Bouwen op het fundament
1996-07-12
Vluchten tot Christus. Dat is op z’n kortst samengevat wat ik vorige keer schreef. Als je ziet hoe het gereformeerde leven schuift, dan heb je vaste grond onder de voeten nodig en er is geen andere grond dan het werk van Christus. Over de betekenis van die woorden er is geen andere grond wil ik het in dit nummer hebben.- Jaargang 40
- nummer 14
De vraag naar het fundament, de basis van de kerk, vormde het afgelopen jaar ook de kern van het gesprek op landelijk vlak tussen de Vrijgemaakte kerken en de onze. Ad de Boer schreef daarover al iets in het vorige nummer van ons blad, naar aanleiding van de Vrijgemaakte synode-zittingen die aan ons gewijd waren. Op die vergadering vroegen sommige afgevaardigden of hun deputaten ons niet al te cru behandeld hebben. Ik wil duidelijk stellen dat dat niet zo was. De gesprekken waren helder en eerlijk. Je kon goed merken dat we nog altijd dezelfde taal spreken. Blijft natuurlijk dat het daarom des te pijnlijker is dat de Vrijgemaakten zeggen: met jullie kunnen we niet verder praten. Waar zit 'm dat precies op vast? Het is goed dat nog eens voor de aandacht te hebben. Uit de gesprekken in het afgelopen jaar bleek dat we het over de inhoud van het geloof vérgaand eens zijn, maar dat we uiteen gaan bij de vraag hoe je moet omgaan met ambtsdragers die op enig punt afwijken van de belijdenis. Het is voor Vrijgemaakten onbegrijpelijk dat wij daarbij onderscheid maken tussen de ene en de andere bedenking die geuit wordt. Natuurlijk komen daarbij steeds de namen van Telder en De Jong weer naar voren. Nieuw was dat zowel in de deputaten-gesprekken als op de synode ook de naam van ds. H. Smit viel, die de leer van eeuwige verwerping bekritiseert en zo in strijd komt met de Dordtse Leerregels (DL, I, 6).
Als je dan nagaat welke uiterst voorzichtige woorden ds. Smit hierover in werkelijkheid geschreven heeft, dan moet je zeggen dat dit wel een verrassend nieuw element is! Onze commissie heeft hierover gezegd zich niet te kunnen voorstellen dat ds. Smit hierover kerkelijke moeilijkheden zou ondervinden. Ter synode werden hier korte metten mee gemaakt: wat zullen we nog verder verkennen? De zaak is duidelijk: de Nederlands Gereformeerden zijn veel te ruim!
Goud en zilver, hooi en stro
Eind vorig jaar citeerde ik in Opbouw al uit een notitie die onze commissie opgesteld had: Bij ons zal daarom een dienaar van Christus niet gauw geschorst worden als hij op enig punt afwijkt van de belijdenis wanneer de kerken niet de overtuiging hebben, óf dat deze afwijking een aantasting is van het ene fundament, namelijk Jezus Christus, óf dat deze afwijking het bouwen op dit ene fundament hindert. Deze terughoudendheid komt niet voort uit relativisme, maar uit de bezorgdheid om niet (nu of straks!) van de Opperherder te horen te krijgen dat wij Gods tempel geschonden hebben.
Dit is een zinspeling op 1 Korinthe 3:10-23, waar Paulus schrijft over het éne fundament en over de verschillende manieren waarop op dit fundament gebouwd wordt: met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro ..
Dat maakt wel degelijk verschil en dat zal te merken zijn op de dag van Christus. Maar nu kunnen we dat zo scherp nog niet weten. En het is ook een relatief verschil, want zelfs de bouwer met stro zal nog behouden worden, maar als door vuur heen, zo voegt de apostel eraan toe. Ik vind dat heel herkenbaar bij de verschillen in opvatting waarmee wij vandaag te maken hebben. Welnu, de Vrijgemaakte ds. J.J. Burger bestreed deze uitleg in Nader Bekeken van mei dit jaar. Ds. Smouter zinspeelt hier op 1 Kor. 3:10-23. En hij legt deze woorden zó uit: het fundament is Jezus Christus en die gekruisigd. Het goud, het zilver, het stro, dat is de leer, die op dat fundament verder gebouwd wordt. En dan kan een predikant misschien een leer van stro hebben; dan mag bijv. Arius (en nu trek ik de lijn voor de duidelijkheid even scherp aan) een 'stoppel-leer' over Christus hebben en Athanasius een gouden, maar als beiden van Christus houden en de bouw van de kerk niet belemmeren door hun leer sectarisch te drijven, dan moeten we als mensen daar vooreerst afblijven en wachten op Christus' dag.
Voor ik verder citeer wijs ik even op de versimpeling, dat bouwen op het ene fundament verkort wordt tot van Christus houden ... Maar, zo schrijft ds. Burger verder, als we het zo opvatten dan gaan we ervan uit dat Paulus met het fundament Christus-sec bedoelt en dat de leer de opbouw is. Zelf ziet hij dit anders: het fundament is Christus-met-zijn-evangelie, en de opbouw op dat fundament is dan niet de leer, maar de werken van de gelovigen (1 Kor. 3:13-15).
En dan waarschuwt Paulus ervoor: Pas op, dat je op het goede fundament niet ondeugdelijk bouwt. Want dat kan. Zoals dat blijkt te kunnen, als op een gereformeerde school, op de grondslag van Gods Woord en de Drie Formulieren van Eenheid, plotseling een ellendige ontuchtzaak openbaar wordt. Ellendig stro op het goede fundament.
Ds. Burger maakt hier een heel punt van en stelt zelfs, dat hierin nu het verschil tussen onze kerken duidelijk uitkomt: Is de leer bouw op het fundament of is de leer, waarvan Christus de hoeksteen is, mee deel van het fundament? AI naar het antwoord, dat hier gegeven wordt, krijg je een ander kerk-type: een kerk met leervrijheid, waarbij het kerkverband slechts daarin bestaat, dat we het over een heleboel kunnen hebben, terwijl we elkaar verder vrij laten, omdat je anders aan de gang blijft. Of een kerk, die weet en gelooft, dat de leer bij het fundament hoort, omdat Christus niet los te maken is van de leer van zijn eigen evangelie.
Welke is de juiste?
U ziet dat er nogal wat aan vast zit! Ds. Burger voert als autoriteit voor zijn uitleg J. van Andel aan. Ik zou daar Calvijn tegenover kunnen plaatsen, maar meen dat we daar weinig verder mee komen. Wel geloof ik dat hier een serieus punt ligt. Ik vat het even samen. Paulus zegt: ik heb het fundament gelegd waarop een ander voortbouwt. Dat voortbouwen gebeurt op verschillende manieren, maar het fundament blijft het beslissende punt. Ds. Burger en ik proberen dat beiden toe te passen in onze tijd. Wat is bouwen met stro, maar wel op het goede fundament? Ds. Burger denkt aan een ontuchtige leraar van een school op gereformeerde grondslag. Ik denk aan een dominee die zijn gemeente in deze tijd probeert te bouwen op het vaste fundament van Christus' werk. Concreet: dat doen ds. H. de Jong en ds. J.J. Burger alletwee. Maar wie van de twee doet het met goud en wie met stro? Dat weet ik nog niet zo precies, en dat is ook 't ergste niet. Het zal blijken op Christus' dag en het zal dan wel belangrijk zijn, maar voor deze dienaren niet beslissend, want al heeft iemand met stro gebouwd, hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen. Twee verklaringen, en welke is de juiste? Wel, kijk nu eens waar het over gaat in 1 Korinthiërs. Paulus is zó blij met Korinthe, en toch moet hij de scheuringen in die gemeente ernstig afkeuren. Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft:- Ik ben van Paulus! En ik van Apollos! En ik van Kefas! En ik van Christus! (1 :12). Tegenover al dit roemen in mensen plaatst Paulus dan het roemen in de dwaasheid van God: het kruis van Christus. Daarna komt hij op de verdeeldheid nog eens terug en zegt: Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij dan niet vleselijk, en leeft gij niet als (onveranderde) mensen? Want wanneer de een zegt: Ik ben van Paulus; en de ander: Ik ben van Apollos; zijt gij dan niet (onveranderde) mensen? Wat is dan Apollos? Of wat is Paulus? (3:3v). We zijn maar knechtjes van God, zo gaat hij verder. Ik heb geplant en Apollos heeft begoten. Concreet: Paulus stichtte de gemeente en Apollos heeft er daarna zegenrijk gewerkt. Maar je moet op God letten die de wasdom gaf. En dan volgt vs. 9: Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij. In deze zin zet Paulus het beeld van de gemeente als Gods akker naast de beeldspraak van de gemeente als Gods bouwwerk. En aansluitend buigt hij de woorden over planten en begieten dus ook om naar het leggen van het fundament en het bouwen op dat fundament. Paulus legde het fundament; Apollos, Kefas en zoveel anderen bouwden erop. En de gemeenteIeden moeten zich ervoor hoeden om al te gauw met hun oordeel klaar te staan. Zo van: Apollos is goud en Kefas is stro. Of in onze tijd: Dominee Zus, dat is een gouden vent en professor Zo is een strooien mannetje. Wat een ellendige verdeeldheid is daar al door in de kerk gekomen!
Riskant
Goed, u merkt wel dat het voor mij volkomen evident is dat Paulus met de werken van goud of stro niet het ethisch gedrag van de gemeenteleden bedoelt, maar het werk van de gemeente-bouwers. Ik vind het dan ook riskant dat ds. Burger aan de juistheid van zijn uitleg meteen de juistheid van zijn gereformeerde kerktype ophangt. Ik moet natuurlijk oppassen om nu niet hetzelfde te doen, door ons gelijk aan mijn uitleg te verbinden. Maar, beste Vrijgemaakte broeders en zusters, denk nu eens aan de mogelijkheid dat Paulus bij die verschillende bouwers inderdaad aan gemeente bouwers denkt. Hij waarschuwt er dan tegen dat we ons oordeel over hen niet te gauw moeten vellen. En hij zegt er dit achteraan: Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont? Zo iemand Gods tempel schendt, God zal hem schenden. Want de tempel Gods, en dat zijt gij, is heilig (3:16v). Even heel persoonlijk gezegd: vanwege deze tekst zou ik nooit mee verantwoordelijk durven zijn voor schorsingen en afzettingen van medearbeiders Gods die op het ene fundament bouwen. En ik word helemaal koud bij het idee dat je bij dat bouwen op het ene fundament denkt aan een leraar die weliswaar leerlingen misbruikt, maar in elk geval wél de Drie Formulieren heeft onderschreven.
Eerlijk en logisch
Enfin, we stoppen nu met de uitleg van die tekst. Uiteraard is het verschil tussen onze kerken niet zomaar een kwestie van een bepaalde exegese. Er zit een verschil van inzicht achter over de vraag hoe Gods gemeente het beste bewaard kan blijven. En binnen de grenzen van de Vrijgemaakte overtuiging was de besluitvorming ter synode heel eerlijk en logisch: we hebben de mogelijkheid tot contact verkend en ze blijken niet gereformeerd, dus hoezeer het ons spijt, we kunnen niet verder. Letterlijk: dat ons hart naar hen uitgaat vanwege onze verbondenheid aan en liefde voor het evangelie van onze Here Jezus Christus en dat we graag mogelijkheden zoeken en gebruiken om met hen tot verantwoorde samensprekingen te komen die kerkelijke eenheid beogen dat de huidige vrijheid voor en tolerantie van afwijking van de gereformeerde belijdenis die door hun Commissie voor Contact en Samenspreking nadrukkelijk geclaimd zijn en door de besluiten van de Landelijke Vergadering in 1995 opnieuw bevestigd, een blokkade vormen om op landelijk niveau tot zulke samensprekingen te kunnen komen (…) Op zichzelf is deze conclusie even spijtig als eerlijk en te respecteren. Ligt de situatie niet precies hetzelfde als dertig jaar geleden? Zo stelden deputaten het wel aan het eind van de besprekingen die we eerder met hen voerden: helaas is er in dertig jaar niks veranderd. Op zichzelf zou dat een sterk argument zijn voor de Nederlands Gereformeerde aanpak. De harde tuchtmaatregelen van de zestiger jaren waren immers alleen te verklaren vanuit de vrees dat de kerk anders op een neerwaartse glijbaan zou komen. Dat was de stemming destijds ook: die buitenverbanders worden zó synodaal! Als er dertig jaar later niks veranderd is, dan liep 't kennelijk zo'n vaart niet.
We zijn veranderd
Anderzijds: we zijn natuurlijk wél veranderd. Anders zat ik hier niet over het einde van het gereformeerde leven te schrijven. Maar wat me bevreemdt is, dat er aan officiële Vrijgemaakte zijde geen begin van erkenning is, dat zij óók veranderd zijn. In alle nuchterheid: als het gereformeerde leven bij hen nog onaangetast was, dan waren er geen 35 predikanten overspannen. En de commentator van het RD heeft gewoon gelijk wanneer hij zegt dat de voorgenomen aanpassing van het huwelijksformulier gevolg is van het feit dat men niet meer uit de voeten kan met teksten over de onderdanigheid van de vrouw. En wat dan? Dan wordt het lastig. Dan zal het erop aankomen (voor óns net zo goed!) of onze kerken op het fundament gebouwd zijn. Of er een basis is die ongeschokt blijft, ook als veel gereformeerde vastigheden wankelen. Ik denk dat niemand een ander fundament kan leggen dan er ligt, namelijk Jezus Christus. Op die basis moeten we toch verder kunnen?