Gezang 262: 'Op, waakt op!' (2)
1997-11-14
Twee weken geleden maakten we kennis met de donkere achtergrond waartegen dit uitbundige lied is ontstaan. Philipp Nicolai, die met zijn scherpe pen de Calvinisten bestreed en de Lutherse avondmaalleer verdedigde, beleefde tijdens een pestepidemie een periode van bezinning en geestelijke inkeer. Hij schreef een boekje waarin hij de overlevenden van de ramp bemoedigde met het vooruitzicht op het eeuwige leven.- Jaargang 41
- nummer 23
Koning en koningin
Tussen allerlei prozateksten treffen we in dit boekje, dat in 1599 verscheen, een tweetal liedteksten met melodie aan. AI eerder had Nicolai twee liedteksten in het licht gegeven. Het eerste was een strijdlied tegen de Calvinisten met de voor ons niet zo vleiende titel: Mag ich Ung/ück nicht widerstahn?, het tweede een bewerking van Psalm 42: So wünsch ich nun ein' gute Nacht. Geen van deze beide liederen vond de weg naar een kerkelijke gezangenbundel, maar de twee koralen die Nicolai na de pestepidemie publiceerde, zijn tot de bekendste in de schatkist van de kerk der eeuwen gaan behoren. Ze worden wel "de koning en de koningin van de evangelische kerkliederen" genoemd.De "koning" is Wachet euî, ruft uns die Stimme, de "koningin" Wie schön leuchtet der Morgenstern. Het laatste lied, in het Liedboek gezang 157 (Hoe helder staat de Morgenster), besprak ik twee weken geleden in het voorbijgaan. Deze keer wil ik de schijnwerpers richten op de "koning", in het Liedboek gezang 262: "Op, waakt op!" zo klinkt hef luide. Neemt u het lied er even bij?
De bruidsmeisjes
Dit lied richt de schijnwerpers op de Koning, de Bruidegom van de gemeente, die onverwacht aan de hemel verschijnt. Met een krachtig hoornsignaal, hoorbaar in melodie en tekst (beide zijn door Nicolai gecomponeerd), worden de bruidsmeisjes (in Nicolai's tekst heten ze "jonkvrouwen") uit hun slaap wakker geschud. De wachters op de muren (een vage verwijzing naar Jes. 21:11, 12) blazen het réveil. Wie zijn die wachters, die volgens Nicolai "zeer hoog op de tinnen" staan (ook dat maakt hij, in de 2e regel, hoorbaar met een reeks hoge noten; de vertaling heeft het niet overgenomen)? Het zijn de predikers die onze aandacht richten op de komst van Christus en onze verwachtingen hoog gespannen houden.') Zij geven niet "het volle pond" aan onze verwachtingspatronen en problemen van vandaag, maar leggen "een eeuwig gewicht van heerlijkheid" in de weegschaal. Zulke predikers zijn zeldzaam; we zouden maar moeilijk aan ze kunnen wennen. Soms betrap ik mezelf op de gedachte: Komt de Heer Jezus wel ooit terug? Hoe lang draait de aarde al niet vruchteloos haar baantjes rond de zon; wordt ze ooit uit haar cirkelgang bevrijd? De Heer Jezus zat zelf ook met een "probleem"
wat zijn terugkomst betreft, maar een heel ander probleem dan waar wij mee zitten. Hij vroeg zich niet af of God zijn grote beloften wel zou waarmaken (Luk. 18:7,8): "Zou God dan geen recht doen aan wie zijn uitverkoren en dag en nacht tot Hem roepen? Zou Hij hen laten wachten? Neem van Mij aan: Hij zál ze recht doen en vlug ook. Maar zal de Mensenzoon bij zijn komst wel geloof op aarde vinden?" Met andere woorden: zijn er straks nog gelovigen die dag en nacht naar Hem uitkijken en om zijn terugkomst bidden? Of hebben ze zich bij het "horizontale" neergelegd en liggen ze nu zelf horizontaal? Jezus heeft onze verwachting van zijn terugkomst strak willen spannen door tot in het laatste Bijbelboek toe "Ik kom spoedig" te zeggen - maar Hij heeft ons er ook op voorbereid dat het voor ons gevoel wel eens heel erg lang zou kunnen gaan duren. ZÓ lang zelfs, dat ook de wijze bruidsmeisjes er niet onafgebroken de ogen bij kunnen openhouden. In de gelijkenis van Mat. 25:1-13 slapen álle meisjes in. Maar sommigen hebben de olie van de verwachting bij de hand, zodat ze elk ogenblik hun lichtje weer kunnen aansteken. De andere meisjes denken: "Dat zien we dàn weL" Zij hebben geen gebeden in hun bagage.
De bruid springt op
Bij deze gelijkenis schreef Philipp Nicolai dit koraal.
Wohlauf, der Bräutgam kömmt,
steht auf, die Lampen nehmt!
Halleluja!
Macht euch bereit
zu der Hochzeit,
ihr müsset ihm entgegengehn!
In strofe 2 heeft hij het niet meer over de bruidsmeisjes, maar over de bruid: Sion. Met "Sion" wordt hier de gemeente van Christus, de Kerk, bedoeld. Ook zij is ingedommeld, maar bij het roepen van de wachters springt ze pijlsnel op haar voeten en holt ze haar Bruidegom tegemoet. Ze reageert duidelijk vlotter dan de bruid uit het Hooglied (5:2-7), die haar kloppende vriend aan de deur laat staan, bang dat haar make-up weer in de war zal raken; als ze hem daarna gaat zoeken, is hij verdwenen. Wij mogen ons best eens afvragen: wachten wij op Jezus, of laten wij Hem wachten?
De bruid in het lied van Nicolai laat haar Vriend geen seconde wachten. Ze ziet haar Licht, haar Ster opgaan. Daar verschijnt Hij aan de hemel: "sterk in genade, machtig in waarheid" zingt Nicolai naar Joh. 1:17; de vertaling heeft: "in waarheid sterk, in liefde teder." Dit is de Bruidegom uit Ef. 5:25, die zichzelf voor zijn bruid heeft geofferd, zodat ze nu "zonder vlek of rimpel" vóór Hem staat: wat zou ze zich nog om haar make-up bekommeren? Hijzelf is haar Kroon, haar schitterendste sieraad (de vertaling heeft hier "Heiland, 's aardrijks kroon": ten onrechte - Jezus is hier de kroon van zijn gemeente, daar gaat het in dit lied over). Hier wordt de bruiloft bezongen tussen het Lam (want Hij kocht haar met zijn bloed) en zijn Kerk uit Openb. 19:6-9. Er is niet zwoels in dit lied, omdat het beeldgebruik zuiver bijbels is gehouden: bruidegom en bruid zijn beeld voor Christus en zijn gemeente. Daarom is dit lied in de Ned. Geref. gezangenselectie opgenomen, terwijl dat andere koraal van Nicolai (157) daarbuiten bleef vanwege het onzuivere, onbijbelse beeldgebruik: de vrome christenziel als bruid van Christus. Met gezang 262 kunnen we ons verlangen naar de Koning van de Kerk levend houden: olie om ons lampje, ieder voor zich, mee te vullen.
Het nieuwste avondmaal
Bij een bruiloft hoort een bruiloftsmaal. Dat duurde in het oude oosten geen paar uur, maar zeven dagen: men wist wat feestvieren was. De eerste keer dat ik de Matthäuspassion beluisterde, werd ik het diepst getroffen door de passage waarin de bariton Jezus' woorden uit mat. 26:29 zingt: "Waarlijk, Ik zeg u: Ik zal van nu aan niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot die dag dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader." Wat een verlangen spreekt er uit die woorden!
AI tweeduizend jaar hunkert onze Heer naar het moment dat Hij met zijn discipelen, met ons, Avondmaal zal vieren in het Koninkrijk van zijn Vader.
Dat wordt een heel ander Avondmaal dan wij nu gewend zijn. Dan schuifelen we niet naar voren om onder een drukkende (voor sommigen beklemmende) stilte een blokje brood en een slokje wijn tot ons te nemen, een bijbelfragment te lezen, een lied te zingen en dan zo onopvallend mogelijk onze plaats weer op te zoeken. Onze plaats zal aan die tafel zijn, aan de maaltijd, zoals toen Jezus het Avondmaal instelde: een gemeenschapsmaaltijd. Als ik aan het Koninkrijk van God denk, komt dàt beeld mij het vaakst voor ogen: een lange, feestelijke tafel, waar je niet zit als alleenstaande of gehuwde, maar waar je je vaste plek hebt en je volstrekt thuisvoelt bij de mensen om je heen omdat je je samen met hen thuisvoelt bij de Gastheer. Voor drukkende stilte is er geen plaats: wel voor tafelgesprekken (gemeenschap noemt de Bijbel dat)tafelgesprekken met elkaar en met de Gastheer die met zijn gekwetste handen zelf het brood breekt en de bekers vult.
Eerlijk gezegd let ik bij dat "visioen" zelden op wat er op tafel staat (schalen vol vruchten, denk ik: cholesterol-arme uitbundigheid), maar mijn ogen gaan heen en weer van de Gastheer naar de andere gasten die, terwijl ze de nieuwe wijn drinken, niet over de nieuwste misstanden, maar over de (nieuwste) Heer(lijkheden) praten.
Aan het slot van zijn 2e strofe laat Nicolai het Avondmaal met de Bruidegom plaatsvinden in een .Freudensaal", een vreugdenzaal. Als u de Duitse tekst van dit lied (en van de Nederlandse vertaling geldt dat ook) op uw p.c. regel voor regel zou "centreren", dan zou u zien dat alle drie de strofen de vorm van een avondmaalsbeker vertonen. Niet zo'n rechte beker als waar wij uit drinken, maar een fraaigevormde kelk met een steel en een voet. Vandaar die korte regels middenin het koraal, die door Händel zijn overgenomen in zijn Messiah in het machtige Hallelujah-koor. Ook het andere koraal van Nicolai (gez. 157) vertoont de vorm van een avondmaalskelk: een met een smallere steel.
Op die melodie berijmde ik indertijd het Lied van de Bruiloft des Lams uit Openb. 19:6-9, dat uitloopt op het bruiloftsmaal voor de qenodlqden.') In deze symboliek weerspiegelt zich Nicolai's levensstrijd: zijn vurige ijver voor de Lutherse avondmaalsmystiek, waarbij Jezus lichamelijk in brood en wijn aanwezig is. In het drinken uit de avondmaalskelk proeft de vrome christenziel bij uitstek de zoetheid van haar ' Geliefde Held. In lied 157 ligt die mystiek er stroopdik bovenop; in lied 262 ontbreekt ze, en door dit lied in de vorm van een beker af te drukken (een suggestie voor een volgend gezangboek) kan het ons helpen onze gedachten op het nieuwe Avondmaal met de Heiland te richten, waar we allen uit één beker drinken en één voor één door Jezus worden aangesproken.
In het koor Er is nog een ander beeld, dat bijna even vaak bij me opdoemt wanneer ik aan het Koninkrijk van God denk. Ik zie mezelf staan in een immens groot koor rondom de troon van God en van het Lam. Ik weet het: het is geen bijster origineel "visioen". Het is de hartewens van een kind dat zingend is opgegroeid en telkens met spijt ontdekt dat "ze al weer uitgezongen zijn". Voor anderen vormt het juist een schrikbeeld: "eeuwig zingen", alsof we op de nieuwe aarde niets anders om handen zullen hebben! Aan het slot van mijn Maranatha-serie eerder dit jaar in dit blad schreef ik dan ook: "Er rolt straks een complete nieuwe maatschappij van stal. Er wacht ons een enorme uitdaging: mééregeren met Koning Jezus. Er zal eindeloos veel gezongen worden op de nieuwe aarde(maar) tussen de bedrijven door.") Toch kan ik juist naar dat gezang voor de troon intens verlangen. Niet meer eencoupletje of een paar coupletjes tussendoor, maar voluit, ongeremd en samen met alle heiligen (gez. 299). Mijn stem voegt zich dan bij de stemmen van de christenen van de Chinese huisgemeenten, met wie ik zolang op een afstand heb mogen meeleven. Bij de stemmen van de christenen in Rusland, van wie ik zoveel heb geleerd en die zo mooi, zo recht uit het hart en zo ongeforceerd kunnen zingen. Bij de stemmen van die broers die ik met beloftenvolle bijbelteksten heb mogen bemoedigen. En, hoop ik vurig, bij de stem van dat vroegere logeetje, dat steeds minder van de Here en zijn dienst wil weten en in deze wereld verdwaald dreigt te raken, maar voor wie ik elke week bid.
Wordt dan de keel nog dichtgesnoerd door verdriet om wie er niet zijn'). Of lost dat verdriet op in de verbazing en verrukking om wie er wèl zijn? Vooral de verrukking om die Ene, die ik leerde kennen, in de Hof van Gethsemané en met Wie ik nu mag opwandelen in de Tuin van Eden? Alle dankbaarheid breekt door, breekt los in het ene lied na het andere. "Eén koor van mensen- en engelenstem", dicht Nicolai in de laatste strofe. Daar zijn ook die engelen bij die mij mijn leven lang beschermd hebben en al die merkwaardige toevallige ontmoetingen voor me ensceneerden. Ik mag met ze meezingen. En met die zuster die "niet van zingen houdt" en nu van pure vreugde opeens niet meer kan ophouden. En met die broeder met zijn "stem om cokes te kloppen", die zijn oren niet gelooft nu hij zichzelf hoort zingen als een engel: Geen oog heeft ooit begroet, geen hart heeft ooit vermoed zulk een vreugde.
Lofverheffing
Nicolai's lied eindigt in pure lofverheffing. Ik had bijna geschreven: in pure tongentaal, ware het niet dat het te herkennen is als een mengelmoes van Latijn en Duits: twee talen die Nicolai volkomen beheerste. Een mengvorm die in middeleeuwse geestelijke liedjes nog helemaal niet vreemd was en kennelijk ook op de valreep met de 18e eeuw nog wel werd toegepast:
Wir singen froh:
Io,io,
ewig in dulci jubilo!
Het Evangelisches Kirchengesangbuch (E.K.G.) heeft dit extatische en tegelijk naïeve slot gekuist en er keurig Duits (-
Hebreeuws) van gemaakt: Des jauchzen wir / und singen dir / das Halleluja für und für. Van mij had het niet gehoeven: een wat vlakke vertolking van een jubelende tong. Een klein mondje Latijn (en Hebreeuws) in de kerk mag best.
Ook in lied 157 zijn er een paar Latijnse bloemetjes verduitst (in het Abgesang van de 3e strofe).
Als we voor de troon van God staan, spelen taalproblemen geen rol meer. Babel is dan voorbij en gebabbel wordt er niet meer gehoord. Lofprijzing is er aan de orde van de dag: eeuw na eeuw na eeuw na eeuw na eeuw. Open stad Zijn onze voeten daar vastgeklonken voor de troon? Nee, we wonen in een Stad die ons op geen enkele manier beknelt of gevangen houdt. De poorten staan er dag en nacht open: we zullen in- en uitgaan en genieten van de ganse nieuwe schepping. Die open poorten lokken ons om telkens weer naar binnen te wandelen: Von zwölf Perlen sind die Pforten zingt Nicolai in regel 4 van de 3e strofe. (in de originele tekst). Hier verwijst hij naar de beschrijving van het nieuwe jeruzalem in Openbaring 21 :21. Dit voorjaar was ik met een logeetje (dat me graag een evangelische boekhandel binnentrekt) in het Teylers-museum in Haarlem. Daar bekeken we een aantal edelstenen waarmee volgens Johannes visioen de fundamenten van het nieuwe Jeruzalem versierd zullen zijn: lazuursteen, smaragd, topaas, beril, chrysopraas, amethyst. Pas toen kon ik me een beetje een voorstelling vormen van de kleurigheid van de Stad die uit de hemel op aarde zal neerdalen. Laten wij onze fantasie prikkelen door zulke visioenen en beelden uit de Bijbel? Gereformeerden (en niet alleen zij) hebben, als het om het Koninkrijk van God gaat, het voorstellingsvermogen van een mol en zij menen dat dat het meest juiste is. Waarom put de Bijbel zich dan zo uit in het aanreiken van beelden? Aan ons niet besteed? Is dat misschien een van de oorzaken dat het verlangen naar een nieuwe aarde onder ons slechts flauw aanwezig is? Kijk in uw Bijbel, schouw in Gods toekomst! Maar toch: .Kein Aug hat je gespürt" zingt Nicolai. De kleurigste edelstenen in het Teylers Museum, het schitterendste landschap in Indonesië: grijze schaduwen van het Licht dat komt.
Kom, Heer Jezus! Maak uw werk haastig af.
Noten
1 Het is ook heel goed mogelijk dat Nicolai hier gedacht heeft aan engelen die de bazuin blazen: veel van zijn beelden zijn ontleend aan de Openbwing van Johannes. misschien ook liet hij ruimte voor meer dan één interpretatie.
2 Een lied voor de Bruidegom, nr. 24: Uit aller mond, gez. 102; Schriftberijmingen (Chr. Geref Kerken), gez. 36: "De lof, de heerlijkheid, de kracht".
3 Opbouw, 41 jaargang, nr. 7 (4 april 1977)
4 In hetjuli-augustus-nummer van Bijdetijd schreef mevr. E. Schaeffer-v.d. Wal n.a.v. mijn Maranatha-serie in Opbouw over (letterlijk) "het probleem van de wederkomst". Zij stelt dat wie vraagt om de spoedige teruqkomst van Christus daarmee óók vraagt om een spoedig einde van het "heden der genade" voor (bij voorbeetdï je ongelovige kind (vg!. ook haar boek" Verdriet waar geen troost voor is"). Ik meen echter dat wie bidt. Kom haastig, Heer Jezus!", daarmee impliciet vraagt of de Heer zijn werk (ook aanjouw ongelovige kind) haastig wil afmaken. Persoonlijk verwacht ik vóór de wederkomst de bekering van het Joodse volk. Maar ik zal het niet in mijn hoofd halen te bidden: "Heer Jezus, wacht nog even: dan kan Israël zich nog bekeren." Met het gebed om Jezus' terugkomst bid ik impliciet om het zalig worden van geheel Israël" (meestal vraag ik dat er nog expliciet bij).