Verdicht gebeuren (2)

1997-12-12
  • Jaargang 41
  • nummer 25
De verhalende delen van de Schriften presenteren ons het verhaalde gebeuren in verdichte vorm – schreef ik de vorige keer: verdicht in de meer letterlijke betekenis van gecondenseerd dan wel te verstaan. Zoals beloofd wil ik nu een poging wagen aan de hand van enkele schriftgedeelten nader toe te lichten wat ik met die eigenlijk ontoereikende term bedoel. Vooraf roep ik nog even in herinnering wat ik in dat verband nog meer schreef: die verdichte vorm komt op geen enkele wijze in mindering op het recht doen aan de werkelijkheid waarin wij leven en al de heiligen ons voorgegaan geleefd hebben. Integendeel, ik ben in toenemende mate geneigd te denken dat die meer dichterlijke en verbeeldende verhaalstijl op een veel diepere en zinrijkere wijze aan die werkelijkheid recht kan doen dan onze gangbare klinisch-eenduidige taal vermag te doen.

De lezer oordele dus zelf. Ik neem hem of haar achtereenvolgens mee naar de wijze waarop de Schriften van het oude zowel als het nieuwe verbond onderling met elkaar omgaan; naar de boeken Deuteronomium, Samuël en Jozua en tenslotte naar het evangelie naar Marcus. Er zal dus nog wel een derde aflevering nodig blijken.
Wie wel eens met meer dan gemiddelde aandacht gekeken heeft naar de wijze waarop in de Schriften van het nieuwe verbond zinsneden uit de Schriften van. het oude verbond aangehaald, becommentarieerd en toegepast worden, zou licht tot de conclusle kunnen komen dat dat met een behoorlijke mate van slordigheid gebeurt: met de Franse slag en naar onze hedendaagse normen incorrect. Dat is, zeker aanvankelijk, voor wie opgegroeid is met een diepe eerbied voor de Schriften geen leuke ontdekking. Want moeten bijvoorbeeld Mattheüs en Johannes en Paulus nu voortaan ook onder verdenking staan van onzorgvuldige exegese en een tekort aan eerbied voor wat echt .betrouwbaar woord van God is? Moeten we dan noodzakelijkerwijs maar verder met een toch wat rammelende Schrift?
Het kan, is mijn ervaring ook anders. Want wie zegt dat niet die tot dusver zo vanzelfsprekend geachte normen van technisch correcte tekstbehandeling ons in de weg zitten? Terwijl de meer speelse en associatieve wijze waarop de Schriften elkaar hanteren juist bijzonder zinrijke inhouden en verbanden blootlegt. De Jong heeft daar in zijn de vorige keer reeds genoemde lezing (naar aanleiding van het boek van Loenstra over De geloofwaardigheid van de Bijbe~ een aantal prachtige voorbeelden van gegeven. Veelal gaat het om citaten uit de profeten en de psalmen, maar voor deze gelegenheid kies ik twee plaatsen waar de omgang met notities over Israëls verleden in het geding is.

Uit Egypte geroepen
Wanneer de evangelist Mattheüs verhaalt over de vlucht, in de nacht, van Jozef met het kind en zijn moeder naar Egypte (2,13-15), dan besluit hij dit verhaal met een paar woorden van de profeet Hosea: uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen (Hosea 11,1). Die woorden vinden vervulling in wat hier van Jezus verhaald wordt. En passant merk ik op dat dit een van de mooiste voorbeelden is om helder te krijgen dat het bij vervulling van profetie niet zozeer gaat om het uitkomen van een in een ver geleden gedane voorspelling, als wel om een opnieuw en dan nog dieper en intenser tot gelding komen van profetenwoorden die hun geldigheid al lang bewezen hadden. Hosea immers, om niet te zeggen de HÈER bij monde van Hosea, werpt met die woorden geen blik op de toekomst, maar op het verleden: de nacht van de uittocht, waarin Israël aan de houdgreep van de farao's ontrukt werd. Maar waar het nu om gaat: het korte verhaal van Mattheüs wordt vaak als opmaat naar dat profetenwoord gelezen: om, als Israël eertijds, uit Egypte geroepen te kunnen worden moest Jezus daar natuurlijk eerst verzeild geraakt zijn, om het wat oneerbiedig te zeggen. Toch spoort dat niet met de wijze waarop Mattheüs voortdurend in zijn evangelie profetenwoorden inzet. Die woorden werpen steeds licht op het voorafgaand verhaalde. In dit geval dus niet de terugkeer uit Egypte (die komt straks nog afzonderlijk ter sprake in 2,19-23), maar de vlucht naar Egypte. Getuigt de inzet hier van het genoemde woord van Hosea nu van onnadenkendheid bij Mattheüs? En moeten we hier nu maar verder met, zoals ik het noemde, een wat rammelende Schrift? Dat wil er bij mij niet in. Naar mijn indruk doet de evangelist dit juist weloverwogen om zijn lezers op de zoveelste schok te trakteren in het op dat moment nog maar anderhalf hoofdstuk oude boek. Dat begint al met de mededeling dat de vraag naar de geboren koning van de Joden verbijstering teweegbrengt, niet enkel bij Herodes, maar in heel Jeruzalem (2,1-3). Die vraag zet in Jeruzalem geen harten in brand en geen voeten in beweging. En het verhaal wekt de indruk dat de ster die voor Jeruzalem en na Jeruzalem aan de hemel staat te stralen (2,2.9) uitgerekend boven Jeruzalem verduisterd wordt. Hoe pijnlijk!
Zo blijken ook in het verhaal van de vlucht naar Egypte de bordjes pijnlijk verhangen. Immers het Israël van nu blijkt voor Jezus en voor alle pasgeboren jongetjes (2,16) even onveilig als het Egypte van de farao's eertijds het was (Exodus 1,15-22). Met andere woorden: Israël is het Egypte waaruit deze nieuwe zoon van God geroepen wordt. Komt dat hard aan! Hoe komt Mattheüs op het idee?kun je je afvragen. Als die woorden van Hosea nu eens juist veel meer zijn dan een in een onbewaakt ogenblik herinnerde losse flodder. Wie Hosea 11 verder leest proeft de teleurstelling waar het met dat zo liefdevol verwekte (geroepen) en grootgebrachte kind Israël op uitgelopen is.
Het kan de HEER gestolen worden (Hosea 11,7). Mattheüs kan zich aldus door de profeet gemachtigd weten de bordjes te verhangen. En toch. Toch kan de HEER dit als puntje bij paaltje komt niet over zijn hart verkrijgen (Hosea 11,8). Maar hoe kan zo een nieuw begin geloofwaardig gemaakt worden? Is het boek dat Mattheüs schrijft niet bedoeld als een antwoord op die vraag?

Laster tegen de heilige plaats
Een tweede voorbeeld ontleen ik aan de verdediging van Stefanus voor de Hoge Raad (te vinden in Handelingen 7). Stefanus begint bij het begin: de roeping van Abraham. Alleen, voor wie nauwkeurig luistert, suggereert Stefanus op zijn minst dat die roeping plaatsvond in Mesopotamië en Abraham zich in Haran als in het aangewezen land vestigde (7,2-4). Neemt Stefanus het niet al te nauw met wat het boek Genesis ons te lezen geeft? Daar toch is Haran de plaats waar de roeping plaatsvindt en het land Kanaän de plek van bestemming (Genesis 11,32 en 12,1.5). Is dit een black out op dat spannende moment? Of zet Stefanus welbewust zijn hoorders op het verkeerde been?
Hij was immers beschuldigd van niet aflatende laster tegen onder meer de heilige plaats: land, stad, tempel (6,13).
In het laatste geval winnen de woorden van Stefanus naar mijn besef nog aan blijvende actualiteit. Want dan is dit de diepere boodschap van zijn speels-vrijmoedige omgang met plaatsen en tijden: wie zich al te zeer fixeert op de naakte feiten en daarin houvast zoekt, zou wel eens naast de boodschap kunnen grijpen; de heilige plaats is niet maar in zichzelf heilige plaats en aangewezen land, maar krachtens de stem die uit den hoge Abraham riep.
Zonder die stem is het vermeende heilige land niet meer dan een toevallige woonplaats: dit land waarin jullie nu wonen - zegt Stefanus; alsof het morgen elders kan zijn (7,4). Overigens zijn de bewoordingen van Stefanus allerminst bezijden het getuigenis van de Schriften van het oude verbond in breder verband: de levensreis van Abraham verloopt daar in twee etappes van Oer over Haran naar Kanaän, waarbij menselijk initiatief (vader Terah) en goddelijke roeping allerminst tot op de laatste draad te ontrafelen zijn (zie Genesis 11,31-32; 15,7 en Nehemia 9,7).

Evenals de eerste maal
Dit lijkt mij een geschikt moment om over te stappen naar de Schriften van het oude verbond als zodanig. En dan begin ik met een dubbelhoofdstuk waarin verdichting van een meervoudig gebeuren tot een enkelvoudig gebeuren op grond van vergelijking van Schrift met Schrift nog aantoonbaar is. Ik doel daarbij op een vrij lange passage uit het boek Deuteronomium (9, 7-10, 11).
De lezer weet wellicht dat dat boek zich presenteert als een lange afscheidspreek van Mozes op de oever van de Jordaan: het goede land aan de overkant niet ver bij hen vandaan - maar hoe, met welke levenshouding zullen de kinderen van Israël dat land kunnen binnengaan? Heel de veertig jaar lange, met vallen en opstaan afgelegde weg sinds het moment van vertrek vanaf de berg Horeb wordt door Mozes met die tot dan toe aan zijn hoede toevertrouwde mensen nog eens nagelopen en als een leerzame les door de scheidende Mozes de kinderen van Israël op het hart gebonden.
Dat goede land aan de overkant ligt allerminst vanzelfsprekend open - zo blijkt. Mozes hoeft maar het gouden kalf te noemen om, met eerbied gezegd, een oude en diepe wond van de Eeuwige open te rijten. Goed - de HEER had zich door Mozes laten verbidden toen, maar de enorme deuk van het geschade vertrouwen was sindsdien niet meer volledig weg te poetsen gebleken. Het was tussen de HEER en Israël nooit meer zo geworden als het geweest was zogezegd.
En dat niet in de laatste plaats omdat het niet bij één incident van die aard gebleven was. Er worden er nog een paar genoemd, in de herinnering verbonden aan de plaatsnamen Tabeëra, Massa, Kibroth-Taäva en Kades-Barnéa (9,22-23 - zie Numeri 11,1-3; Exodus 17,1-7; Numeri 11,31-35 en Numeri 13-14). Die eerste keer moet op die latere momenten steeds weer in alle hevigheid bovengekomen zijn (precies zoals dat gaat tussen mensen die hun levens aan elkaar verbonden hebben) en daarom het diepst en het meest levendig in de herinnering gegrift staan. En zodra Mozes dan ook in dat nalopen van de afgelegde weg aangeland is bij die zwarte dag van het gouden kalf, worden alle latere vergelijkbare incidenten als het ware in het verhaal van die eerste keer opgezogen. Meerdere in de tijd uiteen liggende momenten beginnen zich hier in de herinnering te verdichten tot één grote clash die Mozes bij de gedachte eraan nog op zijn benen doet trillen. Met name aan twee elementen in het verhaal zoals het op deze plaats in de Schriften verteld wordt lees ik dat af. In de eerste plaats lukt het niet meer de verschillende momenten waarop Mozes op de berg stond dan wel neergeworpen lag - veertig dagen en veertig nachten - en de HEER naar hem hoorde, helder van elkaar te, onderscheiden of het precieze aantal van die momenten te bepalen (zie 9,9; 9,18-19; 9,25 en 10,10). De eerste keer overstemt de latere keren (zie 9,18 en 10,10). In de tweede plaats wordt de blijvende afzondering van de stam Levi hier veel duidelijker geprofileerd in de nasleep van de geschiedenis met het gouden kalf dan in Exodus 32 het geval is. Daar is wel een aanzet daartoe te vinden, maar wordt toch meer een eenmalige taak gesuggereerd (zie het tweevoudige heden in Exodus 32,29): Het is mij wel eens opgevallen dat de boeken van Mozes elders wel uitvoerig aandacht besteden aan de regeling en toebereiding van alles wat er nodig is met het oog op de bijzondere taak die de stam van Levi krijgt toebedeeld, maar nergens erg vastomlijnd de aanvang van die bijzondere dienst markeren (Numeri 1,47-54; 3-4; 8; 18). Maar rechtvaardigt hun tamelijk uitdrukkelijke rol na het incident met Korach, Dathan en Abiram (Numeri 18 na 16-17) niet de voorzichtige veronderstelling dat zij zich gaandeweg die reeks van incidenten waarop Mozes zinspeelt (9,22-24) een vastere positie verworven hebben? Wat in de weg van de geleidelijkheid zijn beslag kreeg zou hier dan eveneens samenvattend en verdicht verhaald zijn (10,8-9). Het op het eerste oog verdwaalde stukje reisverslag dat ervoor is geplaatst (10,6-7) kan dan verstaan worden als een herinnering aan de tijd die met dat proces gemoeid geweest is. Is het nu geoorloofd een procédé zoals dat hier nog ongeveer aan te wijzen valt ook elders in de Schriften te vermoeden? Uiteraard niet zomaar, als Spielerei, maar wanneer het zou helpen zicht te krijgen op de boodschap van het verhaalde? Daarover de volgende en laatste keer.

Noten:
1. Studiemap Theologische Studiebeqeleiding. aflevering J 7. p. 6-13.
2. Overigens ben ik voor dit voorbeeld , De Jong schatplichtig: zie zijn Handelingen 7 (Kampen 1985) p.14-16.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief