Verdicht gebeuren (1)

1997-11-28
  • Jaargang 41
  • nummer 24
Het lijkt Ab van der Ploeg uit Eindhoven in tweeder instantie dan toch te zijn gelukt: in dit blad een discussie te entameren met als inzet: “Hoe wrik ik het omgaan met de Bijbel los van ‘opvattingen’ over de Bijbel en hoe plaats ik de Bijbel in de actualiteit van vandaag?” eerder had hij zich al afgevraagd of er dan “niet een Bijbel te voorschijn komt die veel rijker is dan de tot dusver dachten”.1 Dit naar aanleiding van het verschijnen van het eerste deel van “Het verhaal gaat…” van Nico ter Linden en een bespreking van dat boek in dit blad door Pieter van Kampen. 2

Inmiddels verscheen in reactie op een nadere uiteenzetting van Van Kampen een naar mijn idee zeer evenwichtig betoog over de historiciteit van bijbelverhalen van de hand van collega Van der Dussen', De reactie daar weer op van collega Koers' heb ik in vergelijking daarmee als nogal teleurstellend en eigenlijk ook beneden de maat ervaren.
Ik hoop in wat volgt uit te leggen waarom en zo ook mijnerzijds een bijdrage te leveren aan het op gang gekomen gesprek.

Wel waar, maar niet echt gebeurd
Dat adagium van Ter Linden is veel gewraakt de afgelopen jaren. Het is ook niet moeilijk er het nodige op af te dingen.
Ik zou niet graag sec beweren dat wat de Schriften verhalen niet echt gebeurd is. Alsof dat alles volstrekt los zou staan van de werkelijkheid waarin wij leven en al de heiligen ons voorgegaan geleefd hebben. Dat bezwaar kleeft zelfs, zij het in mindere mate, aan de variant die mijn collega en bovenal leermeester De Jong eens beproefd heeft: waar, maar niet gebeurd.
Toch getuigt een dergelijke benadering van zowel de ene als de andere variant van het motto van weinig welwillendheid.
Voor mij staat buiten kijf - laat ik dat voorop stellen - dat de Schriften in wat ze verhalen woord voor woord recht doen aan deze onze werkelijkheid en dus aan het verhaalde gebeuren. Maar omschrijf maar eens exact de aard van de taal waarin dat gebeurt - dat blijkt niet eenvoudig. In ieder geval doet de verhaaltrant van de Schriften dichterlijker aan dan de taal die in onze huidige beschaving als standaard voor geschied-wetenschappelijke verhandelingen geldt. De verhalende delen van de Schriften presenteren ons aldus het verhaalde gebeuren in een gestileerde en verdichte vorm. Verdicht dan wel genomen in de oorspronkelijke betekenis van gecondenseerd, ingedampt, en niet in de ongunstige betekenis van verzonnen of moedwillig verdraaid. Want die verdichte vorm komt op geen enkele wijze in mindering op het recht doen aan wat ik hierboven noemde de werkelijkheid waarin wij leven en al de heiligen ons voorgegaan geleefd hebben. Ik ben integendeel in toenemende mate geneigd te denken dat die meer dichterlijke, verbeeldende taal op een veel diepere en zinrijkere wijze aan die werkelijkheid recht kan doen dan onze over het algemeen meer klinische en al te eenduidige taal vermag te doen.
Het is naar mijn indruk die eigenaardigheid van de taal van de Schriften en de kortsluiting die kan ontstaan wanneer die niet onderkend wordt, die Ter Linden in een paradox heeft willen vangen, een schijnbaar ongerijmde uitspraak, die ook per definitie prikkelt: wel waar, maar niet echt gebeurd. Wat er van Ter Linden verder ook allemaal gezegd kan worden - dat hij er niet wars van is die paradox op de spits te drijven en plagerig te tamboereren op het onhistorische karakter van de Schrift; dat hij daarmee in het theologische debat een te grote broek aantrekt (zoals Van der Dussen in zijn tweede bijdrage aangeeft) en dat zijn bij tijden prachtige hervertelling van het Verhaal ook wel gepaard gaat met exegetische slordigheden - dat alles mag daarom nog niet aangegrepen worden om ons verder ontslagen te weten van de vragen die met die paradox zijn aangeduid: wel waar, maar niet echt gebeurd.
Dat zie ik ook bij De Jong: enerzijds een veel behoedzamer opereren en anderzijds een serieus nemen van de vragen die hier liggen. Daartoe een uitvoerig citaat uit een vrij recente lezing van hem voor onze theologische studenten: "Over de bijbelse geschiedenissen wil ik graag nog iets kwijt. De waarheidslievendheid van de Schrift (in de gewone betekenis van dat woord) is zo groot dat wij met de slogan van ds. Ter Linden 'wel waar, maar niet echt gebeurd' m.i.
niet uit de voeten kunnen. Dat geldt niet alleen van de profetenverhalen, maar ook van die geschiedenissen die we eerder in het Oude Testament tegenkomen en waar door de kritische bijbelwetenschap wel het woord sage voor gebruikt is. Laten we eerlijk toegeven dat ons bij het lezen van zulke vertellingen de twijfel bekruipt of het wel zo gebeurd kan zijn als het beschreven staat. Neem als voorbeeld het verhaal van Jakobs bedrog. Wanneer je de details daarvan op je in laat werken, de geitenvellen handschoenen en sjaal die Jakob van zijn moeder omkrijgt, zonder dat dit door de blinde, tastende vader wordt opgemerkt, dan denk je: In het verhaal kan blijkbaar meer dan in de werkelijkheid. De werkeliikheid wordt vertellenderwijs een klaarte en eenvoud afgedwongen die zij van zichzelf zo niet heeft. Wat is dit eigenlijk voor een werkelijkheidsvoorstelling?
We hebben daar geen goede termen voor. Ik heb het wel eens geprobeerd met het woord profetisch-symbolisch, en dan dat laatste (symbolisch) genomen in de letterlijke betekenis van het woord als samenballing, dat wil zeggen dat een verhaalsvorm is gekozen die op eenvoudige en samenvattende wijze houvast geeft aan een gebeuren dat zich in de werkelijkheid ingewikkelder heeft toegedragen. Het is echter de vraag of je in onze kultuur het woord symbolisch op die manier kunt gebruiken zonder misverstand te wekken. Hoe dat ook zij, de zin 'waar, maar niet echt gebeurd' zou ik voor zulke geschiedenissen willen vervangen door 'waar, maar niet ZO gebeurd'. Het is in die zin echt gebeurd dat aan de werkelijkheid die men bedoelde weer te geven, op een wijze die zelfs voor een kind te begrijpen is, recht is gedaan. Dat daar profetie ('profetisch-symbolisch') voor nodig is geweest, laat zich denken."5

Declassering?
Koers, om nu naar zijn bijdrage terug te keren, gaat naar mijn idee geheel voorbij aan de eigen aard van de verhaaltrant van de Schriften, die hierboven ontoereikend en voor misverstand vatbaar aangeduid is met de woorden verdicht en symbolisch (De Jong). Dat blijkt uit een cruciaal zinnetje, waar hij Van der Dussen (afwijzend) als volgt weergeeft: "We hebben in wat voor ons staat niet van doen met wat echt gebeurd is, hoewel het zich wel zo geeft, maar met de subjectieve weergave van ons onbekende en uit de verhalen niet te achterhalen achterliggende feiten" [cursivering KH].
Hoewel het zich wel zo geeft - maar dat is nu juist de vraag in discussie: hoe heeft wat voor ons staat van doen met wat echt gebeurd is? Jammer dat Koers dan vervolgens Van der Dussen voor de voeten werpt onzorgvuldige exegese in de hand te werken: "je hoeft overal niet zo precies te kijken wat er staat, want de feiten zijn intussen immers gedegradeerd en gedeclasseerd tot verhalen" [cursivering KH]. De door Koers gewraakte zin van Van der Dussen had ik bij voorkeur ook anders geformuleerd: "Altijd is er minstens één evangelist van wiens berichtgeving men niet kan zeggen, dat zij geheel overeenstemt met de feiten". Maar waar gehakt wordt vallen nu eenmaal spaanders. En over waar het Van der Dussen om begonnen is, behoeft toch geen misverstand te bestaan: "Onmiskenbaar vindt er een verschuiving van de aandacht plaats: wat er echt gebeurd is, wordt wat minder belangrijk; de boodschap van de evangelist daarentegen komt meer op de voorgrond te staan". En, nog veel duidelijker, in het slot van zijn trilogie: "Het is ook bijna altijd de bijbeltekst zelf die er aanleiding toe geeft om de inkleuring als inkleuring te gaan herkennen. Waar het om gaat is immers, dat de bijbelschrijvers er met hun inkleuring niet iets bij 'verzinnen', maar het profiel doen uitkomen van de geschiedenis waarover zij berichten".
Dan te spreken van declassering of degradatie van het verhaalde gebeuren tot verhalen en vertelsels lijkt mij commentaar dat geen hout snijdt. De aap komt dan ook wat verderop uit de mouw: het eigenlijke motief voor deze uitval is de angst dat door de deur die Van der Dussen openzet nog wel eens te voorschijn kon komen wat hem doet verbleken van schrik. Maar zegt het spreekwoord niet terecht dat angst een slechte raadgever is?

Eerbied
Als Koers aan het slot van zijn bijdrage rept van een "tekort aan eerbied voor wat echt betrouwbaar woord van God is", dan kan dat gezien het verband nauwelijks anders slaan dan op Van der Dussen en Oosterhoft en "heel wat dat tegenwoordig onder ons geschreven wordt". Ik kan bijna niet geloven dat hij dat meent en het zeker niet aanvaarden.
Want het zou betekenen dat bij hem de ruimte ontbreekt, die professor Troost, als ik hem goed begrepen heb, in een nummer eerder van ons blad juist bepleit voor een open en eerlijk gesprek over deze dingen".
Wat ik hierboven geschreven heb over de wijze waarop de Schriften in wat ze ons verhalen recht doen aan de werkelijkheid van het gebeuren daarachter, stoelt uiteraard op de eigen regelmatige omgang met die Schriften, niet in de laatste plaats met het oog op de verkondiging. Maar ik kan me voorstellen dat het zo zonder illustratiemateriaal voor de lezer nog wat in de lucht is blijven hangen. Ik wil daarom het door mij geschrevene een volgende keer graag nog wat voorbeeldgewijs aan de hand van de Schriften verduidelijken. En ik moet eerlijk zeggen dat ik dat ook ervaar als het meer eigenlijke werk.
Want hoe nuttig en hoe nodig het zijn mag je van tijd tot tijd over je wijze van omgang met en vertolking van de Schriften te verantwoorden - dat bedrijf heeft toch ook iets heel betrekkelijks. Van Kampen heeft mij dat met zijn bespreking vorig jaar van het eerste deel van Het verhaal gaat ... eigenlijk zijns ondanks duidelijk gemaakt. Hij kon het duidelijk niet op één lijn krijgen: enerzijds zijn afschuw van de schriftopvatting die Ter Linden er op nahoudt en anderzijds de vervoering waarin de taal van het boek hem bracht, het zicht dat hij geopend kreeg op zaken die hij "anders nooit zo bijeengedacht had". Je zou haast denken dat het dan van tweeën één moet zijn: 6f de te berde gebrachte kritiek op de schriftopvatting van Ter Linden sneed niet al te veel hout (zoals Van der Ploeg suggereerde) öf die schriftopvatting doet er uiteindelijk minder toe dan het lijkt; anders gezegd: als het er op aankomt gaan de Schriften meer op de loop met Ter Linden dan Ter Linden het doet met de Schriften.
Maar de volgende keer dus niet meer over Ter Linden!


Noten:
1 Opbouw 41 (1997) 280 en 19L
2 Opbouw 40 (1996) 441-442.
3 Opbouw 41 (1997) 167-168,187-188, 207-208.224-225 en 311-312.326-328.347-349.
4 Opbouw 41 (1997) 384-385.
5 Studiemap Theologische Studiebegeleiding. aflevering J 7. p. 16.
6 Opbouw 41 (1997) 360-362.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief