De ontwikkeling van het geweten

1997-05-30
  • Jaargang 41
  • nummer 11
Er zijn (vooral in de jaren ’20 en ’30) dikke boeken geschreven over het geweten, waaronder een proefschrift van 600 bladzijden. In Opbouw werd jaren geleden zelfs een serie van 10 artikelen over dit onderwerp gepubliceerd (met theologische, filosofische en pedagogische invalshoeken).

Omdat de vraag naar de ontwikkeling van het kinderlijke geweten regelmatig naar voren komt in gesprekken over opvoeding lichten we dit thema er nog eens uit. In vogelvlucht wordt de kinderlijke ontwikkeling van het geweten doorgelopen; het is dus een bijdrage op het terrein van de ontwikkelingspsychologie en de pedagogiek.
Voelt het kind van nature aan wat goed en fout is?
Eén van de vragen die opvoeders altijd heeft bezig gehouden is of het kind van nature aan kan voelen of iets goed of verkeerd is. Heeft het uit zichzelf een 'innerlijk kompas'; voelt het iets aan van wat wél en wat niet geoorloofd is?
Opmerkelijk is in dit verband een onderzoek bij 2-jarige kinderen. Zij beseffen al goed dat er iets niet 'klopt' als speelgoed kapot gaat. Sommige kinderen proberen het meteen te repareren (dit hangt samen met een beginnend schuldgevoel). Andere kinderen laten het maar zo, of verstoppen het speelgoed. Bij deze kinderen overheerst de schaamte. Natuurlijk speelt vervolgens weer de vraag: hoe komt het dat kinderen zo verschillend reageren?
Heeft dat te maken met aanleg of is dat al een gevolg van de houding van de ouders of van de opvoeding?
Theorieën Er zijn verschillende theorieën, die proberen te verklaren waarom het kinderlijke geweten zich op een bepaalde manier ontwikkelt. Sommigen gaan er vanuit dat het kind leert wat goed en fout is op basis van beloning en straf (goed gedrag wordt beloond, verkeerd gedrag bestraft). Anderen denken dat het kind vooral leert door imitatie: het doet een 'model' na. Deze theorie heeft momenteel veel invloed. Wat is het gevolg van het zien van geweld op de televisie op het gedrag van kinderen?
Welke rol spelen ouders of onderwijzers als 'model' voor het gedrag van kinderen? Er zijn ook onderzoekers die menen dat de ontwikkeling van het geweten de verstandelijke ontwikkeling volgt.
De kinderlijke gewetensontwikkeling Op basis van observaties kunnen er chronologisch een aantal fasen onderscheiden worden in de ontwikkeling van het kinderlijke geweten': ..Ongeveer 2Y, jaar. Kinderen van ruim 2 jaar hebben al een redelijk 'inzicht' in wat er wel en niet mag. Ze 'koppelen' dit inzicht echter aan de aanwezigheid van de opvoeder. Met andere woorden: mamma vindt het niet goed als ik een snoepje pak als mamma het ziet. De valkuil in de opvqèding is dan dat je denkt dat het kind de regel kent en dus ongehoorzaam is als het toch een snoepje pakt als mamma in de keuken is. 'Hij weet best dat het niet mag', denkt moeder dan en straft het kind vanwege zijn achterbakse gedrag. Dat idee van de 'achterbaksheid' is ten onrechte, want het kind kan nog niet beseffen dat de regel ook geldt als mamma het niet ziet .Daamaast is het voor kinderen op . deze leeftijd moeilijk om hun gedrag bij te sturen. 'Stop daarmee' helpt vaak niet; het werkt meestal beter als je er ook het alternatief bij vertelt. 'Dat mag niet. Ga maar met de lego spelen.' ..3 jaar. Een stap die hier vlak achter de voorgaande aan komt is dat het kind zichzelf toe gaat spreken als het iets doet wat niet mag. "Mag niet snoepje pakken", hoor je dan in de kamer. De volgende stap is wanneer het kind iets of iemand anders de schuld gaat geven. "De beer heeft snoepje gepakt."
Soms moedigen opvoeders deze 'splitsing' ook nog eens aan ('stout handje').
Let op: het kind heeft op deze leeftijd nog nauwelijks een eigen 'ik'; je hoort in de taal ook nog weinig het woord 'ik'.
"Marieke moet plasje doen" in plaats van 'ik'.
..Kleuters. Kleuters hebben al een eigen 'ik' ontwikkeld. Wanneer ouders een redelijk consequente opvoedingsstijl hanteren heeft het kind vaak ook al een bepaalde innerlijke rem in zijn gedrag. De regel wordt echter heel zwart-wit geïnterpreteerd. Omdat de achtergrond van de regel niet wordt begrepen. Een jonge kleuter die ziek is zal soms toch proberen zijn eten op te eten, want ik moet mijn bord leeg eten.
Als het oudere zusje ziet dat het jongere broertje met lucifers speelt, worden die niet afgepakt, want ik mag toch niks afpakken?
Kleuters kunnen ook iemands bedoeling nog niet afwegen in het oordeel.
Martijn helpt zijn moeder met de afwas en breekt 3 kopjes. Kees breekt een kopje als hij snoept uit de kast. Wie is het stoutste? Kleuters vinden dat Mar- .
tijn het stoutste is, want hij heeft de mééste kopjes gebroken. Pas rond de 7 jaar gaan kinderen iemands bedoeling meewegen in hun oordeel. Tóch wordt het oordeel nog vaak gekoppeld aan de gevolgen. Iets mag niet, want je krijgt er straf voor.
..Van 7 tot 12jaar. Kinderen op deze leeftijd zijn vaak heel strenge moralisten; ze denken zwart-wit. Iets mag of iets mag niet. Iets hoort op deze manier en niet op een andere manier, want regels zijn regels. Men vermoedt dat deze strenge moraal nodig is omdat het kind nog erg onzeker is over de eigen grenzen. Het voelt steeds weer dat het zelf 'tot zonde verleid wordt'. Een strakke moraal geeft dan meer houvast.
Ook in deze leeftijd zie je nog dat de redenen waaróm iemand iets doet niet zo erg mee worden gewogen. Wie zich niet aan bepaalde regel houdt zit per definitie fout. Pas later in de periode van de basisschool kan het kind beter rekening houden met het 'waarom' van bepaald gedrag (als je snel naar het ziekenhuis moet, mag je door rood rijden).
Pubers Pas vanaf ongeveer 12 jaar wordt vaak afgewogen waaróm iemand iets op een bepaalde manier doet; de puber maakt daarbij ook eigen keuzen, los van de ouders. De invloed van leeftijdgenoten is in deze periode wel bijzonder groot.
Vooral L. Kohlberg heeft zeer gedetailleerd onderzoek gedaan naar de manier waarop oudere kinderen en pubers hun oordeel vellen. Aanvankelijk dacht hij (in navolging van J. Piaget) dat deze ontwikkeling parallel loopt aan de verstandelijke ontwikkeling; in zijn latere werk legde hij meer accenten bij ervaringen van het kind in het gezin en op school. Als factoren bij de gewetensontwikkeling benoemde hij.o.a. de volgende aspecten: - Hoe oordelen de ouders zelf over situaties? Veroordelen zeiemand gemakkelijk ('hij zal het er wel naar gemaakt hebben'); of proberen ze de achtergrond van bepaald gedrag mee te wegen?
- er bestaat een verband tussen 'egosterkte' en gedrag. Impulsieve kinderen hebben het in dit opzicht moeilijker dan bedachtzame kinderen.
- kinderen die meer empathisch zijn' (beter aanvoelen wat de ander voelt) houden ook eerder in hun gedrag rekening met de gevoelens van anderen. - Tenslotte blijkt dat kinderen die een' positiever zelfbeeld hebben meer onafhankelijk kunnen oordelen. Zelfs als de klasgenoten bijna allemaal een bepaald oordeel hebben, dan nog zal dit kind vaak betrekkelijk onafhankelijk van tot een eigen standpunt kunnen komen.

Een zwak geweten
Er zijn kinderen die een zwak ontwik-· keld geweten lijken te hebben: de innerlijke rem lijkt defect. We zien dit o.a, bij emotioneel verwaarloosde kinderen, bij kinderen met een verstoorde hechting en ook wel bij hyperactieve kinderen. Deze kinderen hebben nogal eens een weinig ontwikkeld schuldgevoel.
Wat kunnen oorzaken zijn van zo'n zwak ontwikkeld geweten? Een paar voorbeelden:
- Een grillig opvoedingspatroon. Het kind weet dan niet waar het zich aan moet houden; de ene keer krijgt het straf, de volgende keer wordt er niets van gezegd, de derde keer wordt om hetzelfde gedrag gelachen.
Als ouders er heel verschillende normen op nahouden heeft dit hetzelfde effect op het gedrag van het kind: vader vindt het niet erg, moeder wel.
- Steeds wisselende opvoeders: het kind weet niet bij wie het hoort, bv.
kinderen die van jongs af aan in kindertehuizen opgroeien. Als er nooit (langdurig) van jou gehouden is, hoe zou je dan ooit rekening kunnen houden met de ander?
- De ouders vormen geen aantrekkelijk voorbeeld voor kinderen; bv.: kille, afwijzende of agressieve ouders.
Voor alle duidelijkheid: een zwakke gewetensontwikkeling is lang niet altijd een gevolg van de gezinssituatie. Ook factoren in het kind zelf kunnen sterk bepalend zijn, zoals: - Ontremd gedrag als gevolg van.
lichamelijke (neurologische?) factoren: het kind is niet in staat om goed te luisteren (het doet voordat het heeft nagedacht). Een andere vorm is het onvermogen om situaties voldoende te ordenen.
- Een hechtingsstoornis (mogelijk ook op basis van neurologische factoren), waardoor het kind niet goed In staat is om aan te voelen wat de ander voelt of bedoelt.

Een streng geweten
Kinderen meteen zwak geweten vormen een last voor de omgeving, mensen met een streng geweten zijn een last voor zichzelf. Ze denken altijd dat ze niet voldoen aan wat er van hen gevraagd wordt. Dit strenge geweten heeft voor een deel met de aanleg van . het kind te maken; sommige kinderen zijn meer precies dan andere kinderen (een verband met temperament). Ook zie je nogal eens dat het oudste kind' een meer precieze uitleg geeft aan de gezinsregels dan jongere kinderen. Dit strenge geweten heeft mede met de opvoedingsstijl te maken:
- Als ouders het kind veel verwijten maken (de ouders lopen de hele dag op hem te mopperen) krijgt het kind het gevoel dat het nooit iets goed doet.
- Ook het voortdurend dreigen met straf heeft een negatief effect; pijnlijk nauwkeurig probeert het kind zich aan de regels te houden.
- Daarnaast kan een stijl waarbij ouders werken in de stijl van mamma is niet boos, maar wel verdrietig zo'n krampachtig taal-qevoel bij kinderen tot gevolg hebben, Helaas blijft dit strenge geweten vaak aanwezig als het kind inmiddels volwassen is geworden. Het geweten blijkt een even strenge heerser te zijn geworden voor zichzelf en de omgeving als vroeger de regels van de ouders waren, al is de vorm vaak anders geworden. Maarten 't Hart heeft bijvoorbeeld net zo'n veroordelende toon ten opzichte van andersdenkenden als hij zijn vroegere Gereformeerde 'nest' verwijt.

Moedeloze opvoeders?
"Kweekt deze leer geen moedeloze opvoeders?" Er kan immers zoveel mis gaan? Of er is al zoveel mis gegaan.
Daarom nog een paar min of meer moreel geladen slotopmerkingen.
a) Er is wel een verband tussen de vroege ontwikkeling van kinderen en hun latere gedrag, maar dat verband is nooit rechtstreeks. De kwaliteit van de opvoeding kun je dus niet alleen aflezen aan het 'resultaat'. Er komen ook 'gave' kinderen voort uit kapotte gezinnen en er komen soms ook beschadigde kinderen uit harmonieuze gezinnen. We moeten dus voorzichtig zijn in ons oordeel over onze eigen opvoeding en de opvoeding door anderen.
b) Opvoeden gebeurt op basis van een relatie. Die relatie vormt het grondvlak van de omgang met elkaar. Als die relatie goed is, hoef je niet krampachtig ieder conflict te vermijden.
De omgang met elkaar kan in bepaalde perioden negatief zijn, zonder dat de relatie onder druk komt te staan.
c) We moeten ook niet ál te bewust bezig zijn met de opvoeding. Dat leidt in Gereformeerde en evangelische kring nogal eens tot een veel te moraliserend vorm van opvoeding, niet passend bij de leeftijd van het kind. Het is goed als we ons realiserendat veel opvoeding van- .
zelf gaat en gewoon op basis van onze intuïtie (aldenken we soms van niet).
d) Het is voor jonge kinderen belangrijk' dat de opvoeder voorspelbaar is ('ik weet wat ik aan jou heb'). Voor oudere kinderen is vooral de betrouwbaarheid van belang ('wat je zegt klopt met wat je doet').
el· Het is voor de geestelijke weerbaarheid van kinderen heel belangrijk dat ze uit een gezinssfeer komen waar ze zich geaccepteerd voelen. Basisgevoelens als 'Ik mag er zijn' en 'Ik mag zijn wie ik ben' vormen de basis voor het later zelf in moreel opzicht kunnen kiezen en verantwoordelijk willen zijn voor je eigen handelen. Kinderen die over zichzelf erg onzeker zijn, kiezen eerder de norm van de groep. Ze maken weinig eigen keuzen, maar volgen bepaalde 'idolen'.
f) God vraagt van ons dat we ons inzetten voor de opvoeding van kinderen die ons zijn toevertrouwd.
Weike weg de kinderen uiteindelijk gaan is lang niet alleen van de opvoeding afhankelijk. Die visie kan ons ook behoeden voor krampachtigheid.
We staan er niet alleen voor.
Noot: 1 De gegevens over de chronoloqische ontwikkeling van het geweten werden vooral ontleend aan: Rita Kohnstamm, Kleine Ontwikkelingspsychologie, deel I, hoofdstuk 10.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief