Bestendige gunst voor ons allen

1997-05-30
  • Jaargang 41
  • nummer 11
Er zit veel waars in het gezegde ‘Alle goede dingen komen langzaam’. Ook bij het uitleggen van een tekst dringt vaak het rechte begrip pas langzaam tot je door. Bij de bestudering van een Schriftgedeelte krijg je er opeens oog voor hoe een andere passage uit de bijbel daar licht op werpt. Maar vaak zie je pas veel later, dat de implicaties van dat nieuw gewonnen licht veel verder gaan dan je aanvankelijk had opgemerkt. Mij verging dat b.v. zo, toen ik bij de exgese van Op. 11, 1-8 verwezen ha naar Lc. 19, 42. Pas later kreeg ik door, dat waarschijnlijk heel het gebeuren, in Lc. 19, 41-21, 38 beschreven, model gestaab heeft voor Op. 11’.

'Genade' in Johannes' proloog
Een soortgelijke ervaring had ik dezer dagen, toen ik nog eens het slot van de proloog van het Johannes-evangelie las. Destijds 2 had ik verband gelegd tussen de woorden ult v. 18 "Niemand heeft ooit God gezien" en Ex. 33, 18-23. Nu pas zie ik, dat de benadering vanuit Ex. 33 voor het verstaan van het slot van Johannes' proloog nog aanzienlijk meer kan bijdragen.
Men heeft zich nl. bij de uitleg van Joh. 1, 14-17 vaak de vraag gesteld, wat de evangelist nu precies verstaat onder 'genade' (Gr. charis), een woord dat in zijn evangelie alleen hier voorkomt.
En dan met name ook, wat hij bedoelt met de verbinding 'genade en waarheid'. Zelf heb ik mij ook vele malen hierover het hoofd gebroken.
De antwoorden die ik eerder opperde meen ik nu echter te moeten bijstellen.
Nu ik nl. nog eens weer Ex. 33 en 34 las, viel het mij op, hoe in Mozes' verzoek aan den Heere (33, 12-17), dat Hij, ondanks Israëls zonde met het gouden kalf, toch zélf weer met het volk zal optrekken, voortdurend sprake is van "genade vinden in de ogen van den Heere" (v. 12, v. 13 (2 maal), v. 16, v. 17; en dan opnieuw in 34, 9).
Ik vroeg mij daarom af, of niet óók dat begrip 'genade', dat in Joh. 1, 14-17 zo bij uitzondering - én bij herhaling!uit Johannes' pen vloeit, afkomstig is uit Ex. 33, 12-17, zoals het "Niemand heeft ooit God gezien" in Joh. 1,18 lijkt te zijn ingegeven door Ex. 33,18-23; terwijl Joh. 1, 17 ("de wet is door Mozes gegeven") heel goed een verwijzing zou kunnen inhouden naar het begin van Ex. 34.

'Buiten de legerplaats'
Daar duikt in deze passage uit Joh. 1 trouwens nóg een opvallend woord op: "Het Woord ... heeft onder ons zijn tent opgeslageri', v. 14 ('gewoond' NBG).
Ook dat woord is in dit evangelie eenmalig.
Waarom deze term mij treft?
Wel, ik lees in Ex. 33, als de zonde met het gouden kalf een breuk geslagen heeft tussen den Heere en zijn volk, en Hij niet langer "in hun midden wil optrekken" (v. 3): "Mozes nu nam een tent en spande haar voor zich uit buiten de legerplaats, ver van de legerplaats .... Ieder die den Heere zocht, ging uit naar de tent der samenkomst, die buiten de legerplaats was' (v. 7). Duidelijker kan ons wel niet worden ingeprent, dat de Heere tóen niet meer zijn tent onder zijn volk wilde opslaan.
AI met al ontkom ik dan ook niet aan de indruk, dat Johannes zijn bericht van Christus' geboorte bewust heeft 'afgezet' tegen Ex. 33-34. Dat is ook zo vreemd niet, als men bedenkt, hoezeer Johannes in de eerder hem gegeven Openbaring georiënteerd is geworden op de geschiedenis van Israëls uittocht'. Hij ook is onder de evangelisten de enige die Jezus' vergelijking van zichzelf als het ware brood met het manna, dat Israël in de woestijn te eten kreeg, voor ons heeft vastgelegd (6, 22-59). Wij hebben in hem te maken met een schriftgeleerde die - naar het woord van Jezus in Mt.
13, 52 - "als een huisbaas uit zijn voorraadkamer nieuw én oud tevoorschijn haait".

Mozes
Mozes had, zo zegt hij in Ex. 33, 12, destijds 'genade' gevonden in de ogen van den Heere; m.a.w. hij had Diens 'gunst' gewonnen. De Heere kende hem, zo zegt hij verder, 'bij name'; d.w.z. Hij had met hem een 'vertrouwensrelatie'.
(Ps. 106,23 noemt Mozes in dit verband 'Gods uitverkorene'.) Nog pas (v. 11) is vermeld, dat God met hem persoonlijk sprak "zoals iemand spreekt met zijn vriend". En dat 'vriend' zal hier wel de pregnante betekenis hebben van "s konings vertrouweling en raadsman' (vgl. Gen. 26, 26; 2 Sam. 15,37 en 1 Kron. 27,33; 1 Kon. 4, 5), zoals ook Abraham, die door den Heere in zijn beraadslaging betrokken wordt (Gen. 18, 17 vlgg.), Gods vriend heet (Jes. 41, 8). Vgl. ook Joh. 15, 15.
Begrijpelijkerwijze bevreemdt het Mozes dan ook, dat God hem er niet van op de hoogte heeft gebracht, wie hij nu verder mee zal sturen als gids (v. 12). Als ik zo bij U in de gunst staaldus Mozes, v. 13 - dan mocht U mij toch wel eens "Uw wegen bekend maken", dat is: Uw plannen onthullen.
Dan weet ik, wat ik aan U heb, en dat ik nog altijd bij U in de gunst sta.
De Heere heeft - hoe zou het ook anders - meteen door, waar Mozes heen wil: "Moet Ik zélf meegaan? Zou dat je gerust stellen?" (v. 14) Mozes laat er geen twijfel over bestaan, dat er voor hem geen alternatief is: "Waaraan zouden we ánders weten, dat ik en uw volk uw gunst weer genieten, dan daaraan dat U met ons meegaat? Dat is immers in vergelijking met alle andere volkeren ons voorrecht!" (v. 16) Dan bewilligt de Heere, omdat Mozes "genade in zijn ogen gevonden heeft en Hij dien bij name kenf' (v. 17). De gunst die Mozes bij Hem geniet, de vertrouwensrelatie die deze met Hem heeft, bewegen den Heere ertoe, ook voor de rest van de reis zélf als gids te fungeren. Hij wil opnieuw een verbond met het volk sluiten (34, 10). Mozes mag daartoe nog eens twee tafelen hakken (34, 1).

Jezus Christus
Als het daarentegen over Jezus Christus gaat, dan heet Déze bij Johannes "vol van genade en waarheid' (v. 14 slot en v. 17).
'Vol': Hij brengt zo'n overvloed van genade mee, dat we daaruit de ene genade na de andere krijgen (v. 16).
Hij brengt een stroom van genade op gang die niet meer opdroogt. Bij de Horeb is er een breuk in Gods genade jegens Israël: de Heere dreigt het volk te verdelgen (Ex. 32, 10). En als Mozes deze ondergang van Israël heeft weten af te wenden (32, 14), is de Heere nog steeds niet bereid verder met het volk mee te gaan (33, 3).
Pas na een nieuw hartstochtelijk pleidooi van Mozes doet Hij dit toch uiteindelijk wél weer (33,17). Bij Jezus Christus dreigt zo'n breuk niet. Als ik wel zie, ligt dit uitgedrukt in de toevoeging 'en waarheid'. Ik vergeleek de door Hizkia gebezigde woorden, als hem is aangezegd, dat na zijn dood de Babyloniërs al zijn schatten zullen weghalen. Hij dacht toen, zo staat er in 2 Kon. 20, 19: "in mijn dagen zal er vrede en waarheid zijn".
Aldus de Statenvertaling. Maar reeds de Canisius-vertaling koos hier voor 'bestendige vrede'". Dezelfde weergave vinden we daar in Jer. 14, 13, waar de Septuagint de desbetreffende woorden in omgekeerde volgorde geeft; dus 'waarheid en vrede'. Op te merken valt, dat op deze laatste plaats de Statenvertalers spreken van .eenen gewissen vrede". In NBG en Willibrord lezen we "een ongestoorde vrede", in Groot Nieuws "voor altijd vrede".
Waarheid 'Waarheid' betekent nl.: waar je staat op kunt maken, vastigheid. Als dus aan Hizkia voor zijn dagen 'vrede en waarheid' wordt beloofd, dan betekent dat: t.a.v. de vrede krijgt hij van God vastigheid; de vrede wordt hem door God gegarandeerd.
Wel, zouden wij de verbinding 'genade en waarheid' niet in overeenkomstige zin mogen verstaan? En dus vertalen: 'bestendige gunst'? Het gaat hier dan niet om twee los van elkaar staande begrippen, maar om twee nauw verstrengelde begrippen; om zaken waarvan de ene ('waarheid') de aard van de andere ('gunst') nader bepaalt.
De weergave 'bestendige gunst' lijkt trouwens steun te krijgen in wat volgt (v. 16): 'genade op genade'. Het gaat om een ononderbroken genadebetoon.
In Jezus Christus is Gods gunst ons voor altijd gegarandeerd. Als we via Hem bij God een gunstig oog en oor hopen te vinden, worden we nooit teleurgesteld.
Een 'puntje op de i' Nog een kleinigheid. NBG heeft terecht aan het griekse woordje 'kai' vóór 'genade op genade' aandacht geschonken, al is de vertaling 'zelfs' hier minder gelukkig. Hetzelfde geldt van de weergave met 'ook', die men in de Statenvertaling vindt. Ten onrechte verwaarlozen tal van vertalers het. We hebben hier te maken met het 'kai' zoals dat gebruikt wordt om de aandacht te vestigen op een verrassend hoog getaT'. Wij gebruiken hiervoor 'wel' (' ..., vochten wij wel tachtig jaren') of 'maar liefst' ('hij had maar liefst vijftig keer een prijs gewonnen').
Dat laatste zou ik hier kiezen: 'maar liefst de ene genade na de andere'.
Het is alsof Johannes zeggen wil: 'Je houdt het niet voor mogelijk; maar écht: het kan niet op!'.
Allen Er is nog een verschil tussen de genade (de gunst) die Mozes bij vernieuwing verwierf, en de genade die Jezus Christus ons blijvend bracht.
Men lette er namelijk op, dat Johannes nadrukkelijk spreekt van 'wij allen'.
In Ex. 33 hangt alles aan één draad: de gunst die Mozes bij den Heere heeft weten te verwerven. Zeker: die gunst strekt zich dan mee uit over Israël. Maar al distancieert de Heere zich niet meer zo absoluut van het volk, als Hij aanvankelijk had gedaan ("het volk dat gij (Mozes) uit het land Egypte hebt gevoerd", 33, 1), toch wil het Hem blijkbaar nog niet over de lippen, dat behalve Mozes ook het volk genade in zijn ogen heeft gevonden.
Ofschoon Mozes namelijk van den Heere wil weten, "dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben"
(v. 16), in zijn inwilliging van Mozes' verzoek laat de Heere het bij de woorden "omdat gij (Mozes) genade in mijn ogen gevonden hebt". Maar vandáág, zegt Johannes, vinden via Jezus Christus "wij allen", één voor één, persoonlijk en rechtstreeks, genade in Gods ogen.
Johannes zit hier verrassend op één lijn met Paulus, als deze dezelfde oudtestamentische situatie, nl. die van het slot van Ex. 34, vergelijkt met die van Gods volk onder de nieuwe bedeling.
Ik heb het oog op 2 Cor. 3, waarin hij eraan herinnert, hoe Mozes op z'n eentje, zonder het volk, tot den Heere ging, en dan met een (voor de Israëlieten onverdraaglijk) stralend gelaat terug kwam. Hij besluit dat hoofdstuk met te zeggen: "Wij allen, die met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heeren weerspiegelen, ..."7.
Noten:
1. Zie Opbouw.jrg. 37, blz. 177.
2. Zie Opbouw,jrg. 36, blz. 166.
3 Zie mijn artikelen in Opbouw,jrg. 36, blzz. 293-295; 312-313; 368-370; jrg. 37, blzz. 122-123; 143-145; 177; 221-222; 238-239.
4. Willibrord (1 en 2): ,Als in mijn tijd de vrede maar behouden bIYft'.
5. Ik wil hier mijn vriend drs. Ph.
Roorda van harte bedanken voor zijn hulp bij het verifiëren van de teksten uit het Oude Testament. Hij verwijst voor 'waarheid' in de zin van 'bestendigheid' nog naar het desbetreffend artikel in het Lexicon in Veteris Testamenti libros van Koehler-Baumgartner.
6. Zie J.D. Denniston, The Greek Partides', Oxjord 1954, 320 sub 3.
7. Zie Opbouw, jrg. 40, blz. 170-172.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief