Om de gemeenschap van het verbroken hart (2)

1997-12-27
  • Jaargang 41
  • nummer 26
In het vorige nummer schreef ik over het initiatief van Evangelisch Reformatorisch Ontwaken (ERO) om te komen tot een gemeenschappelijke schuldbelijdenis tegenover God en elkaar en tot gebed om de doorwerking van Gods Geest in de levens van christenen en in de christelijke kerken van Nederland. Deze keer wil ik ingaan op bezwaren, die hiertegen ingebracht zijn of kunnen worden. Ik noem er twee. Allereerst m.b.t. deze vorm van schuldbelijdenis, nl. of die op deze wijze wel plaats kan en moet hebben. En vervolgens of de bede om een opwekking en een nieuwe doorwerking van Gods Geest wel onder alle omstandigheden op z’n plaats is.

Schuld of schuldgevoel?
Wie belijdt eigenlijk schuld tegenover wie? En gaat het hier om het belijden van reële schuld of om het uiting geven aan een schuldgevoél? Deze vragen werden als reactie op de oproep tot verootmoediging door ERO geformuleerd door dr. ir. J. V.d. Graaf in 'De Waarheidsvriend' van 13 febr. j.l.) Zonder aan de bewogenheid van de opstellers van de oproep tot verootmoediging ook maar iets af te willen doen, voelde hij zich toch geroepen tot het plaatsen van kritische kanttekeningen.
Deze vragen worden des te indringender, wanneer het gaat om het belijden van schuld voor daden en tekorten van onze voorouders. Wanneer er b.v. schuld wordt beleden tegenover het Joodse volk voor een eeuwenlange vernedering en vervolging. Of wanneer tegenover de kerk van Rome in ons land wordt beleden, dat zij gedurende lange tijd als tweede-rangsburgers zijn behandeld. Hoe kunnen christenen van vandaag schuld belijden voor wat hun voorouders deden?
Is er dan werkelijk sprake van concrete schuld?

Solidariteit
Van alle ondertekenaars van de oproep tot verootmoediging en schuldbelijdenis geldt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, dat ze inderdaad nooit persoonlijk betrokken waren bij een pogrom of bij de massale vernietiging van Joden in de laatste wereldoorlog of in vroeger eeuwen. En evenmin zijn ze rechtstreeks verantwoordelijk te stellen voor de politieke en maatschappelijke achterstelling van onze rooms-katholieke medeburgers tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en zelfs nog onder het vorstenhuis van Oranje in de vorige eeuw. Maar dat wil nog niet zeggen, dat er dus geen sprake is van betrokkenheid bij de schuld aan deze zaken. Er is toch ook zoiets als solidariteit in de schuld, zowel met tijdgenoten als met ons voorgeslacht? Dat besef kan al bij niet-gelovigen gevonden worden. De bekende schrijver Harry Mulisch, bepaald geen christen, schreef eens: "Van de misdaden die onder Hitier zijn gepleegd zeggen de neo-nazi's: het zijn leugens. De Duitsers zeggen: het waren de nazi's. De Europeanen zeggen: het waren de Duitsers. De Amerikanen zeggen: het waren de Europeanen.
De Aziaten en Afrikanen zeggen: het waren de blanken. En eens zal men zeggen: het waren mensen, die het deden"). M.a.w. geen mens zal zich daar zomaar van kunnen distantiëren.
Ik denk in dit verband ook aan de kwestie die nog niet zo lang geleden in de Tweede Kamer aan de orde was en die nogal wat commotie heeft verwekt. Ik bedoel de kwestie van het zgn. 'monitoren' van weer uitgezette asielzoekers uit Iran om na te gaan of het hen in hun thuisland daadwerkelijk wel goed ging. Door de staatssecretarissen Smitz en Patijn was het parlement verzekerd, dat dit daadwerkelijk plaats vond en dat op grond daarvan mocht worden vastgesteld, dat het hun goed ging. Maar toen bleek, dat deze staatssecretarissen en in hen ook onze volksvertegenwoordiging door de ambtenaren van hun respectievelijke departementen verkeerd waren voorgelicht. Het monitoren vond nl. al geruime tijd niet meer plaats. En daarmee viel een belangrijke pijler onder het uitzettingsbeleid t.a.v. Iraniërs weg. Het probleem dat daardoor rees was, of de betreffende staatssecretarissen persoonlijk verantwoordelijk konden worden gesteld voor de gang van zaken op hun departement, ook al twijfelde niemand eraan dat zij zelf het slachtoffer waren van verkeerde voorlichting en droegen ze er zelf geen enkele schuld voor. Ik meen dat diegenen gelijk hadden, die deze vraag toen bevestigend beantwoordden. Het is maar een vergelijking. Maar m.i. blijkt daar wel uit, dat er inderdaad sprake kan zijn van verantwoordelijkheid en schuld zonder dat je een onmiddellijke persoonlijke betrokkenheid kunt aanwijzen. Belijden van schuld veronderstelt niet per definitie concrete persoonlijke schuld. En is dat niet heel sterk in de lijn van de Bijbel?

Daniël en Ezra
In Gods Woord is sprake van minstens twee voorbidders, die op indrukwekkende schuld beleden in besef van nauwe verbondenheid met hun volksgenoten in heden en verleden. Allereerst valt te denken aan Daniël. In hoofdstuk 9 van het boek dat zijn naam draagt zien we hoe hij lezend in het boek van de profeet Jeremia bepaald werd bij de profetie, dat de ballingschap voor Israël zeventig jaar zou duren. En dan is het heel merkwaardig, dat hij die profetie niet opvat als een toekomstvoorspelling alsof hij en zijn volk maar hoeven te wachten tot de aangegeven tijd verstrijkt en dan zal de bevrijding vanzelf wel komen. Maar deze Godsspraak door Jeremia brengt hem tot verootmoediging en tot belijdenis van schuld. Het is een bijzonder indrukwekkend en indringend gebed, dat eindigt met de hartstochtelijke oproep: "0 Here, hoor! o Here, vergeef! 0 Here, merk op! Treed handelend op; toef niet om uwszelfswil, mijn God, want uw naam is uitgeroepen over uw stad en over uw volk" (vs 19). Maar waar het mij in dit verband vooral om gaat is, dat Daniël zich in zijn gebed heel duidelijk solidair betoont met het voorgeslacht, dat door zijn ongehoorzaamheid de ballingschap over zich heen haalde. Terwijl we van Daniël weten, dat hij een rechtvaardige was, belijdt hij schuld, o.a. met de woorden: "HERE, bij ons is een beschaamd gelaat, bij onze koningen, onze vorsten en onze vaderen, want wij hebben tegen U gezondigd"
(vs 8). Wij! Hetzelfde geldt voor Ezra, de geestelijke leider van het uit de ballingschap teruggekeerde volk. Op een gegeven moment wordt hij geconfronteerd met het schokkende gegeven, dat de Joden zich door huwelijken vermengd hebben met de heidenen en zich zo opnieuw schuldig maken aan trouwbreuk tegenover God, daarin nota bene voorgegaan door de leiders van het volk. We lezen dan hoe Ezra zijn kleren scheurt, zich de haren uit het hoofd en uit z'n baard trekt en een dag lang verbijsterd blijft zitten. Maar aan het einde van die dag spreekt ook hij een gebed uit, waarin hij begint te zeggen: "Mijn God, ik schaam mij en durf mijn ogen niet tot U opslaan, 0 mijn God, want onze ongerechtigheden zijn ons boven het hoofd gewassen en onze schuld is gestegen tot de hemel" (Ezra 9,6). Ook hier een man, die zich persoonlijk verre had gehouden van de zonden van zijn volk, maar wel spreekt van ónze schuld. En ook hij verklaart zich niet alleen solidair in de schuld met zijn volksgenoten van dat moment, maar evenzeer met zijn voorgeslacht. Tegen deze achtergrond is het toch zo vreemd niet, dat christenen van nu zich eveneens solidair betonen in de schuld met hun voorouders?

Wie heeft het recht ... ?
Een andere vraag, die door Van der Graaf gesteld wordt in zijn genoemde reactie.is wie er eigenlijk schuld belijdt tegenover wie? En, voegt hij er aan toe, wie is dan geëigend een woord van verzoening te spreken? Want een schuldbelijdenis bereikt toch pas zijn doel als die ook wordt geaccepteerd en degene tegenover wie schuld beleden is vergeving schenkt? Dan is toch pas de verzoening bereikt? Als ik Van der Graaf goed begrijp, vraagt hij zich eigenlijk af of een aantal willekeurige leden van een aantal verschillende kerkgemeenschappen nu de aangewezen personen zijn om een dergelijke schuldbelijdenis uit te spreken? Letterlijk schrijft hij: "Moet men dan niet in bijzondere zin tot profetie geroepen zijn? Wie krijgt echt schuldige verhoudingen tussen gemeenschappen als schuld opgebonden?"
Eerlijk gezegd begrijp ik zijn aarzeling op dit punt wel. Inderdaad, welke status heeft zo'n stuk dat door enkelingen op eigen initiatief is opgesteld en waaraan door meerdere anderen spontaan adhaesie wordt betuigd? Je kunt hen beslist geen officiële vertegenwoordigers van hun kerkgemeenschappen of van de Nederlandse christenheid in het algemeen noemen.
Maar de vraag is of je inderdaad een dergelijke status moet hebben om inzicht te hebben in de schuld die beleden dient te worden. En ook of je inderdaad een bijzondere profetische roeping zou moeten hebben om vervolgens een dergelijke schuldbelijdenis ook te verwoorden. Ieder gelovig kind van God, die leeft in zijn Woord en dat toepast op wat gebeurt en gebeurde in heden en verleden, heeft dan toch recht van spreken?
En dat geldt m.i. ook wanneer het gaat om het spreken van woorden van vergeving en verzoening. Op één van de gebedsbijeenkomsten die ERO inmiddels belegd heeft, werd ik getroffen door wat één van de deelnemers vertelde.
Hij was vorig jaar aanwezig geweest op een conferentie in Israël waar vertegenwoordigers van kerkgemeenschappen uit talloze landen bijeen waren. Tjjdens die conferentie was er ook veel ruimte en aandacht voor verootmoediging. Op een gegeven moment beleden Amerikaanse christenen schuld voor wat hun volk in het verleden de Indianen had aangedaan. De Nederlandse deelnemers waren hier zo van onder de indruk, dat zij zich geroepen voelden op hun beurt tegenover God schuld te belijden voor wat er door ons volk in het verleden aan wandaden is bedreven m.b.t.
onze voormalige koloniën. Tijdens dit gebed ervoeren zij deze schuld als zo'n drukkende last, dat zij er heel emotioneel onder waren en haast geen woorden vonden. Op dat moment kwamen christenen uit Indonesië naar voren en knielden naast hun Nederlandse broeders en zusters neer en baden met hen om vergeving en verzoening. Vindt hier en zo dan niet daadwerkelijk iets van genezing en heling plaats?

Een opwekking te verwachten?
Is de bede om een opwekking en een nieuwe doorwerking van Gods Geest wel onder alle omstandigheden op z'n plaats? Dat was de tweede vraag waar ik aandacht voor wil vragen. In het voorjaar kwam het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) met een prognose van de kerkelijke situatie in ons land voor de komende jaren. Dit najaar konden we kennis nemen van de uitslag van de derde 'God-in-Nederland'-enquête. Het waren bepaald geen berichten om blij van te worden.
In de Kerkbode van Nederlands Gereformeerde Kerken van 6 sept. j.1. gaf ds. A.J. Moggré een commentaar op de prognose van het SCP. En tegelijk brak hij zijn staf over hen, die z.i. de ernst van de daarin aangegeven situatie onderschatten. Moggré is van oordeel, dat God in zijn toorn de Nederlandse christenheid bezig is over te geven aan de boze geesten. En hij gelooft, dat geen enkele theologie, noch de vurigste evangelisatieijver zijn opgewassen tegen deze losgelaten demonen. De Willow Creek-aanpak zal dan evenmin lukken als de tournees van Billy Graham destijds. En Moggré vraagt zich af of in reformatorisch (en evangelisch) Nederland niet te gemakkelijk aan dit oordeelskarakter van de secularisatie wordt voorbij gezien. En of niet te lichtvaardig wordt opgeroepen tot het geloof in de Heilige Geest, die bij machte is de hemel te scheuren om een opleving te geven. Spreekt daar niet een ongerechtvaardigd verlangen uit om onder het verdiende oordeel weg te lopen?
"Laten we toch beseffen dat we tevergeefs op nieuw heil hopen als we Gods gericht over onze (kerkelijke) zonden niet in ons kreunend hart hebben doorleefd en zulks met de hartelijke erkenning dat verdiend te hebben".
Ik geloof dat collega Moggré hier heel behartenswaardige dingen heeft geschreven, waar we niet om heen kunnen. Je kunt inderdaad te snel zijn met toegeven aan de hoop, dat God vast wel een keer ten goede zal willen geven. Je kunt te probleemloos uitgaan van de gedachte, dat Hij op ons vurig gebed in de kerken van Nederland een nieuwe geestelijke opleving zal willen geven. Ook onderken ik het gevaar, dat we ons heel aktivistisch storten op allerlei programma's van vernieuwing die ons uit Duitsland of Amerika worden aangereikt, terwijl de nood waarin we als kerken verkeren nog niet diep genoeg gepeild is.
Ik meen dat in de beweging van ERO een open oor en een open hart is voor de donkere tonen, die Moggré laat horen. En tijdens de bidstonden, waar ik aan deelnam, klonken die ook heel duidelijk door. Er is zonder meer sprake van het besef, dat God in zijn recht staat wanneer Hij zijn kerk in Nederland overgeeft aan de afbraak. En dat een nieuwe opwekking niet verdiend en dus niet voetstoots te verwachten is als daar maar vurig om gebeden wordt.

Zonder verbrokenheid geen licht
Toch ben ik geneigd het accent net even anders te leggen dan Moggré het uiteindelijk doet. Hij eindigt zijn artikel met de woorden: "Zullen we de HERE bidden om een opwekking? Om een nieuw geestelijk reveil? Wanneer we dat zonder meer zouden doen, zou dat getuigen van een zeer gebrekkig inzicht in de wijze waarop wij het als Nederlandse christenheid verbruid hebben bij Hem. Pas als de werkelijkheid van Gods rechtvaardig oordeel in de geestelijke en kerkelijke afkalving ons in het hart gedrongen is en we eerst en vooral onze (kerkelijke) zonden zien en ons daarvan in concrete schuldbelijdenis vrijmaken - pas dan kan er wellicht hoop zijn." Zakelijk kan ik het grotendeels met . Moggré eens zijn. Maar ik geloof tegelijk, dat een opwekking juist inhoudt dat we tot dit door hem bedoelde inzicht gekomen zijn. Een geestelijke opwekking vindt juist daar plaats, waar men zich bewust wordt van de feitelijke situatie waarin men verkeert.
Opwekking is het wakker schrikken uit de slaap van iemand, die denkt dat alle seinen op veilig staan en dan tot de ontdekking komt dat hij full speed op zijn ondergang afstormt - als God het niet genadig verhoedt. En tot die opwekking hoort ook het besef en de erkenning, dat we die ondergang ook hebben verdiend. Ik heb me de laatste tijd nogal bezig gehouden met de persoon van Jonathan Edwards en de opwekkingsbeweging in Noord-Amerika uit het begin van de 18e eeuw waaraan zijn naam verbonden is. Wat ik ontdekte was, dat één van de kenmerken van deze beweging, evenals van verwante en gelijktijdige opwekkingsbewegingen in Engeland en Schotland en ook in ons . eigen land, het diepe besef van eigen zonde en schuld is geweest. Edwards maakte het in zijn eigen gemeente mee, dat gemeenteleden Gods heerlijkheid juist zagen uitkomen in hun eigen veroordeling. Ja, sommigen vonden zelfs hun redding eigenlijk te goed, omdat die wel eens zou kunnen strijden met Gods heerlijkheid, die men zo beledigd had. Overigens was Edwards zelf van mening, dat de Schrift nergens een dergelijke ver gaande zelfverloochening van ons eist. "Maar het waardevolle ervan is het . besef er op geen enkele wijze aanspraak op te kunnen maken dat God met ons verder wil en een nieuw begin wil maken. Daarom meen ik, dat bidden om een opwekking in de hierboven aangegeven zin wel degelijk op z'n plaats is. En natuurlijk zullen we het dan aan God over moeten laten of Hij inderdaad nog een nieuwe bloei wil geven aan zijn kerk in Nederland. Zoiets kunnen we niet claimen. Tenminste niet als iets waar wij recht op hebben.
Hooguit kunnen wij ons net als Daniël aan God vragen of Hij het zou willen doen om zijn eigen Naam te reinigen van de smaad, die wij haar hebben aangedaan: "Treed handelend op; toef niet, om uws zelfswil, mijn God".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief