Het wonder van de 20ste eeuw:
1997-12-12
Elke dag kreeg ik twee kommen rijst en een ketel water. Dat laatste was om me te wassen en om uit te drinken. De bewakers schonken niet veel aandacht aan de mensen in eenzame opsluiting. Dus kon ik spreken met de jongeman in de cel naast mij, door een gat in de muur te maken. Tenslotte wilde hij in Christus gaan geloven. Dus doopte ik mijn eetstokjes in het water dat ik had overgehouden van het poetsen van mijn tanden. Ik doopte hem op zijn voorhoofd, door het gat! Later werd deze vriend gedood in de Culturele Revolutie.- Jaargang 41
- nummer 25
Dit verhaal, afkomstig van een roomskatholieke Chinees, geeft een indruk van wat christenen in China recentelijk hebben meegemaakt, en wat nog steeds voor velen realiteit is. Verdrukking, gevangenschap, martelaarschapmaar ook: interesse in het Evangelie bij vele Chinezen, een verborgen groei van de kerk, en tegelijkertijd primitieve c.q. creatieve middelen om dit kerk-zijn gestalte te geven. Een schat van recente en goed onderbouwde gegevens hierover biedt het nieuwe boek van Pieter van Kampen, De kerk van China. Het mandaat van de hemel.
De auteur neemt een lange aanloop om aan te belanden bij de 'doop met de stokjes'. Tijdens dit voortraject krijgen we een indruk van het Chinese landschap, in letterlijke zin: de grote rivieren, de hoge bergen etc. China wordt het 'land der superlatieven' genoemd. Uitvoeriger komt daarna de religieuze en politieke 'geografie' van China ter sprake: het confucianisme, taoïsme en boeddhisme; de geschiedenis van het keizerrijk, en die van missie en zending tot 1900. Zoals wel vaker in zijn boeken houdt Van Kampen ons een verrekijker voor bij onze oriëntatie in (voor vele lezers) onbekend terrein. We zien dan een gebeurtenis of persoon heel dichtbij komen: een kostelijke anekdote over een 'april-grap' die een keizer uithaalde om zijn chagrijnige vrouw op te vrolijken, of de frustraties van een Jezuïet als Adam Schall von Bell (1582-1666) bij zijn jarenlange pogen om het keizerlijk hof behalve voor astronomie en bronzen kanonnen óók te interesseren voor het Evangelie. In enkele andere hoofdstukken wordt ons een omgekeerde verrekijker voorgehouden, en zien we het Chinese landschap heel ver weg: een breed, panoramisch overzicht - bijvoorbeeld van China tussen 1900 en 1950 - waarbij détails buiten beeld vallen. Wat bij dit alles beklijft, is dit: China was tot 1900 niet tot nauwelijks open voor het Evangelie. Wat in 1900 tijdens de zgn. Bokseropstand gebeurde, kan als illustratief beschouwd worden voor wat er keer op keer in voorgaande eeuwen was gebeurd: de buitenlandse zendelingen werden grotendeels vermoord, en de kleine, kwetsbare Chinese kerk werd vervolgd. Na de ineenstorting van het keizerrijk, met de daaraan gekoppelde confucianistische levensbeschouwing, volgde begin 20ste eeuw een opmerkelijke groei van de Chinese kerk. Maar rond 1949 waren er toch niet meer dan zo'n 4 miljoen christenen, waarvan 1 miljoen protestanten (Watchman Nee was een van de bekende opwekkingspredikers uit de jaren '30).
Anno 1997 wordt het aantal christenen daarentegen op enkele tientallen miljoenen geschat; de ramingen lopen uiteen van 35 miljoen tot 65 miljoen (het boek bespreekt geïnformeerd en genuanceerd de valkuilen bij de schattingen).
In een halve eeuw tijd is de Chinese christenheid dus niet alleen staande gebleven, ondanks een verschrikkelijke verdrukking door de overheid - met name in de jaren '60, tijdens de Culturele Revolutie - maar ook ongeveer 40 keer zo groot geworden! In China komen 's zondags méér gelovigen samen dan in heel West-Europa. Het bewijs voor de enorme kerkgroei, met name in de zogenaamde Huisgemeenten, is nu onomstotelijk, ook al hebben velen (waaronder vrijzinnige en/of 'Partijgetrouwe' christenen) de feiten willen verdoezelen. De Communistische Partij maakt zich dusdanige zorgen over het verschijnsel dat gesproken wordt van 'christelijke koorts' Uidujiao re). Zelfs oude houwdegens die al vele lange jaren lid van de Partij waren, blijken zich soms tot Christus bekeerd te hebben. De vraag dringt zich op: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Ik ben het eens met de auteur als hij opmerkt dat deze spectaculaire groei niet alleen sociologisch is te verklaren, "of psychologisch, of af te doen met verwijzing naar de inderdaad doorzettende bevolkingsgroei"
(299). Wie de feiten tot zich laat doordringen, zal erkennen dat de enorme groei van de kerk in China na de stormachtige jaren '60 een van de wonderen van de twintigste eeuw is. Voor westerse christenen is het bemoedigend en leerzaam kennis te nemen van dit wonder. Eind jaren '70 werden tekenen en wonderen gemeld uit nagenoeg ieder deel van China: "zieken werden genezen en werden in Jezus' naam demonen uitgedreven en zelfs enkele doden opgewekt" (251-2). Geloven wij nog in een God die écht gebeden verhoord? Wat de Chinese christenen meemaken aan armoede en lijden - 'de weg van het kruis' - houdt ons al evenzeer een spiegel voor. Welke offers brengen wij in onze navolging van Christus? Men heeft geleerd elkaar bij te staan, "men heeft niet geïnvesteerd in programma's, maar in mensen' (301). Waar besteden wij onze tijd en energie aan in de kerk? Kortom, het nieuwe boek van Pieter van Kampen is niet alleen onderhoudend en informatief; bovenal geeft het te denken. Zoals een van de Chinawatchers (Chinakenners uit het buitenland) het stelt: "Vroeger dacht ik dat God niet al te vaak ingreep en dat christelijke leven inhield dat je de realiteit aanvaardde en desondanks hem leerde loven. Maar in China geeft God zo vaak antwoord op gebed, op de meest gedurfde gebeden, dat ik voortdurend leer in alles te vragen dat Hij echt zal ingrijpen. De Chinese Kerk heeft me dat geleerd."(299)
(recensie van Pieter van Kampen, De kerk van China. Het mandaat van de hemel (Kok Voorhoeve 1997))