Hoe zie ik eruit, wat kan ik en wat moet ik met de kerk?
1997-11-28
Weet je hoe twee therapeuten elkaar groeten? (Het is al een oud grapje). “Hallo, hoe gaat het met mij, met jou ook alles goed.” Weet je ook hoe twee tieners elkaar groeten? “Hallo, hoe zie ik eruit? Jij ziet er gaaf uit, maar wat zij aan heeft is lomp, zeg.” - Jaargang 41
- nummer 24
Onzin natuurlijk. Dat zeg je zo niet. Zoiets denk je. De tienertijd is een tijd van zoeken en experimenteren. Er is zoveel mogelijk maar wat past nou bij jou? Je doet het niet meer vanzelfsprekend zoals je ouders het je voordoen, je zoekt je eigen weg. Een beschaafde psalmen-vader aan het orgel, en een ietwat verwilderde opwekkingsliederen-zoon aan de piano. De een kiest dit, de ander dat. Op het moment lijken er meer keuzemogelijkheden te zijn dan ooit.
Hoe zie ik er uit en hoe wil ik er uit zien? Wat kan ik en wat wil ik doen? En voor jullie, kerktieners, is er ook de vraag: Wie is God voor mij en wat zoek ik in de kerk? Hoe zie ik er uit? Bij welke groep wil ik horen? Hoeveel heb ik er voor over, aan geld en tijd? We zien iemand het ene moment met lang haar en slobbertruien, het volgende moment in een korte kop met een pak aan. Hoe voelt het als ik me sexy kleed? Hoe gaan mensen reageren, op school, in de kerk, op straat?
Laatst zat ik tegenover een jongen in de bus, enorm lijf in zwart leer verpakt, een ringetje door zijn neus en wang en zulke lieve hele zachte ogen. Ik moet er steeds naar kijken, stiekem natuurlijk. Er klopte iets niet.
Wat kan ik eigenlijk en wat wil ik? Jullie hebben vaak zo gigantisch veel energie en kracht. Hoe lang kan ik met een minimum aan slaap? Hoe lang en hoe hard kan ik rennen? Afzien en je lijf trainen. Je helemaal geven in een sport, samen winnen of verliezen. De teevee uit elkaar halen en er zeker van zijn dat de storing dan verdwenen is, tenzij er iets stoms tegenzit. En dan ook school nog natuurlijk. Wat heb ik er voor over?
Wat wil ik worden? Een jaar verspelen omdat het allemaal zo onzinnig lijkt en alles en iedereen je in de weg zit en dan opeens iets ontdekken: de computer of een studie en je er helemaal op storten. En dan geloven. Dat verandert. Je gelooft niet meer in Sinterklaas, hoewel hij wel elk jaar weer tastbaar aanwezig is, je ontdekt ook dat God Sinterklaas niet is, die al je wensen vervult. Maar wat dan wel? Je kunt je verzetten. Het hoeft voor mij even niet. Onderhandelen over wel of niet naar de kerk gaan, hoe vaak en waar je moet zitten. Verzetten is niet erg. Het kan zelfs heel goed zijn. Deze tijd is daarvoor. Het wordt veel moeilijker als je op je dertigste met, wie weet een gezin en werk, aan van alles gaat twijfelen. Als jè je verzet, is er een relatie, als je ruzie hebt, kijk je de ander aan. Onverschilligheid, dat is gevaarlijk. Doèn alsof. Je mond houden omdat je geen zin hebt in gezeur. Als je vragen hebt, moet je ze stellen. Als volwassenen boos worden of je redeneringen onderuit halen, bedenk dan dat ze meer oefentijd hebben gehad, en dat ouders soms erg schrikken van kritische vragen van hun eigen kind.
Stel je vragen nog eens, of stel ze aan een ander. Je kunt ook kiezen voor de anderen weg: zoeken naar je eigen geloof. Geloven is vertrouwen, vertrouwen moet je oefenen. Dat kan ik iedereen aanraden trouwens, ook hen voor wie geloven nu niet belangrijk is. Vertrouwen heb je namelijk ook nodig in liefdesrelaties. Je kunt kijken hoe vertrouwen bij anderen werkt. Je kunt zoeken naar manieren waarop jij met God contact hebt. De een zoekt naar redeneringen. Hoe zit dat met schepping en evolutie? En ander zoekt vooral ervaring. Hoort God het als ik bid, kan Hij mij vrede geven?
Tiener zijn is zoeken en experimenteren. Is dat leuk? Niet alleen maar leuk. Het is ook een gevecht, met jezelf, met je ouders en met de wereld om je heen. Johannes schreef dit in zijn eerste brief: "Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om zijns Naams wil. Ik schrijf u vaders, want gij kent Hem die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt de boze overwonnen." Het gaat hier om kinderen, jongelingen (tieners) en vaders (ouderen) in het geloof, maar het geldt ook voor die fasen in het leven, fasen die trouwens ook telkens weer terugkomen. De kinderen zijn vooral blij en onbekommerd.
Ze zijn gered. De vaders kennen het klappen van de zweep, ze weten van God die er vanaf het begin is, ze worden niet meer zo opgeschrikt door hun eigen emoties, of door wat er om ze heen gebeurt. Maar de jongelingen, de tieners, die overwinnen de boze, die staan midden in het gevecht. Ik lees verder: "Ik heb u geschreven kinderen, want gij kent de Vader. Ik heb u geschreven vaders, want gij kent Hem die van den beginne is. Ik heb u geschreven jongelingen, want gij zijt sterk en het woord Gods blijft in u en gij hebt de boze overwonnen." De kinderen voelen zich geborgen en geliefd. Vader zorgt voor ze. De vaders weten wat ze aan zichzelf en wat ze aan God hebben, die zoveel meer is dan zij zelf. Maar de tieners hebben kracht nodig, die moeten de boze overwinnen. Alle heftige gevoelens in zichzelf. Alle verleidingen van de wereld. Waarin doe ik mee? Waarin zeg ik nee, met alle gevolgen van dien? Waar halen tieners hun kracht vandaan? Is de natuurlijke energie voldoende? Johannes schrijft over het woord van God dat in je blijft. Dus niet het woord waar je aan vast zit, ook niet het woord dat op je nachtkastje ligt, zelfs niet het woord dat je in de kerk hoort, maar het woord dat in je blijft. Als het een plekje krijgt in je, dan blijft het. Dan leer je het kennen, dan wordt het van je zelf. De koude kikker werd een prins, het vreemde woord wordt ook een geliefde, Jezus zelf. En wie zoekt er nu niet naar liefde.
Ik wens jullie het beste met je knokpartij.