Kennis van goed en kwaad
1996-07-12
Regelmatig is er de laatste tijd over het begin van het boek Genesis geschreven. Te denken valt aan o.a. artikelen van dr. Van den Dussen en ds. Winkelhoff. In dit nummer schrijft ds. Bruins min of meer reagerend op voorgaande artikelen over hetzelfde onderwerp. Hij doet dit ook vanuit zijn achtergrond als bioloog. In dit artikel wil hij met name proberen een antwoord te geven op de vraag, wat voor keuze het was, waarvoor God de mens in den beginne heeft geplaatst.- Jaargang 40
- nummer 14
Twee bomen
In Genesis 2:9 lezen we, dat de HERE God in het midden van de hof die Hij voor de mens plantte, twee bijzondere bomen deed opschieten: de boom des levens en de boom der kennis van goed en kwaad. Wat de bedoeling was van de boom des levens, valt op te maken uit wat we God horen zeggen, nadat de mens van de boom der kennis van goed en kwaad heeft gegeten: "Nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven." Door van de boom des levens te eten kon de mens zich eeuwig leven toeëigenen.
Hieruit blijkt, dat de mens voor de zondeval niet onsterfelijk was. Hij was "stof uit de aardbodem". Hij kon sterven, alleen, hij hoefde niet te sterven, want de boom des levens was er voor hem. Van moeten sterven was pas sprake, toen de mens verwijderd was uit de hof, waar de boom des levens stond. Waarom de boom des levens zo heette, is dus duidelijk. Maar waarom heette die andere boom 'boom der kennis van goed en kwaad'? Hierop zijn verschillende antwoorden gegeven.
Meestal gaat men ervan uit, dat goed en kwaad hier in ethische zin moet worden opgevat. 'Kennis van goed en kwaad' wordt dan uitgelegd als: zelf uitmaken wat goed is en wat kwaad, of als: ervaring, niet alleen in, ' het doen van het goede wat de mens al had, maar ook in het doen van het, kwade.
Goed en kwaad zijn in de bijbel echter niet altijd ethische begrippen. Zo horen we in 2 Samuel 19:35 de oude Barzillai antwoorden op de uitnodiging van David om bij hem te komen wonen in zijn paleis: "Ik ben thans tachtig jaar; zou ik dan nog kunnen onderscheiden tussen iets goeds en iets kwaads?"
Letterlijk vertaald staat er hier: "zou ik kennen tussen goed en kwaad". Het is moeilijk voor te stellen dat de goede man zichzelf niet in staat achtte onderscheid te maken tussen goed en kwaad in ethische zin. Maar we horen hem dan ook zelf zijn woorden als volgt toelichten: "Zou uw knecht nog proeven wat hij eet of drinkt? Of zou ik nog kunnen luisteren naar de stem van zangers en zangeressen?" Goed en kwaad is hier dus niet bedoeld in ethische, maar in esthetische zin: lekker of niet lekker, mooi of niet mooi. Zo wil ik voorstellen ook in Genesis 2 en 3 goed en kwaad niet ethisch op te vatten. Hoe dan wel?
Kennis van goed en kwaad = listigheid
"De slang nu was het listigste van alle dieren des velds die de HERE God gemaakt had." Zo begint Genesis 3.
De slang die de vrouw verleidde tot het eten van de verboden vrucht, was geen verklede duivel of zoiets, maar gewoon een dier uit Gods schepping. Alleen niet zomaar een van de dieren: ze was 'het listigste van alle dieren'.
Listig is een woord met een negatieve klank; het heeft iets in zich van: gemeen. Het hebreeuwse woord waarvan het de vertaling is, kan echter ook met 'schrander' worden vertaald. Zo wordt het ondermeer vertaald in een tekst waarvoor ik uw bijzondere aandacht wil vragen, omdat die volgens mij een sleutel vormt tot het verstaan van Genesis 3: Spreuken 22:3.
Daar lezen we: "De schrandere ziet het onheil en bergt zich". Een woord dat de slang op het lijf geschreven is.
In plaats van 'zich bergen' kun je namelijk ook vertalen: 'zich verbergen', en een slang is met zijn vermogen om in nauwe spleten weg te kruipen een meester in het zich verbergen. Bovendien heeft een slang scherpe zintuigen om naderend onheil op te merken. Nu wordt in Spreuken 22:3 voor 'onheil' hetzelfde hebreeuwse woord gebruikt als in Genesis 2 en 3 voor 'kwaad'. Daarom wil ik voorstellen ook daar 'kwaad' op te vatten als 'onheil', in de zin van: datgene wat het leven bedreigt. 'Kennis van goed en kwaad' is dan te omschrijven als: kunnen onderscheiden, wat het leven bevordert en wat het leven bedreigt.
Dat is een vermogen dat alle dieren in zekere mate bezitten. Ieder dier 'weet', wat het nodig heeft om te kunnen leven: voedsel, een plaats met de juiste temperatuur en vochtigheid enzovoorts. En ieder dier 'weet' ook, wat het moet doen om dat 'goede' te bemachtigen. Dat is 'kennis van het goede'. Daarnaast bezit ieder dier een zeker vermogen om dingen die het leven bedreigen, op te merken en te ontgaan. Dat is 'kennis van het kwade'.
Zulk een 'kennis van goed en kwaad', zulk een 'schranderheid' in de zin van Spreuken 22:3 (die dus niet hetzelfde is als wat wij 'intelligentie' noemen) bezit ieder dier in zekere mate. Het ene dier bezit er echter meer van, is bedrevener in de overlevingskunst, dan het andere. En de grootste meester in de overlevingskunst, "het listigste van alle dieren des velds", was volgens Genesis 3:1 in de wereld van het begin de slang.
Kennis van goed en kwaad is dus op zich niet slecht. Dieren kunnen niet zonder om te overleven. Een dier dat niet kan onderscheiden, wat eetbaar is en wat niet, en dat niet op gepaste wijze reageert op gevaar, leeft niet lang. Dat was ook al zo in de wereld van het begin: ook daar was reeds van alles wat het leven bedreigde. De duisternis en de wateren waren bij de schepping niet vernietigd, ze waren alleen maar teruggedrongen om ruimte te maken voor het leven.
Maar de mens kon in die wereld van het begin wel zonder kennis van goed en kwaad om in leven te blijven. Want de HERE God had hem geplaatst in een hof, waarin een boom stond die eeuwig leven gaf als men ervan at: de boom des levens. Maar van die boom mocht de mens alleen eten, als hij ervan zou afzien te eten van de boom der kennis van goed en kwaad, als hij ervan zou afzien te grijpen naar listigheid als middel om zijn leven veilig te stellen. De twee bomen in het midden van de hof stelden de eerste mensen dus voor een keuze: of zich het leven te laten schenken door God, door middel van de boom des levens, of te proberen zelf het leven voor zich veilig te stellen door middel van 'kennis van goed en kwaad'. Wat moesten zij kiezen? De HERE God had tot Adam gezegd: kies niet voor de kennis van goed en kwaad, want als je dat doet, zul je voorzeker sterven.
De leugens van de slang: halve waarheden
Dit woord van de Schepper werd echter tegengesproken door een stem uit de schepping, die zich richtte tot de vrouw. Waarom juist tot de vrouw?
Was het misschien omdat zij het woord uit de tweede hand had, omdat God het tot Adam gesproken had, voordat zij geschapen werd? Hoe het ook zij, een stem uit de schepping, uit het dierenrijk, dat was wat tot de vrouw kwam. We hebben al vastgesteld, dat de slang geen verklede duivel was. Maar ze was ook niet een soort luidspreker van de duivel: de slang was - net als dat andere sprekende dier in de bijbel, de ezel van Bileam - in wat ze zei helemaal zichzelf: een dier. Haar boodschap aan de vrouw kwam in feite hierop neer: Wees zoals ik, doe zoals ik; maak ook gebruik van listigheid om zelf je leven veilig te stellen.
Het waren ook geen botte onwaarheden, die de slang sprak. Het waren veeleer halve waarheden. Bijvoorbeeld de uitspraak: "Gij zult geenszins sterven". De HERE had gezegd: "Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven." Maar toen Adam en zijn vrouw van de boom aten, vielen zij helemaal niet diezelfde dag nog dood neer; zij stierven wel, maar pas na vele jaren, of zelfs eeuwen! Het woord: "uw ogen zullen geopend worden" werd blijkens vers 7 zelfs geheel en al bewaarheid. En wat het "gij zult als God zijn" betreft, in vers 22 horen we de HERE zelf zeggen: "Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad". Geen botte onwaarheden dus, maar wel halve waarheden. Het is waar, dat kennis van goed en kwaad, schranderheid, een levend wezen de dood niet brengt. Integendeel, schranderheid kan hem helpen zich de dood van het lijf te houden. Maar dan alleen voor zo lang als het duurt. Je kunt nog zo bedreven zijn in de kunst van het overleven, eens word je door de dood achterhaald. Tenminste, als je niets anders hebt dan je overlevingskunst..
En dat andere, dat had de mens: de boom des levens. Die kon hem eeuwig leven geven. Maar juist die zou de mens kwijtraken, als hij van de boom der kennis van goed en kwaad zou eten. Dan zou zijn verdere leven een lange strijd tegen de dood worden, een strijd die hij uiteindelijk zou moeten verliezen. Dat was wat de HERE bedoelde met "Ten dage dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven": dat op diezelfde dag voor de mens in feite de doodsstrijd zou beginnen. Maar dat zei de slang er niet bij; daarom was het een halve waarheid, wat hij zei. En een halve waarheid is een hele leugen. Zo'n halve waarheid was ook het "gij zult als God zijn". Inderdaad werd de mens door de kennis van goed en kwaad als God. Maar dan alleen in die zin, dat hij voortaan, net als God, op zichzelf steunde. Door de kennis van goed en kwaad werd de mens net zo zelfstandig als God; hij werd zichzelf tot god. Maar op jezelf steunen, dat kun je alleen volhouden, als je almachtig en onsterfelijk bent, en dat werd de mens niet door de kennis van goed en kwaad. Integendeel, het enige waardoor hij onsterfelijk had kunnen worden, raakte hij kwijt. En dat had de slang er niet bij gezegd ... En wat het geopend worden van de ogen betreft, dat gebeurde meteen.
"Toen werden hun beider ogen geopend", lezen we in 3:7. Maar dat bleek allesbehalve aangenaam te zijn.
Spreuken 22:3, "De schrandere ziet het onheil en bergt zich", werd aan hen bewaarheid. Opeens zagen zij overal om zich heen onheil, waarvoor zij zich wilden bergen. En het eerste waar zij onheil in zagen, was ... hun partner! "Zij bemerkten, dat zij naakt waren." Zij ervoeren elkaars blikken als bedreigend en probeerden zichzelf, of althans hun meest intieme lichaamsdelen, tegen die blikken af te schermen met schorten van vijgenbIaderen. En zij hadden gelijk, want met hun geopende ogen ontwaarden zij listigheid in elkaars ogen en een listig mens, daar moet je mee uitkijken, want zo iemand is alleen maar uit op een zo lang en zo aangenaam leven voor zichzelf en zal niet nalaten jou daarvoor te gebruiken, of zelfs te misbruiken, als je hem of haar daar de gelegenheid toe geeft. Daarom is het zaak aan zo iemand zo min mogelijk van jezelf bloot te geven.
En toen zij de HERE God hoorden komen, ervoeren zij ook zijn komst als naderend onheil. En omdat ze zich tegenover Hem ook met hun schorten van vijgenbiaderen nog steeds 'naakt', d.w.z. onvoldoende beschermd voelden, verborgen zij zich voor Hem tussen het geboomte van de hof. Kwam Hij dan dreigend op hen af, met donder en bliksem? Nee, ze hoorden enkel zijn geluid, terwijl Hij "in de hof wandelde in de avondkoelte" . Iemand die een avondwandelingetje maakt in het park, hoe kun je je daar nu door bedreigd voelen? Toch hadden zij ook nu weer geen ongelijk, want zij hadden iets gedaan wat Hij hun verboden had; dus moest Hij wel boos op hen zijn. Dat dat het resultaat zou zijn, wanneer e .' hun ogen geopend zouden worden tot kennis van goed en kwaad, daar had de slang niets over gezegd; die had het als iets moois voorgesteld.
De slang als werktuig van de satan
Zo heeft de slang de vrouw bedrogen: met leugens in de vorm van halve waarheden. Dat moet wel het werk zijn geweest van de vader der leugen, de satan. Maar hoe dan, als de slang geen duivel in vermomming en ook geen luidspreker van de duivel was, maar gewoon zichzelf, een dier? Ik denk dat we het zo moeten zien, dat de satan de ontmoeting van de vrouw met het listigste van alle dieren des velds heeft gearrangeerd om door middel daarvan bij de vrouw de begeerte te wekken om ook door listigheid, door kennis van goed en kwaad, zelf haar leven veilig te stellen. Voor de slang zelf, evenals voor ieder ander dier, was listigheid het enige middel dat de Schepper haar ter beschikking had gesteld om te overleven. Als de mens echter dat middel zou aangrijpen, zou hij daarmee kiezen tegen God, tegen het leven in kinderlijke afhankelijkheid van Hem, tegen het leven van genade. En dat was wat de satan bereiken wilde, en wat hij ook bereikt heeft.
Maar toen heeft de HERE God de mens en zijn vrouw opgezocht en hun in de 'moederbelofte' de uiteindelijke nederlaag van de satan aangekondigd. Hoe we die 'moederbelofte' , Genesis 3:14 en 15 moeten lezen, daarop hoop ik in het volgende artikel in te gaan.