Niet door geweld maar door de Geest (8) - Zacharia

1996-07-12
  • Jaargang 40
  • nummer 14
Jesua bleef nog een paar dagen, tot de volgende sabbat, in Jeruzalem. En hoewel hij in de tempel niets meer kon doen, had hij elke dag zijn handen vol. Hij sprak met mensen die eenzelfde verdriet hadden als hij. Hij hielp waar hij helpen kon. Wie niet meer zingen kan in het huis van God, kan nog altijd geloven in de huizen van de mensen. Inmiddels probeerde hij te weten te komen of iemand iets van Mattanja had gehoord of gezien. Maar al zijn naspeuringen bleven zonder resultaat.
Wel merkte hij dat het in de tempel niet bleef bij een opheffen van de joodse eredienst. De koning stelde alles in het werk om de griekse heidense godsdienst in te voeren. Zo werd het brandofferaltaar uit de voorhof verwijderd en in plaats daarvan bracht men offers aan de griekse oppergod Zeus. Zelfs varkens werden geofferd, iets dat volgens de wet van Mozes voor Jahweh een gruwel is. Jesua verbaasde zich erover dat zoveel van zijn kollega's aan al deze heidense praktijken meewerkten.
En dat joodse meisjes en vrouwen bereid waren als tempelhoeren op te treden, precies zoals de volken deden die Jahweh uit Kanaän had verdreven en de volken die nu onder invloed van de griekse geest stonden. Jesua moest onwillekeurig denken aan wat tot de profeet Daniël was gezegd: "De koning van het noorden en zijn legers zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijkse offer doen ophouden en een gruwel oprichten die verwoesting brengt". En hij dacht eraan dat Daniël ook had gezegd, dat de gelovigen in die tijd "zullen struikelen door zwaard en vuur, door gevangenschap en beroving".
Maar, zo stond erbij, 'een tijd lang'. Dat betekende zoveel als: het zou wel erg moeilijk worden voor de gelovigen, maar er zou een eind aankomen. Had diezelfde Daniël niet gedroomd van een koninkrijk van God dat alle menselijke koninkrijken zou vernietigen en zelf de hele aarde zou vervullen? Na enkele dagen nam Jesua afscheid van zijn zuster in Jeruzalem en ging hij alleen terug naar Modeïn. In de dorpen waar hij door kwam, merkte hij dat ook op het platteland de invloed van koning Antiochus zichtbaar werd. Voor verschillende huisdeuren waren altaren opgesteld, waar offers aan de griekse goden op werden gebracht. Hij hoorde vertellen, dat de mensen elke maand de geboortedag van de koning moesten vieren. En dat hier en daar ook al feesten waren gehouden ter ere van de wijn- en drankgod Dionysus. Feesten, die gepaard gingen met grote drinkgelagen en sexuele uitspattingen. En weer verbaasde Jesua zich erover, dat zo velen van zijn landgenoten zo vlug overstag waren gegaan. Klaarblijkelijk sloot het heidendom aan bij de verborgen begeerten en verlangens van de mens. Heel anders dan de dienst aan Jahweh: die ging juist in tegen wat de mens wil en nastreeft; die vraagt zelfverloochening en heiliging, zelfbeheersing en naastenliefde. Toen hij in Modeïn aankwam, hoorde hij van zijn dorpsgenoten dat er juist die dag een gezant van de koning was gearriveerd. Hij had z'n intrek genomen in de herberg. Morgen zou hij het volk toespreken, maar hij had nu alvast laten weten dat de joodse godsdienst verboden was. De doodstraf stond zelf op de dienst aan de God des lands. Zover was het dus al gekomen. In dit land had Jahweh zijn volk het leven willen geven.
Nu vond wie Hem diende er de dood. O God, leg vrede op uw volk!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief