Ter Linden en de rechterflank

1997-12-12
  • Jaargang 41
  • nummer 25
Zonder echt dichterbij elkaar te komen, discussiëren ds. Nico ter Linden en collega’s uit de ‘rechterflank’ alweer enige tijd over het ‘werkelijk waar’-gehalte van de Bijbel. Zo reageerde hij afgelopen najaar weer in Trouw op reacties die in Opbouw waren gegeven op zijn boek ‘Het verhaal gaat…’ (door P.J. van Kampen en J. Mudde). Volgens mij (filosoof, ook rechterflank) zitten beide partijen in wezen meer in hetzelfde schuitje dan ze toegeven.

Ter Linden lijkt iets als het volgende te zeggen. De (gelovige) mensen van nu kunnen de Bijbel van toen niet meer begrijpen. Geen wonder, want vaak wordt gezegd dat deze letterlijk moet worden uitgelegd, en dat kan helemaal niet. De Bijbel staat vol metaforen en verhalen en die kun je niet letterlijk opvatten. Dus als er staat 'Jezus is Gods Zoon' dan is dat een wijze van zeggen, geen mededeling over de genealogische relatie tussen Vader en Zoon. Die metaforen en verhalen willen iets waars zeggen, door iets te . zeggen dat niet werkelijk (letterlijk, historisch, wetenschappelijk verifieerbaar) zo is. Daar is niks mis mee. Ik zeg ook wel eens tegen mijn geliefde dat ze een engel is. Strikt genomen niet werkelijk zo, maar de waarheid van mijn boodschap ontgaat haar toch niet. Tot zover Ter Linden.

Metaforen
Nu staan er inderdaad vele metaforen (en andere stijlfiguren) in de Bijbel. Metaforen uit die tijd, metaforen gebruikt door die mensen. We moeten dus vragen wat die metaforen, verhalen, beelden van die mensen betekenen.
Maar dat niet alleen. Die metaforen etc. staan in de Bijbel. Als we geloven dat God in de Bijbel spreekt, dan zullen we ons ook moeten afvragen wat Hij (niet die mensen) wilde zeggen met die metaforen etc. Stel dat de maagdelijke geboorte beeldspraak is, wat heeft God ons dan willen zeggen met dat beeld? Wagen we een poging daar iets over te zeggen?
Hier scheiden de wegen van Ter Linden en de rechterflank. De rechterflank wil graag iets op een briefje hebben, Ter Linden is uiterst terughoudend: "die woorden zijn een belijdenis, zij beelden een geloofswaarheid uit, zij verwijzen naar een werkelijkheid die de onze overstijgt en waar niets met zekerheid over te zeggen valt". En voor die terughoudendheid is wel wat te zeggen: we weten niet altijd even goed op welke waarheid zo'n Bijbeltekst aanspraak maakt, en ook zijn mensen met waarheidsaanspraken de verschikkelijkste dingen aangedaan. Als reactie op dogmatisme (en als eerbied voor de Eeuwige) valt Ter Lindens terughoudendheid te waarderen.

Terughoudendheid
Deze terughoudendheid is volgens mij tevens de kern van de discussie. Belijdenis, uitbeelding, verwijzing, allemaal akkoord. Maar hoe ver reikt terughoudendheid in het doen van waarheidsaanspraken?
Is de Bijbel alleen maar belijdenis etc.? Dat is de zorg van de rechter-flankers. Zij willen graag weten of de cruciale teksten van het christelijk geloof (over Jezus' opstanding uit de dood, de vergeving van onze zonden) ook "iets zeggen dat niet werkelijk zo is (teneinde iets waars te zeggen)". Wat kan immers de christelijke boodschap zijn als de opstanding niet werkelijk is? Wat kan het betekenen dat "Hij vergeeft ons onze zonden" een metafoor is? Is Gods relatie met de mens, Gods aard en handelen, ja, Gods bestaan ook een werkelijkheid die de onze overstijgt en waarover niets met zekerheid te zeggen valt?
Zou Hij ook niet kunnen bestaan? Met andere woorden, de rechter-flankers vrezen niet alleen dat hun dogma's, hun waarheidsaanspraken in rook opgaan, maar dat God in rook opgaat. Waar verwijst het Bijbels getuigenis nog naar? Dan is de Bijbelse boodschap een in metaforen verwoorde religieuze zin-ervaring, geen Woord van God. De kern van de discussie lijkt me dan ook in hoeverre het uitleggen van de Bijbel het doen van waarheidsaanspraken inhoudt. Als reactie op dogmatisme zegt Ter Linden dat we hierin uiterst terughoudend moeten zijn. De rechter-flankers vragen hoe terughoudend je kunt zijn zonder de inhoud van de Bijbel prijs te geven. Mijn inziens is Ter Linden daarin te terughoudend. Hij zegt dat de Bijbel spreekt over een werkelijkheid waarover niets met zekerheid gezegd kan worden. Dat is een uitspraak die zichzelf weerlegt: als er niets met zekerheid over die werkelijkheid gezegd kan worden, dan kan er ook niet over gezegd worden dat er niets over gezegd kan worden. Bovendien, kan niet gezegd worden dat die werkelijkheid bestaat (en bepaalde kenmerken heeft)? Als je ontkent dat het gebruik van de naam 'God' een waarheidsaanspraak over Zijn bestaan inhoudt, bepleit je dan zelfs niet een vorm van atheïsme? Dit lijkt misschien een flauwe poging hem op een woord te vangen, maar het geeft de kern van het debat aan.
Als Ter Linden zichzelf niet wil tegenspreken zal hij moeten toegeven dat er toch wel iets gezegd kan worden over de werkelijkheid waarover de Bijbel spreekt. Ook hij ontkomt niet aan waarheidsaanspraken over die werkelijkheid of - naar de mens gesproken - aan dogma's. Het is te makkelijk om je op Joodse verhalentradities te beroepen. Niemand ontkomt aan metaforen, niemand ontkomt aan waarheidsaanspraken. Het is niet het een of het ander, we zitten er ergens tussenin.
Sommige metaforen zijn alom als zodanig geaccepteerd, andere omstreden. Maar de Bijbel staat eveneens vol waarheidsaanspraken: sommige als zodanig geaccepteerd, andere omstreden. Als Ter Linden dit ontkent, dan is de vraag gerechtvaardigd wat hij niet tot metafoor of verhaal wil verklaren. Stel dat Ter Linden zijn geliefde verklapt dat 'engel' een metafoor is en dat hij zich niet gebonden acht aan alle kenmerken van relaties met engelen. Zou zij dan - wetende dat 'in de echt verbonden zijn' ook maar een manier van zeggen is - niet mogen vragen aan welke kenmerken van de echt hij zich wèl gebonden acht? Hij zal haar iets op een briefje moeten geven (een boterbriefje?).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief