Verlost door het bloed van Christus

2010-03-19
  • Jaargang 54
  • nummer 6
‘Gedenkt en gelooft dat het kostbaar bloed van onze Here Jezus Christus is vergoten tot een volkomen verzoening van al onze zonden’, klinkt het bij het Avondmaal. Maar dat Christus zijn bloed gaf in onze plaats en als een door God vervloekte de straf onderging die wij hadden verdiend, dat gelooft Ton de Ruiter, tot voor kort predikant in de GKV, niet meer. En ook andere leden van gereformeerde kerken voelen zich vervreemd van deze verzoeningsleer. Maar hoe dan te lezen dat Jezus ons met zijn kruisdood vrijkocht van de vloek en zijn leven gaf als een losgeld voor velen?

Hoe komt ‘verzoening’ tussen God en mensen tot stand? Bij het lezen van Lucas 15 lijkt het zo eenvoudig. De vader sluit zijn verloren zoon in de armen en alles is weer goed. Maar bij nader inzien is het ingewikkelder. In mijn vorige artikel wees ik op de problemen die rijzen wanneer verzoening afhangt van de bereidheid van beide partijen om de relatie te herstellen. In dit artikel wil ik ingaan op Bijbelteksten die aanduiden dat voor Gods verzoening nodig was dat het bloed van Christus vergoten werd (Romeinen 3:25; Efeziërs 1:7;2:13; I Johannes 1:7 enzovoorts).

In Hebreeën 9:11-14 wordt het vergieten van Christus’ bloed aangeduid als een ‘offer’, dat in het verlengde ligt van de offers die in het Oude Testament gebracht werden. Maar wat betekent dat? Wil God bloed zien, voordat Hij bereid is zich met ons te verzoenen? Maar dan lijkt Hij toch in de verste verte niet meer op de Vader in de gelijkenis? Dat is een van de bezwaren van Ton de Ruiter in zijn recent verschenen boek Jezus in ons tegen de traditionele verzoeningsleer. Maar ook hij kan niet heen om de Bijbelteksten die ik hierboven noemde. Hij lost het probleem als volgt op. Als mensen in het Oude Testament een dier offeren, symboliseert dat volgens hem enerzijds hun verootmoediging, anderzijds hun toewijding aan God. Wie onopzettelijk gezondigd had, drukte door het brengen van een offer zijn verlangen uit om toegewijd voor de Heer te leven. ‘Terwijl zo iemand na zonden symbolisch met het offer belijdt de dood schuldig te zijn, mag zijn toegewijde innerlijk symbolisch op het altaar geofferd worden.’ (61) Maar uit niets blijkt dat het offerdier de straf voor de zonde droeg (60) of symbolisch z’n leven voor ons gaf (64). Zo offert ook Christus zijn bloed, niet omdat God de bestraffing van onze zonden op Hem doet neerkomen, maar om te getuigen van zijn nietsontziende trouw aan zijn Vader. ‘Jezus Christus … heeft bewezen dat zijn bloed eensgezind is met God. … Als nu zijn bloed (= dat toegewijde leven) in gelovigen komt, worden zij ook één of eensgezind met God. Dit is verzoening (geestelijke eenwording).’ (Jezus in ons 194)
Ik vind dit betoog meer vernuftig dan overtuigend. Immers, op deze manier verklaart De Ruiter wel waarom er bij de offers bloed moet vloeien, maar niet waarom dat het bloed van dieren is. Wanneer iemand zijn toewijding aan God zou willen symboliseren, zou hij een sneetje kunnen maken in zijn duim en God dan enkele bloeddruppels kunnen aanbieden. Bij de offers echter vloeit er geen druppel mensenbloed, maar moeten onschuldige dieren eraan geloven. De vraag waarom dat zo is, wordt door De Ruiter niet gesteld, laat staan beantwoord. Daardoor krijgt zijn bespreking van de offerdienst iets oppervlakkigs. Het Bijbelse spreken over het offeren van bloed (Hebreeën 9:7) is vreemder, beklemmender ook dan hij wil doen geloven.

Recht doen
Daarmee zijn wij terug bij die akelige vraag, of God soms bloed wil zien. Op enkele plaatsen in de Bijbel lijkt het daar wel op. Zo staat in Genesis 9:5 dat Hij bloed ‘eist’ (NBG-Vertaling 1951) of ‘zoekt’ (Statenvertaling), vgl. 42:22. Maar daarmee wordt niet gesuggereerd dat God bloeddorstig zou zijn – integendeel! In deze tekst gaat het erom dat God het vergieten van onschuldig bloed hoog opneemt. Mensen (of dieren!) die zich daaraan schuldig hebben gemaakt, moeten daarvoor boeten met hun eigen leven (vgl. Genesis 9:6). Zo zegt Jezus dreigend tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën: ‘Al het onschuldige bloed dat vergoten is, zal jullie worden aangerekend. … Ik verzeker jullie: op deze generatie zal dit alles neerkomen.’ (Matteüs 23:35,36). We zijn hier in de sfeer van het recht, en op een of andere manier verdraagt die zich zeer wel met de sfeer van de verzoening. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Numeri 35:33: ‘Wanneer er bloed vergoten is, kan er alleen verzoening voor het land bewerkt worden door het bloed van degene die bloed vergoten heeft.’ Hier gaat de verzoening dus samen met rechtvaardige vergelding. Maar waar blijft dan de vergeving? En omgekeerd: als verzoening betekent dat misdadigers vergeving krijgen, hoe loopt het dan af met het recht voor de slachtoffers? Krijgen zij smartengeld? Vraagt het leed dat hun is aangedaan toch niet om een vorm van bestraffing van de dader?
In de gelijkenis van de verloren zoon is die vraag naar het recht doen aan slachtoffers niet aan de orde. Daarom kan zij zo’n eenvoudig beeld van ‘verzoening’ schetsen. Het verhaal maakt duidelijk dat de vader niet op zijn eigen eer uit was en zegt daarmee iets essentieels over Gods verzoening. Maar de vader stond verder niet voor de taak recht te doen. Dat was anders geweest, wanneer zijn zoon in dat verre land een bank had overvallen en daarbij twee medewerkers doodgeschoten. De vader kennende mag je aannemen dat die dan spoorslags was afgereisd naar de familie van de slachtoffers en een indrukwekkend gebaar in hun richting had gemaakt. Maar dat is fantaseren, en de gelijkenis overvragen. Zij verkondigt dat er bij God verzoening is, doordat Hij liefde is. Ze wil tegelijk in samenhang met Numeri 35 worden gelezen, dat verkondigt dat verzoening bij God hand in hand wil gaan met het verschaffen van recht. Schetst Numeri 35 een naargeestig Godsbeeld, waarin afbreuk wordt gedaan aan de gelijkenis over Gods liefde? Dat geloof ik niet. Liefde wordt immers sentimenteel als ze geen gerechtigheid behelst, om een prachtige formulering van Paul Tillich aan te halen (Systematic Theology II, 172).

Losgeld
Tegen de achtergrond van deze combinatie van ‘verzoening’ en ‘recht doen’ wordt in de Bijbel over het offeren van bloed gesproken. Ik wijs allereerst op de wetgeving betreffende de ‘hersteloffers’ (NBG-vertaling 1951: schuldoffers). Als genoegdoening voor gedaan onrecht moet een dier worden geofferd, vgl. Leviticus 5:14, 24,25; 19:18-20; Numeri 6:12 enzovoorts. De Ruiter kent deze wet ook, maar is er in welgeteld tien regels mee klaar (62). Dat de term voor ‘herstel/schuld-offer’ ook in het belangrijke gedeelte Jesaja 53 gebruikt wordt, vermeldt hij niet. Toch wordt juist daar tot uitdrukking gebracht, dat de Knecht des Heren zijn eigen leven gaf als genoegdoening: ‘Hij heeft zichzelf ten schuldoffer gesteld.’ (53:10)
Maar er is nog een tweede bepaling in de Mozaïsche wetgeving die wijst op het verband tussen ‘bloed offeren’ en ‘recht doen’. Dat is de wet die het betalen van ’losgeld’ regelt. In sommige gevallen konden Israëlieten die een ernstige zonde hadden begaan, met een geldbedrag worden vrijgekocht van de dood die zij verdiend hadden, vgl. Exodus 21:30. Belangrijk is, dat een van de twee woorden in het Oude Testament die met ‘losprijs’ vertaald worden, nauw verwant is aan het woord voor ‘(ver)zoening’. De NBG-vertaling van 1951 kiest in Exodus 21:30 dan ook het woord ‘zoengeld’ in afwisseling met de term ‘losgeld’. Dat werpt licht op de uitdrukking ‘gekocht met Christus’ bloed’ in Openbaring 5:9 (vgl. 14:3,4; I Petrus 1:18,19), maar ook op wat Paulus schrijft in Galaten 3:10,13: ‘Iedereen die op de wet vertrouwt is vervloekt. … Maar Christus Jezus heeft ons vrijgekocht van deze vloek.’ De Ruiter meent dat de woorden ‘losprijs’ en ‘(vrij)kopen’ op deze plaatsen een ‘ afgevlakte’ betekenis hebben (143), maar hij toont dat niet aan. Integendeel – zijn eigen interpretatie van Galaten 3:13 is zo vlak dat ze van de kracht van Paulus' woorden weinig over laat. Hier zou alleen maar staan dat Jezus door mensen vervloekt werd en niet door God? (213) En de vloek waarvan wij verlost moeten worden zou een ‘wettische’ manier van leven zijn, waarvoor dan in de plaats komt dat Christus ons brengt tot een volledige disciplinering naar de wil van God? (212) Ik zie niet in dat het kruis van Christus bij deze interpretatie het struikelblok is dat Paulus erin gezien heeft (Galaten 5:12). Nee – het echte schandaal van Christus’ kruis is geweest dat Hij er aan hing als een door God vervloekte goddeloze (vgl. Deuteronomium 21:22,23 in combinatie met 27:15-26). En de vloek waarvan wij vrijgekocht moeten worden is, dat wij door onze goddeloosheidvoor God totaal onbruikbaar en onaanvaardbaar geworden zijn. We maken immers deel uit van een mensheid die zijn schepping verwoest en zijn eer te grabbel heeft gegooid. En de vrijkoop van die vloek is, dat Jezus zijn leven geeft als een losgeld voor velen (Marcus 10:45), opdat wij gezegend zouden worden met het geschenk van de Geest van het leven (Galaten 3:14).

Catechismus zondag 5 en 6
Is dat een pleidooi voor eerherstel van de traditionele verzoeningsleer? Niet onverdeeld. Ik behoor tot de mensen die wel wat aan te merken hebben op de zondagen 5 en 6 van de Heidelberger Catechismus. De strakke logische opzet suggereert dat wij precies kunnen berekenen hoe de Here God tot deze ‘oplossing’ kwam. Dat vind ik ongelukkig. Ik geloof wel dat wij met onze rationaliteit iets zinnigs kunnen zeggen over het ‘waarom’ van Christus’ kruisdood voor ons, maar alleen achteraf, in opperste verbazing over een daad van God waar geen mens ooit op zou komen. De schematisch aandoende wijze waarop over de twee naturen van de gekruisigde Christus gesproken wordt, roept bij mij vervreemding op. Ook is de toonzetting van de Catechismus mij te kil. Ik hoor alleen over Gods toorn, en over eeuwige straf, en genoegdoening aan zijn gerechtigheid. Alsof het evangelie van de verzoening niet alles met Gods ontzaglijke liefde te maken heeft. Ten slotte vind ik de manier waarop over God gesproken wordt akelig afstandelijk – alsof het drama van Golgotha Hem niet raakte. Kortom: als we in de kerk zinvol en aansprekend over de verzoening door het bloed van Christus willen blijven spreken, zullen we zondag 5 en 6 moeten herschrijven. Daarover wil ik volgende keer nog wat opmerken.
Toch wil ik de traditionele verzoeningsleer niet afdanken. Want de kern van de zaak is, dat hier wel de rechtvaardiging van de goddeloze wordt geborgd. God rechtvaardigt goddelozen, niet bekeerden, zo schreef ik de vorige keer. Maar als dat zo is, dan wil ik ook voor God gaan staan als een goddeloze. Dan wil ik de onmetelijke schade onder ogen zien, die de goddeloze mensheid – waarvan ik deel uit maak – heeft aangericht en die zij niet meer goed kan maken. Dan weet ik dat het bloed dat vergoten is blijft roepen, ook al zou ik nog zoveel berouw hebben en van nu af aan volmaakt heilig leven. Dan wil ik het hoofd buigen, als het grote en rechtvaardige oordeel over de goddelozen begint. Dan wil ik geloven, dat het met de schepping alleen nog maar wat kan worden als God heel die vervloekte mensheid van het aardoppervlak wegveegt – mij erbij inbegrepen. Dan wil ik aanvaarden dat het loon op mijn zonden mij wordt uitbetaald: de dood (Romeinen 6:23). En dan – zal ik huiveren als Hij naar voren treedt die het lam is dat de zonden van de wereld wegneemt. Misschien zal ik dan eindelijk doorgronden wat het is: verlossing door het bloed van Christus.

Dr. Ad van der Dussen is predikant van de NGK Eindhoven en kerndocent aan de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief