gewoon je normale menselijke proporties. Wat me wel stoorde was dat je bij nader inzien niet aan het werk was op het land, maar dat je rusteloos rondliep, alsof je iets zocht wat je verloren was. Je zag me pas toen ik vlakbij was, en zoals ik verwachtte sprong je met een vreugdekreet op me af. Maar je nam me niet in je armen - je riep hees "Weet jij het water, weet jij het water?" Je leek bang en iets van die angst sloeg op me over.
"Hoe kan dat nou?" zei ik. "Zo'n groen stuk land, daar moet water zijn. Heb je overal gekeken?" We liepen samen over de akker. Jij was werkelijk in paniek. Je had dorst. Mijn aanwezigheid was niks voor je als je niet drinken kon. Ik moest je helpen een bron vinden.
Ik was ervan overtuigd dat er een bron was. Ik liep en boog het gewas opzij, maar vond niets. Ondertussen werd jij kleiner en kleiner. Je kon nauwelijks boven het gewas uitkijken, ik moest je dragen en ik droeg je naar de boom, midden op de akker, waarom heen zacht gras groeide. Toen zag ik een enorme steen. Ik legde je in de schaduw in het gras en liep naar die steen. Dat moest de bron zijn. Ik begon te duwen, maar de steen was zwaar en jij was te slap om te komen helpen. Ik duwde en duwde alsof ons leven er van afhing. Ons leven hing ervan af.
Eindelijk kwam er beweging, de steen rolde langzaam uit een soort kommetje in een wat lagere plek in het gras.
Inderdaad, er zat water onder. Het leek wel een put, waarin het water ongeveer een halve meter onder de rand stond.
Ik liet me op mijn buik in het gras vallen en strekte mijn handen uit naar het water. Er dwarrelden papiertjes naar beneden die op het wateroppervlak bIeven drijven. Het waren de fotootjes, die ik helemaal was vergeten. Ze waren verfrommeld en de gezichtjes van de kinderen waren haast onherkenbaar, waarschijnlijk door het zweet van mijn handen. Ik keek. Tussen de ronddrijvende fotootjes zag ik mijn eigen gezicht, angstig, geschokt, verhit. Ik schrok er verschrikkelijk van. Ik lag daar als verlamd te kijken naar mijn eigen spiegelbeeld, naakt, in het gras van de akker die ik zojuist gekocht had. "Het Koninkrijk der Hemelen is gelijk aan een schat, verborgen in een akker, die een mens ontdekte en verborg, en in zijn blijdschap erover gaat hij heen en verkoopt al wat hij heeft en koopt die akker." Jij was die schat, waarvoor ik alles verkocht had.O God, jij was voor mij als het Koninkrijk der Hemelen, jij was voor mij als God. Maar je was God niet, je lag te sterven van de dorst als je niet gauw wat te drinken zou krijgen. Die gedachte bracht mijn krachten terug. Ik schepte water met mijn handen, stond voorzichtig op en droeg het naar je toe.. Je was inmiddels buiten kennis. Ik probeerde het in je mond te gieten, maar ik knoeide teveel en er was toch al zoveel tussen mijn handen weggelopen. Ik pakte je weer op en droeg je naar de bron. Je was zo klein en licht geworden dat ik je in het water kon houden, zoals een moeder haar kind. Je proestte en hoestte en begon te drinken. Je kwam weer bij. Je deed je ogen open en keek naar me op. "Heerlijk, riep je, heerlijk water." Ik wilde je eruit tillen, maar je riep "Nee, nee, laat me nog even hier, hou me hier nog even vast." Ik bleef liggen, op de rand van de put en kreeg pijn in mijn armen. Het leek wel of je al zwaarder werd. Ik keek naar je, zoals je daar lag, tussen de verknoeide fotootjes en stukjes van mijn eigen spiegelbeeld. "Je moet zelf leren zwemmen of water putten", zei ik tegen je. ''Toe lieverd, zei je, jij kan het toch ook voor me doen. Het is verrukkelijk zo." Maar mijn armen gingen zo pijn doen en ik besefte dat ik zelf nog niet gedronken had en dat ik al meer dorst kreeg. ''Toe, zei ik, ik moet je los laten en zelf drinken." "Ik zal je wat geven, drink uit mijn hand", riep je terug. Maar je handen waren belachelijk klein en ik kon er bovendien niet bij.
''Toe nou, riep ik nu in paniek, ik heb pijn in mijn armen, straks laat ik je los en dan verdrink je, ik til je eruit." Ik probeerde het, maar je was zoveel zwaarder geworden en mijn armen zoveel minder krachtig, het lukte niet. "Help, riep ik tegen je, je moet zelf zwemmen, ik houd het niet", maar je lachte naar me en tuitte je lippen tot een kus. Toen schrok ik wakker. Nu ik dit allemaal geschreven heb, weet ik dat ik deze brief niet zal versturen. Jij, die alles begrijpt wat in me omgaat, nog voor ik het heb uitgesproken, jij zult dit niet begrijpen. Weet je liefste, ik heb niet alleen Henk bedrogen voor jou, ik heb ook mijn andere liefde bedrogen voor jou en hoe kan ik jou dat uitleggen?
Toen ik wakker lag, na die droom, toen zat Hij naast me op het bed. Nooit van mijn leven heb ik me zo ellendig gevoeld als toen, zo smerig, zo schuldig, zo stom, zo lelijk en nooit van mijn leven ben ik ooit zo dicht bij het geluk geweest, zo geliefd, zo veilig. Het was alsof ik wakker werd uit een narcose en een dokter me een enorm kankergezwel liet zien dat hij uit mijn lijf had gehaald, een gezwel waarvan ik me nooit bewust was geweest. Ik wist dat het nooit meer zou worden zoals het was, met jou niet en met Henk niet. Ik wist dat ik alleen in Zijn ogen zou worden wie ik was. Niet wie ik zijn wilde, maar wie ik was. Oneindig veel lelijker en slechter dan ik ooit had willen denken, maar ook oneindig veel meer geliefd en vergeven en schoongewassen en mooi gemaakt dan ik ooit had durven hopen. Henk komt in dit hele verhaal niet voor, Henk is niet veranderd.
Ik ben veranderd en jij bent ook veranderd in mijn ogen. Ik heb je onrecht gedaan. Ik wilde zo graag dat je mij nodig had, maar je hebt mij niet nodig, je hebt water nodig. Ik dacht dat ik niet leven kon zonder jou, nu zie ik dat ik niet leven kan zonder water en dat ik niet bij het water kan met jou in mijn armen. Henk zal dat begrijpen en al die mensen om me heen, die nooit iets van me leken te begrijpen, die zuIlen het ook begrijpen. Alleen jij niet, jij die zo dicht bij me bent geweest, jij zou me laten sterven van dorst en ik zou je laten verdrinken in het water dat je niet kent. Nu moeten we elk alleen verder, zonder troost van elkaar. Was het maar nooit gebeurd. Ik ben zo bang voor alle pijn en voor de relatie met Henk. Aan de andere kant: zonder dit tussen ons had ik misschien niet ontdekt wat ik nu ontdekt heb: Wie God eigenlijk is. Ik sta op zo'n manier met mijn rug tegen de muur dat ik nog maar een ding kan en dat is: God in de ogen kijken en in Zijn ogen mijn eigen spiegelbeeld zien. Ik hoop dat het voor jou ook zo gaat, dat je je zo eenzaam zult voelen dat je het wel moet proberen met God en met geen enkel ander surrogaat. Zal ik je deze brief nu toch sturen? Ik wil zo graag nog iets voor je doen en je van God vertellen. Zul je luisteren? En dan?
Misschien wil je er met me over praten en als je weer dicht bij me bent met je mond, met je ogen.... wat dan? Nee, ik stuur deze brief niet. Ik weet dat ik je pijn doe. Misschien ga je me wel haten.
Door jou verkeerd begrepen worden, jou pijn doen, als ik dit kan verdragen, dan kan ik alles verdragen. Waarom zou ik het doen? Omdat ik geloof dat God ook iets met jou wil en het kan, zoals Hij het met mij kon.
Johanna
Lieve Henk, Hierbij geef ik je de brief die ik aan Wim geschreven heb. Ik verstuur hem niet, maar geef hem aan jou. Ik doe dat met grote moeite en ik vraag je er niet direct op te reageren. Ik heb het idee dat ik je met deze brief de cijfercode van het slot op mijn hart geef. Je zegt dat je van me houdt, daarom wil ik geloven dat je het niet zult gebruiken om wraak te nemen.
Ik geef je deze brief om als het ware twee schepen achter me te verbranden.
Het eerste is: doen alsof. Ik voel me schuldig en machteloos. Ik heb jou een boel verdriet gedaan en veel andere mensen die van ons houden. Het liefst zou ik doen alsof ik weer zielsveel van je houd en of het allemaal een stomme vergissing was. Ik vrees dat je er nog in zou vliegen ook. Je bent er vaker ingevlogen.
Dan zou het weer zijn als voorheen: jij in jouw wereld, ik in de mijne.
Totdat ik het niet langer volhoud en uit mijn rol val. Ik weet dat ik je pijn doe, als ik zeg hoe ik me voel, maar het is de enige manier om in het Licht te leven. Ik wil weer met je verder, ik wil een leven lang met je verder. De tijd is voorbij dat gevallen vrouwen zoals ik zich in een klooster terugtrokken. Ik wil ervoor vechten en van je leren houden. Was het niet een Indiër die zei: "Wij worden uitgehuwelijkt.
Het is als een koude pot die op het vuur wordt gezet. Langzaam warmt hij op. Jullie westerlingen, jullie zetten een hete pot naast het vuur, langzaam koelt hij af." Wat is liefde? Ik kijk naar de kinderen. Ik houd zoveel van ze.
Waarom? Is het niet omdat ik al zoveel liefde in ze geïnvesteerd heb? Het tweede schip dat ik achter me wil verbranden is dat van mijn "oude gevoelens".
Als jij je vertrouwen in mij hebt verloren, dan heb je gelijk. Ik vertrouw mezelf ook niet meer, ik voel me bedrogen door mijn eigen gevoelens. Ik sta er niet voor in dat ik niet weer verliefd wordt en weer vergeet dat mijn zoeken uiteindelijk naar God is. Maar als dat nu weer gebeurt dan wil ik er meteen met jou over praten en met jou over bidden, om, als het ware, de angel eruit te halen. Als je deze brief gelezen hebt kan ik mezelf in ieder geval niet meer wijsmaken dat je niet zou begrijpen waar ik het over had.
Lieve Henk, ik ben blij dat je me nog een kans geeft. Misschien wordt het beter tussen ons dan ooit tevoren. Ik heb een boel geleerd en jij zegt dat jij ook een boel geleerd hebt. Zouden zo alle dingen dan toch meewerken ten goede? Ik ben zo moe, zo vreselijk moe. Heb alsjeblieft een beetje geduld met me.
Je Johanna
| Vuur en wind Wij weten inmiddels van water en bloed het wachten is nu nog op vuur op windvlagen dwars door de muur op warmte en wijsheid op kracht en op moed. Wij weten wel wat er gebeurde toen het wachten is nu op de taal verstaanbaar vertolken van het verhaal op wonderen die de Heer door ons wil doen. Kom Heilige Geest vul ons keer op keer met de liefde van het begin waai ons de woestijn van de wereld in in de Naam van de Levende Heer. Jeannette |