Wees niet bevreesd
1996-07-12
Wees niet verontrust, niet bevreesd, zegt Jezus tot zijn discipelen in Luc. 12:29-34. Met die woorden raakt Hij een diepliggende laag van ons bestaan. Een mensenleven is immers doortrokken van verontrusting en vrees. Een mens ziet altijd leeuwen en beren op de weg.- Jaargang 40
- nummer 14
Soms is dat pure inbeelding, andere keren zijn ze alleen maar van bordpapier, maar meestal zijn ze echt. En ze sluipen om ons heen, bedreigen ons of liggen in een hinderlaag, wachtend op het moment waarop ze ons kunnen bespringen. Het menselijk bestaan is in fundamentele zin een bedreigd bestaan. Diep in zijn hart weet ieder mens dat, ook al wil hij het vaak niet erkennen en leeft hij er vaak overheen. Diepweg, in de donkere kelders van zijn ziel, zetelen de verontrusting en de angst. Ze oefenen er hun schrikbewind uit en beïnvloeden zijn optreden. De mens tracht de bedreiging van zijn bestaan te bezweren door het aanleggen van verdedigingsgordels. Hij probeert zich aan alle kanten in te dekken en zich te voorzien van alle mogelijke stootkussens.
Gedreven door zijn verontrusting en angst is hij rusteloos in de weer om de bedreigingen in te dammen en zo mogelijk uit te bannen. Eigenlijk is het heel onthutsend, dat de geschiedenis van de mensheid voor een wezenlijk deel het produkt is van angst.
Dat geldt niet alleen met betrekking tot de gewone geschiedenis met zijn conflicten en oorlogen, maar ook met betrekking tot de cultuurgeschiedenis. De grote kathedralen uit de middeleeuwen met hun kunstschatten en gebrandschilderde ramen, worden door ons gewoonlijk gezien als uitingen van vroomheid: vroomheid in hout en steen en glas en verf. Maar dat is slechts één kant van de medaille. Er is ook een andere kant. Ze zijn ook produkten van angst, pogingen om zich in te dekken tegen de toorn van God en een eeuwige toekomst veilig te stellen. Het is gestolde angst. En de twintigste-eeuwse kunst - beeldende kunst, literatuur en muziek - bestaat voor een belangrijk deel uit het bezweren van de demonen van de angst. Een van de manieren waarop de mens van alle eeuwen zich de bedreiging van het bestaan van het lijf probeert te houden, bestaat in het zich omringen met bezittingen en goederen en ervoor zorgen dat je een dikke portemonnee hebt.
Er zijn geen betere stootkussens dan geld en bezit, vinden wij. Hoe meer je er van hebt, hoe beter. Zorg dat je je schaapjes op het droge hebt en een flink deel van de schatten van deze wereld in de wacht sleept. Want hebben is hebben en krijgen is de kunst. Nee, zegt Jezus, het is juist omgekeerd: geven is de kunst. Verkoop je bezittingen om aalmoezen te geven. Wie bovenop zijn aardse schatten zit, en er niets van kan afstaan, zoekt het koninkrijk van God niet. Wie fanatiek bezig is zijn kapitaal te vergroten en erop uit is zoveel mogelijk naar zich toe te graaien, wordt niet beheerst door Christus' koningschap, maar door angst. Bij jullie moet dat anders zijn, zegt Jezus tot zijn discipelen en tot ons. Wees niet bevreesd. Ren niet als een razende achter het geld aan om je in te dekken, want het geeft geen werkelijke bescherming. Dat hoeft ook niet. Want het heeft jullie Vader behaagd jullie het koninkrijk te geven. Als je bestaan op zijn koninkrijk georiënteerd is en Christus, onze koning, je rijkdom is, is er geen reden voor verontrusting en angst. Dan hoef je niet bang te zijn voor de toekomst en niet verontrust over wat er misschien wel eens zou kunnen gebeuren. Dan mag je zonder krampachtigheid, ontspannen, in het leven staan en Gods toekomst binnen leven.